Interview

‘Ons onderwijssysteem vormt niet, maar vervormt’

Filosoof Jan Bransen in de school H400 in Nijmegen, een voorbeeld van hoe onderwijs volgens hem wél moet. Beeld Koen Verheijden

Het onderwijs is gebaseerd op verkeerde ideeën. Daarom moet het helemaal op de schop, vindt filosoof Jan Bransen. ‘Ons onderwijssysteem is failliet.’

In de bedrijfsschool H400, een school voor praktijkonderwijs in Nijmegen, ruikt het naar olie. Scholieren slepen houten platen naar buiten. Verderop staat een groepje rondom een motorblok. “Een diploma zegt niets”, zegt filosoof Jan Bransen, terwijl hij een tocht maakt door de gangen van de school. Hij denkt even na: “Oké, het zegt niet zovéél.” Dan, met een lach: “Ik houd van chargeren.”

Wat Bransen, hoogleraar filosofie van de gedragswetenschappen in Nijmegen, maar wil zeggen is dit: een diploma zegt weinig over of een student of scholier in staat is om de opgedane kennis en inzichten daadwerkelijk toe te passen. Of, in zijn eigen woorden: “Een diploma is alleen nog maar een concurrentievoordeel. Ouders willen ongetwijfeld vooral dat hun kind gelukkig wordt. Helaas zijn wij elkaar gaan wijsmaken dat ze daarvoor eerst een zo hoog mogelijk diploma nodig hebben.”

In zijn nieuwe boek ‘Gevormd of vervormd?’ houdt de filosoof een pleidooi voor een andere vorm van onderwijs, van basisschool tot en met universiteit. Bransen wil scholing waar jongeren zelf een grote rol hebben. “Een vorm van onderwijs waar ze hun eigen stem, perspectief en positie leren ontwikkelen.” Het huidige onderwijssysteem is in zijn ogen gebaseerd op verkeerde ideeën. “Het levert geen creatieve en nieuwsgierige mensen op, maar passieve reproduceerders van kennis”, zegt hij. Stellig: “Het huidige onderwijssysteem is failliet. Het vormt niet, maar vervormt.”

Dat is dan ook de reden dat hij deze Nijmeegse praktijkschool wil laten zien. Hier toont hij hoe het wél moet in het onderwijs. H400 (de naam is afgeleid van het adres van de school: Hatertseweg 400) is bedoeld voor middelbare scholieren met een indicatie voor speciaal onderwijs. Theorie en praktijk zijn hier niet gescheiden. Zo is de school tevens een bedrijfsverzamelgebouw, waarin een autogarage, een drukkerij en een cateraar zijn gevestigd. Ondernemers huren hier tegen een zacht prijsje bedrijfsruimte. De voorwaarde is dat leerlingen er stage mogen lopen en kunnen leren. Ook is er een huiskamer, waar jongeren kunnen zitten en als ze dat willen een maaltje kunnen koken. Verder is er veel coaching, waarbij docenten in samenspraak met de leerlingen bepalen hoe hun leerplan eruit ziet.

Sociale vaardigheden

Een leerling met een rammelend koffiekarretje passeert. Ze maakt haar ronde langs de docenten en doet zo praktijkervaring op, vertelt schoolleider Myr­the Kamphuis, die zich bij Bransen heeft gevoegd. “Het is de bedoeling dat ze hier niet alleen Engels of wiskunde leren. Het gaat er hier ook om dat ze sociale vaardigheden opdoen in de praktijk. Daarom oefenen de leerlingen om op tijd te komen of te overleggen met anderen.”

Door praktijk en theorie met elkaar te combineren leren jongeren zichzelf en hun capaciteiten kennen, is de onderliggende gedachte. Zo komen ze er spelenderwijs achter welke toekomst ze voor zich zien: verder op het mbo of werken in een bedrijf.

“Zo praktisch zou elke school moeten zijn”, zegt Bransen. “Ik geloof dat deze vorm van onderwijs goed is voor elke leerling en elke student. In deze school leren jongeren hun mogelijkheden ontdekken en hun grenzen kennen. Dit is een proeftuin waar je kunt ontdekken en leren.” Sowieso loopt wat vernieuwingen betreft het praktische onderwijs, zoals vmbo en mbo, voor op het theoretische onderwijs, vindt Bransen. “Daar snappen ze beter dat theorie en praktijk niet van elkaar kunnen worden gescheiden.”

Zitten en luisteren

Het idee voor dit boek ontstond doordat Bransen zich steeds meer ging storen aan de houding van een deel van zijn studenten op de Radboud Universiteit. “Ze gaan zitten en luisteren naar wat nodig is om een tentamen te halen.” Dat is niet hoe het zou moeten, vindt Bransen. “Ik wil dat studenten zelf bepalen wat ze nodig hebben om te leren. Dus ik stelde voor om ze zelf een boekenlijst samen te laten stellen. Maar zo’n aanpak, daar kunnen veel studenten na jaren scholing helemaal niets meer mee. Ze verwachten dat ik de literatuur voorschotel. Dat ze mede-eigenaar zijn van hun opleiding, die gedachte lijkt ze niets te zeggen.”

Dat kun je de studenten niet verwijten, haast Bransen zich te zeggen. “Dat is het gevolg van hoe het onderwijs is ingericht.” In zijn boek verwoordt hij het zo: ‘Het is voor ieder kind in Nederland tussen vier en zestien jaar volstrekt evident dat je een leerling bent, dat jouw leven zich grotendeels op school afspeelt, dat jij leren moet en dat de volwassenen om jou heen bepalen wat jij leren moet.’ Elders schrijft hij: ‘Er blijft niets, maar dan ook helemaal niets meer over van de leerlust waarmee de kleuter ooit de school binnenkwam. Die intrinsieke motivatie is onberispelijk gedisciplineerd. Het kind is een leerling geworden. Hij kent zijn rol. Hij leeft zijn leven passief, afwachtend, reactief en gehoorzaam.’

Bransen: “We leren leerlingen vooral om een goede leerling te zijn en goede proefwerken te maken. Alleen: daarmee kun je niets. Hoe langer we het onderwijs laten duren, des te erger het wordt, hoe meer het leren geïsoleerd raakt van de praktijk, van het leven.”

Op de gang rennen een paar leerlingen schreeuwend voorbij. In een kamertje legt Bransen nog eens uit waarom hij deze bedrijfsschool zo’n goed voorbeeld voor het hele onderwijs vindt. “Bij de meeste kinderen kun je de wil gewoon even uitzetten – ‘wacht maar, wat jij wílt weet je straks als je van school af bent’ – maar bij de kinderen op deze school lukt dat niet. Die reageren direct als ze iets niet willen.”

Bransen legt uit wat hij bedoelt. “Er zijn vier werkwoorden die in het leven van mensen altijd dominant zijn: zijn, weten, kunnen en willen. Het gaat er altijd om of je iets bent, iets weet, iets kunt en iets wilt. Alleen, in ons onderwijs staan we niet stil bij de wil. Gewoon, wat je als leerling wilt, dat wordt genegeerd. De wil wordt niet ontwikkeld. Een leerling luistert en reproduceert een vooraf vastgesteld programma. Wij vragen aan jongeren om soms wel 24 jaar lang hun wil uit te zetten. Terwijl de wil zo belangrijk is voor de waardeoriëntatie van mensen: wat vind ik nu echt belangrijk?”

En dat heeft grote gevolgen, meent Bransen. “Als je wat je echt wilt in een onderwijssetting buiten het kennen en kunnen houdt, hoe wil je dat dan later? Dat geeft een vervorming.” Wanneer de praktische consequenties van zijn stelling ter sprake komen, merkt Bransen op dat hij de neiging heeft om allerlei verreikende conclusies aan de onderontwikkelde wil te verbinden. “We hebben een zogenaamd hoogopgeleide bevolking die radicaal niet meer weet wat ze wil. Waar denk je dat het hoge percentage burn-out onder jongeren vandaan komt? Op school raakt onze wil volledig vervreemd van zichzelf. We zien het om ons heen. Gaan ze werken op hun 25ste, dan zie je dat jongeren geen idee hebben hoe ze zich hun takenpakket welwillend kunnen toe-eigenen.”

Eigen rol

Bransen stelt in zijn boek een geheel nieuwe indeling van verschillende leerfases voor. Het basisonderwijs moet zich in zijn ogen vooral richten op het ontwikkelen van het zelfvertrouwen door goed te leren rekenen en taal te leren beheersen. In het voortgezet onderwijs moeten leerlingen ‘hun eigen rol leren spelen’. Daar zou hij het onderwijs duaal voor willen inrichten: drie dagen school, twee dagen daarbuiten, om elders te leren en te werken en zo de maatschappij beter te leren kennen. 

Bransen noemt een voorbeeld. “Stel dat je 12, 13 jaar bent en je hebt een fascinatie voor scheikunde, waarom kun je dan niet werken als hulp in een laboratorium? Natuurlijk weet ik dat je veel theorie en abstractieniveau nodig hebt om een goede chemicus te worden, maar de vraag is of je dat aan ‘de voorkant’, dus op school, moet geven. Ik denk dat je beter momenten in een ontwikkeltraject kunt bieden waarbij je na een tijdje in zo’n lab op school eens echt de theorie induikt. Zo leer je de scheikunde van binnenuit kennen. Dat lijkt me een stuk beter dan dat je het periodiek systeem van elementen uit het hoofd leert. Het fundament van alles is de praktische omgang.”

Ook wil hij af van de indeling in schoolniveaus en toetsen. Voor elke leerling moet maatwerk gelden, vindt Bransen. Zo hier en daar gebeurt dat al. Wat Bransen betreft is de Agora-school in Roermond, waarover Trouw ook geregeld schrijft, een witte raaf in de onderwijswereld. Vier jaar geleden begon deze middelbare school zonder vakken, toetsen of niveaus. De afgelopen zomer bleek dat de resultaten van dit onderwijsexperiment niet slechter waren dan op reguliere scholen. De zeventien leerlingen die eindexamen deden, kwamen allemaal op het niveau van hun basisschooladvies. “Dergelijke experimenten zijn belangrijk. Ze ondermijnen de praktijk in ons huidige onderwijssysteem.”

Voor toetsen, tentamens en proefwerken is evenmin ruimte in Bransens ideaal. Getoetst kan er beter worden door permanent gesprekken te voeren met leerlingen en ze vervolgens te voorzien van feedback, denkt hij. “Als ik een uur met jou praat over journalistiek, dan weet ik wel zo ongeveer hoe jij erover denkt. Als ik je een tentamen laat leren, dan heb ik geen idee of de antwoorden die je opschrijft ook echt van binnenuit komen.” Vanzelfsprekende doorstroom is er, als Bransen het voor het zeggen zou hebben, ook niet meer bij omdat schooldiploma’s zoals vmbo, havo en vwo zijn afgeschaft. Voor mbo’s, hogescholen en universiteiten biedt dat een mooie uitdaging, denkt Bransen. “Onderwijsinstellingen moeten dan hun best doen om hun aanstaande leerlingen en studenten eerst te leren kennen.”

Een andere indeling van het onderwijs, geen diploma’s, permanente feedback in plaats van proefwerken – hij wil nogal veel overhoop halen. Daarvan is Bransen zelf ook doordrongen. “Het is iets van de lange adem. Als over vijftig jaar een aantal van de standaardparameters is veranderd, is dat al heel wat.”

Jan Bransen, ‘Gevormd of vervormd? Een pleidooi voor ander onderwijs’, ISVW Uitgevers; 227 blz., €24,95

Jan Bransen, hoogleraar filosofie van de gedragswetenschappen aan de Radboud Universiteit Nijmegen, schrijft graag voor een breed publiek. In 2014 won hij de Socrates Wisselbeker met ‘Laat je niets wijsmaken’, over de macht van experts en de kracht van het gezonde verstand.
Als filosoof onderzoekt Bransen de begrippen die ten grondslag liggen aan ons alledaagse mensbeeld, waarin mensen zich beschouwen als rationele, autonome en moreel verantwoordelijke individuen. Hij richt zich daarbij met name op  de aard en betekenis van beweegredenen, keuzevrijheid en morele verantwoordelijkheid. 

Lees ook:

Het was vijf jaar geleden een sprong in het diepe. Een middelbare school zonder vakken, cijfers of lesroosters. Agora in Roermond gelooft erin.  

Agora begon in september 2014 met het idee dat elk kind op zijn eigen manier moet leren, gedreven door zijn eigen interesses en vragen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden