Ons lot zit welniet in onze genen

Depressie of criminaliteit: allemaal een kwestie van aanleg. Neurobiologe Lone Frank laat haar genenmateriaal onderzoeken en ontdekt dat deze mantra van de genetica achterhaald is. "Mijn genoom is geen dwangbuis maar een sweater."

Mijn huisarts kijkt argwanend naar de twee plastic buisjes met ingebouwde naald die ik heb meegebracht. "Willen ze psychische ziekten diagnosticeren met een bloedtest?", vraagt ze, terwijl ze geroutineerd een naald in mijn ader jaagt.

Ik had er lucht van gekregen dat het farmaceutisch bedrijf Lundbeck probeert de activiteit te meten van geselecteerde genen. Zo wil het aandoeningen als posttraumatische stress-stoornis en borderlinepersoonlijkheidsstoornis, en niet in de laatste plaats depressie vaststellen. Ik bied mezelf aan als proefpersoon.

"Maar je voelt je niet depressief op dit moment?" vraagt de huisarts. Ik schud mijn hoofd, want ik voel echt niets. Geen van de bekende symptomen. Voorlopig bevindt mijn humeur zich in het normale bereik, dat wil zeggen verdraaglijk. Het is ver verwijderd van het punt waarop de film normaal gesproken knapt en ik netjes moet vragen om een recept van dagelijks 150 milligram antidepressivum.

"Goed. Het gaat om genetische merkers, begrijp ik, maar dat is toch niet een van de gebruikelijke DNA-tests?"

Nee. Nu gaat het niet langer om de onveranderlijke informatie in de genen die ik toevallig heb geërfd, maar om hoe mijn organisme kiest de informatie te interpreteren. Ik leg het mijn geïmponeerde toehoorster uit: dit is niet zomaar genetica, dit is epigenetica.

"Het tijdperk van de epigenetica is aangebroken", verklaarde Time Magazine een paar dagen voor mijn bezoek aan de huisarts plechtig. En een Amerikaanse kennis die op Harvard werkt, noemt het hot shit. Begrijpelijk, want het is waarschijnlijk precies hier waar de vage, haast mystieke ontmoeting tussen nature (aanleg) en nurture (opvoeding) plaatsvindt. Je kunt immers heel makkelijk zeggen dat we genetische predisposities hebben en dat er dan wat milieu bij komt, en dan krijgen we een samenspel en voilà - een zichtbaar resultaat. Maar waar bestaat dat samenspel dan uit?

Kortgeleden nog gold epigenetica als irrelevant voor volwassenen, het hoorde bij het embryonale stadium, waarbij een programmering van het genoom moest plaatsvinden die de rest van het leven van het organisme standhield. Maar de enzymen die daarvoor verantwoordelijk zijn, blijven het hele leven in je cellen aanwezig. Daarom is het niet verwonderlijk dat men er nu achter komt dat epigenetische herprogrammering het hele leven door en in alle weefsels van het lichaam kan plaatsvinden.

Dat eeneiige tweelingen hetzelfde genoom hebben, maar uiterlijk en wat geest betreft toch nooit helemaal gelijk zijn, kan best wel eens het resultaat zijn van epigenetische veranderingen. In 2005 spoorde een Spaanse onderzoeksgroep veertig tweelingen in de leeftijd van drie tot 74 jaar op. Het resultaat wees op een progressieve ontwikkeling: de kleine kinderen verschilden eigenlijk niet van elkaar, maar hoe meer tijd ze in de centrifuge van het bestaan doorbrachten, hoe aanzienlijker de verschillen. De een werd snel oud, of dik, kreeg aderverkalking, de ander niet.

Zulke veranderingen kunnen pathologisch worden. Kanker lijkt vaak te komen door epigenetische veranderingen die ervoor zorgen dat cellen zich oncontroleerbaar delen en er kwaadaardige gezwellen ontstaan. Kankeronderzoek zet daarom sterk in op een epigenetische richting en wordt tegenwoordig vergezeld door wetenschappers die de wortels van psychiatrische ziekten zoeken. Want hoe zit het eigenlijk met de ziekten van de geest?

Psychiatrische aandoeningen gaan gepaard met langdurige gedragsveranderingen. Ze ontwikkelen zich graag geleidelijk, en wanneer ze worden behandeld duurt het ook lang voordat de symptomen afnemen. De behoefte aan chronische medicatie is kenmerkend; het wijst er dus op dat het niet gewoon een chemische onbalans is die je snel eens en voor altijd kunt herstellen, maar dat het gaat om permanente veranderingen.

Als het 'milieu' een rol speelt, wat zijn dat dan voor effecten? Kan iets dat zo vluchtig is als onze sociale ervaringen - ondefinieerbare invloeden van onze opvoeding en omgang met andere mensen - werkelijk de activiteit van onze genen verhogen en verlagen?

Iets wijst daarop, en wat de onderzoekers op het spoor bracht, was een stelletje slechte rattenmoeders. In 2004 rapporteerde de Israëlische farmacoloog Moshe Szyf verbluffende observaties van goede en slechte rattenmoeders en hun nakomelingen. Kort samengevat: rattenjongen die worden grootgebracht door harteloze moeders (die hun jongen maar sporadisch likken en hun vacht slecht verzorgen) reageren anders op stress en zijn veel angstiger dan jongen van goede moeders. Dat doen ze kennelijk omdat de mishandeling specifieke genen in hun hersencellen uitzet. Als de vrouwtjes op hun beurt moeders werden, behandelden zij hun jongen ook slechter, terwijl dochters van goede moeders ook zelf uitstekende moeders waren. Het gedrag was niet erfelijk, maar een direct resultaat van hun jeugd, want als je de pasgeboren jongen wegnam en ze verdeelde over goede en slechte moeders, aardden de jongen naar hun adoptiemoeders.

Wat het milieu had aangericht, kwam aan het licht toen Szyf en zijn collega's de nu volwassen geworden ratten doodden, hun hersenen eruit peuterden en ze tot in detail onderzochten. Het bleek dat de slechte jeugd een blijvend spoor in de erfmassa had achtergelaten; het gen dat de productie van stresshormoon tempert, was bij de mishandelde ratten grondig uitgeschakeld.

Kinderen die te maken hebben gehad met verwaarlozing, misbruik of geweld, ontwikkelen als volwassenen abnormale, veel te heftige stressreacties; ze hebben ook een verhoogd risico op depressie en zelfmoord. Om te weten waar die gevoeligheid, waarover men het heeft bij psychische aandoeningen, eigenlijk door komt, moest Moshe Szyf alleen even wat hersenweefsel zien te krijgen. De Quebec Suicide Brain Bank stelde weefsel beschikbaar van twaalf zelfmoordenaars die in hun jeugd waren mishandeld of misbruikt. Szyf ontdekte dat bij hen precies dezelfde receptor als bij de verwaarloosde ratten was uitgeschakeld - en niet in het hersenweefsel van twaalf mensen die waren verongelukt.

Szyf bekeek nog een andere controlegroep: zelfmoordenaars die als kind géén mishandeling hadden meegemaakt. Deze groep onderscheidde zich niet van de verongelukten. Szyf had het brandmerk van mishandeling gevonden, de smerige vingerafdrukken van misbruik in de hersenen van het slachtoffer.

Een vergelijkbaar brandmerk kun je krijgen van depressie - van je moeders depressie welteverstaan. Gevoeligheid daarvoor lijkt al in het embryonale stadium te ontstaan. Het epigenetisch effect is volgens onderzoekers van de University of British Columbia hetzelfde bij kinderen van depressieve moeders, of die nu wel of geen medicijnen gebruikten. Het is hetzelfde brandmerk als bij de zelfmoordenaars van Szyf.

Epigenetica is een van de grote modekreten van nu, en dat komt vooral doordat ze een paar felbegeerde verklaringen kan geven voor hoe ons milieu ingrijpt in onze genetica. Maar het enthousiasme en de verwachtingen berusten ook op iets anders. Namelijk dat alle epigenetische veranderingen in principe omkeerbaar zijn - ze kunnen worden tenietgedaan. Ze staan in schril contrast met de mutaties waarover we zo gewend zijn te horen en die niet kunnen worden veranderd. Nu ruiken we een kans. Want kun je misschien gewoon medicijnen nemen en genen activeren of deactiveren, of de activiteit ervan die op hol geslagen is een halt toeroepen?

"We hebben wat technische problemen gehad, maar nu draait het systeem weer en zijn je testresultaten uit het laboratorium gekomen. Als je geïnteresseerd bent, kun je me bellen."

Deze laconieke mail is afkomstig van een onderzoeker, verbonden aan het farmaceutische bedrijf Lundbeck. Ik bel haar. "Dag", zegt ze - ze is in een geweldig humeur en vertelt me zonder veel omhaal dat mijn test me stevig in de groep van depressieve proefpersonen positioneert.

"Wat?" Dat begrijp ik niet helemaal. Ik vóélde me toch helemaal niet depressief bij mijn aderlating, en ook later niet? De gebruikelijke ontevredenheid en de incidentele frustratie over mijn naaste omgeving, maar niets abnormaals.

Ik vertel haar over mijn verwarring over de vermaarde test en vraag om een uitleg. Waarom verkondigt mijn genetische activiteit dat ik depressief ben als dat helemaal niet zo is? Ja, wat testen ze hier eigenlijk?

Van de Canadese onderzoekster, Jennifer Larsen, krijg ik eerst het verhaal te horen van het gigantische probleem van de farmaceutische industrie. Als je beduidend betere middelen wilt ontwikkelen, word je gedwongen nieuwe ziektemechanismen te ontdekken. Op psychiatrisch gebied is het alleen ongelooflijk moeilijk om op deze mechanismen vat te krijgen.

"De diagnoses zijn subjectief", zegt Larsen. "Als we het over depressie hebben, wat toch een gigantisch grote markt is, krijg je langzamerhand zelfs het gevoel dat de heersende diagnose - major depressive disorder (MDD) zoals het in de psychiatrische handboeken heet - in werkelijkheid meer dan één ziekte omvat. Want bij sommige mdd-patiënten slaan antidepressiva wel aan, bij andere niet. Er zijn verschillen in slaappatroon, en bij de een is het stresshormoon cortisol verlaagd, bij de ander verhoogd. Er is alleen niemand in staat geweest criteria te vinden die de groepen vooraf kunnen onderscheiden. We willen daarvoor graag een paar biomerkers hebben."

Hier praat Larsen uit naam van de gehele branche. De markt vraagt er om ¿ biomerkers zijn de nieuwe heilige graal. In hun jongste rapport over de toekomst van de farmaceutische industrie voorspellen analytici van PricewaterhouseCoopers dat het in 2020 moeilijk wordt om medicijnen te verkopen zonder tegelijkertijd een diagnostische test te doen die kan bevestigen dat die individuele patiënt nou juist dát medicijn moet hebben.

En mijn testresultaat? Larsen: "Het is beslist mogelijk dat we een epigenetische verandering te pakken hebben die al lang geleden heeft plaatsgevonden, en die is blijven hangen. Misschien is dit patroon een uiting voor wat normaal gesproken depressiegevoeligheid wordt genoemd." Kortom: Ik bén niet depressief, maar ben het gewéést, dus misschien blijft mijn gevoeligheid ervoor gewoon bestaan.

Volgens Moshe Szyf hebben zulke veranderingen effect op het hele systeem. Szyf is blij met de belangstelling voor epigenetica - die kan 'verklaringen geven voor heel veel vragen waar we geen antwoord op hadden'. Zoals de gezondheidskloof tussen arm en rijk. Mensen in lagere sociale klassen overlijden vaker en worden meer getroffen door lifestyleziekten. Hun ziekteverloop is ernstiger en de prognoses zijn slechter dan van de financieel betergestelden met precies dezelfde ziekte. En niet doordat ze andere genen hebben. "Het ligt zo voor de hand dat hier iets epigenetisch plaatsvindt, maar niemand heeft ernaar gekeken." Hij denkt dat de socio-economische status zijn stempel drukt tot in het genoom. Maar het is niet onomkeerbaar - Szyf heeft het duidelijk laten zien bij de verwaarloosde rattenjongen: die corrigeerde hij door een middel in de hersenen te spuiten, dat het epigenetische brandmerk uitwiste dat hun gedrag als jonkies had getekend. De aangetaste dieren ontspanden opeens en vertoonden daarna een volstrekt normale reactie op stress.

Dit biedt perspectieven die zich buiten de privésfeer uitstrekken. Want als dit soort genetische kennis nu bestaat, zou iemand het dan in zijn hoofd halen er politiek mee te bedrijven? Onderzoekers van de Universiteit van Georgia stortten zich op een terrein waar niet velen zich durven te begeven. Ze bezochten arme zwarte gemeenschappen op het platteland van Georgia en selecteerden 641 gezinnen, allemaal met een kind van elf, op de drempel van de puberteit, met alle risico's die dat met zich meebrengt, zoals het in aanraking komen met drugs, drank en seks.

De onderzoekers testten de kinderen genetisch op hun aanleg voor risicogedrag. Daarnaast wilden ze zien of er genetisch verschil bestaat in hoe kinderen reageren op pogingen van hun omgeving om te voorkomen dat ze in de problemen raken.

De kinderen werden in twee groepen verdeeld; de ene mocht zijn gang gaan, de andere kreeg met het hele gezin ondersteuning van The Strong African American Families Program (SAAF) dat ouders betrekt bij school, hun leert te participeren in het leven van hun kinderen en hun niet in de laatste plaats leert om grenzen te stellen. Het is, statistisch gezien, een succesvolle aanpak.

Goed, in de groep die aan zichzelf werd overgelaten, bleek in de jaren daarna dat jongeren met de genetische risico-variant twee keer zo vaak als de anderen aan roken en drinken begonnen en aan seks deden. Dat vermoedden de onderzoekers al.

Veel sensationeler waren de kinderen die in het SAAF-programma meededen. Dat had een sterk preventief effect op de 'genetisch belaste' jongeren, maar slechts een gering effect op de overigen. Voor beide groepen was de frequentie van risicogedrag ruwweg op hetzelfde niveau als voor jongeren zonder genetische belasting, die niet deelnamen aan SAAF. Interventie werkte dus duidelijk het best bij de jongeren met die speciale genetische gevoeligheid. Of beter gezegd: ontvankelijkheid.

Dit druist in tegen de oude angst dat gedragsgenetica 'slechte' genen zal aanwijzen en daarmee de reden is dat een groep wordt bestempeld als biologisch problematisch en geen hulp krijgt. Het genetisch onderzoek wordt juist een regelrecht pleidooi voor initiatieven, precies daar waar de problemen het ergst zijn.

De huidige gedragsgenetica "zet het genetisch determinisme uit het verleden helemaal op zijn kop, en dat heeft grote gevolgen voor onderzoek, behandeling, politiek en de relaties tussen de onderzoekers", schrijft criminologe Nicole Rafter in 'The Criminal Brain' (2008). Pas als biologische en cultureel-sociologische theorieën worden gecombineerd, is er écht iets te doen aan criminaliteit: door het aanpakken van sociale ellende.

Daarvoor moeten we resoluut afrekenen met enkele mythes, bijvoorbeeld over psychiatrie. Het nieuwe denken daarbinnen wijst er al op: de idee van risicogenen gaat overboord ten faveure van genetisch bepaalde ontvankelijkheid. Het is dus één groot nee tegen klassiek genetisch determinisme. Verder moeten we af van de overtuiging dat het genoom een statische grootheid is als was het een biologische schandpaal waar we aan vastgeklonken zitten.

We zijn pas sinds kort gaan wroeten in genetische 'kneedbaarheid', en we zien nu al hoe die ¿ op zichzelf onveranderlijke informatie ¿ voortdurend onderhevig is aan interpretatie. Door verschillende weefsels, en door alle soorten milieu en andere externe omstandigheden. Dé manier om ons mensen te vormen is niet door genen te veranderen, maar door dát te veranderen waaraan we de genen blootstellen. Dat geeft genetisch onderzoek al meer een holistisch karakter, speurend naar het continue pingpongspel waar het genoom, het organisme en de rest van het universum mee bezig zijn.

Het is een herschrijving van de genetische mantra, dit echt biologische mensbeeld, dat zijn uitgangspunt heeft in kennis over evolutie, over genetica en over hersenfysiologie. Én in cultuur en geschiedenis. Het is een totaalinzicht, dat vanzelfsprekend producten van het gedrag en gedachten van mensen integreert - politiek, cultuur, muziek, poëzie - en die in een biologische context bekijkt. En vice versa.

Het is nog maar twintig jaar geleden dat een specialist in Time Magazine zei: "Ooit dachten we dat ons lot in de sterren stond. Tegenwoordig weten we dat het lot voor een groot deel wordt bepaald door onze genen." Nu klinkt dat als een overmoedige, achterhaalde simplificatie. Of, zoals Moshe Szyf (van de ratten) het zegt: "Het lot ligt natuurlijk gedeeltelijk in onze genen, omdat die de basis vormen voor wat er kan gebeuren. Maar er zit net zo veel lot in de manier waarop we met elkaar omgaan."

Ik vind het veel bevredigender om mezelf en m'n leven in biologisch, in sociaal én in cultureel perspectief te kunnen interpreteren. Genen zijn níét je lot, maar een aantal kaarten die we in handen hebben gekregen, en een aantal kaarten die een zekere speelruimte bieden. Het genoom is geen dwangbuis, maar een zachte sweater die we kunnen opvullen en vormen.

Klein woordenBoek
Biomerkers - Meetbare moleculen, bIjvOorbeeld eiwitten in het bloed of op genen, die duiden op een bepaalde ziekte of aanleg.

DNA - MolEcuul met eRfelijKE infoRmatie, baSis van genen.

Enzymen - Eiwitten die chemische reacties versnellen of vertragen.

Genetica - Erfelijkheidsleer, met een centrale rol voor het DNA.

Epigenetica - Bestudering van (omkeerbare) veranderingen in de activiteit van genen.

Genoom - De genen van een individu die samen al diens erfelijke informatie bevatten.

Wie is Lone Frank?

De Deense neurobiologe Lone Frank werkt als wetenschapsjournalist. Ze presenteerde wetenschapsprogramma's op de Deense tv en publiceerde onder andere 'De vijfde revolutie. Omdat hersenwetenschap onze wereld gaat veranderen' (2010).

Dit artikel is een bewerking van de slothoofdstukken van haar nieuwste boek, 'Mijn supergenen. Opkomst van de huis-tuin-en-keukengenetica' (vertaling Kor de Vries, Maven publishing, ISBN 9789490574154). Deze week was zij een van de sprekers op het jaarlijkse symposium van de Leidse Veerstichting.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden