'Ons land is in rep en roer'

Aan het strand wordt het heerlijke geklots der golven overstemd door het geluid van twistgesprekken tusschen voor-en tegenstanders der 'vrouwenbeweging'; aan de theetafel in de open lucht weerklinken de argumenten van weerszijden; in de kerken wordt over de brandende kwestie gepreekt; in de keuken wordt in de breede betoogd en geredeneerd. Ons land is in rep en roer. (Prof. dr. P. J. Blok, hoogleraar vaderlandse geschiedenis in de 'Nederlandsche Spectator' in 1898.)

Hoewel het volgens de heersende moraal een grote schande was als een vrouw 'moest' werken, trok de Nationale Tentoonstelling van Vrouwen-arbeid in de zomer van 1898 in Den Haag een recordaantal bezoekers. Bijna 100 000 mensen uit het hele land kochten speciale meerdaagsarrangementen bij de spoorwegen om zich in de enorme tuin van de rijke Hagenaar Adriaan Goekoop aan de Stadhouderslaan te informeren over alle beroepen waarin vrouwen werkten. En om op soms tweedaagse congressen te discussiëren over de veelal extreem slechte arbeidsomstandigheden van de honderdduizenden wasvrouwen, fabriekarbeidsters, dienstbodes of thuisnaaisters.

Goekoop had zijn perceel gratis ter beschikking gesteld, omdat zijn echtgenote Cécile Goekoop-de Jong van Beek en Donk - schrijfster van de toen progressieve vrouwenroman 'Hilda van Suylenburg' - voorzitter was van het comité dat de tentoonstelling in een recordtijd van drie jaar uit de grond had gestampt. Zij trotseerde talrijke beledigende briefjes, onder meer uit de gegoede Haagse burgerij in de trant van: Hoe kunt ge U met zoo iets belachelijks bezighouden als het vrouwenvraagstuk? Voelt ge dan niet, hoe dwaas gij U aanstelt? Overigens scheidde zij twee jaar na de tentoonstelling van haar man.

Volgens dr. Hettie Pott-Buter, docent economie aan de Universiteit van Amsterdam en een van de auteurs van het volgend jaar verschijnende overzichtswerk 'Vrouwen: Leven en werk in de 20ste eeuw', was het niet toevallig dat het initiatief voor de tentoonstelling genomen werd door leden van de Groningse Vrouwenbond.

“De vrouwen op het Groningse platteland waren rijk, goed opgeleid, vrijzinnig en vooruitstrevend. Maar als gehuwde vrouw mochten ze zich alleen bezighouden met kinderen, de huishouding, schone kunsten en vrijwilligerswerk. Onder meer door op de tentoonstelling te laten zien wat vrouwen al deden, wilden zij bereiken dat vrouwen toegang tot veel meer beroepen zouden krijgen.”

In het jaar waarin een jonge vrouw, Wilhelmina, de hoogste functie in Nederland ging vervullen, oefenden volgens een volkstelling van de 1,8 miljoen vrouwen boven de 12 jaar er ruim 400 000 een beroep uit. De helft werkte als dienstbode, de rest als land- of fabrieksarbeidster.

Dat waren althans de officiële cijfers, waarbij vrouwelijke seizoens- en deeltijdarbeid, onder meer in de landbouw en de steenfabrieken, thuiswerksters en vrouwen die in het bedrijf van hun man werkten, niet waren meegeteld. Ook de andere cijfers waren twijfelachtig: hoewel het nog sterk agrarische Nederland in vergelijking met omringende landen relatief welvarend was, bewezen steekproeven van de Inspectie van de Arbeid dat er in 1898 veel meer vrouwen (moesten) werken dan de statistieken vermeldden. Zo vond de inspectie alleen al in Bunschoten, Huizen en Monnickendam ruim 250 visrooksters terwijl het er volgens de statistieken in heel Nederland maar twintig waren. En, in tegenstelling tot de veronderstelde zeshonderd, bleken er duizenden vrouwen - vaak met hun kinderen - onder erbarmelijke omstandigheden te werken in de steenfabrieken.

Vrouwen verdienden, afhankelijk van de vraag of ze gehuwd waren of niet, globaal de helft tot twee derde van het mannenloon. Ze werden voor het laagste werk ingeschakeld. Volgens de 'Beroepsklapper', samengesteld door Marie Jungius, de bezielende kracht achter de tentoonstelling, waren vijfhonderd beroepen helemaal niet opengesteld voor werkneemsters.

Ondanks het enthousiasme in de pers over de vrouwenplannen, die onder meer meldde dat het traditionele gekibbel van dames nergens te ontdekken is geweest, ofschoon er ver over de 500 vrouwen van de meest uiteenlopende denkwijze hebben samengewerkt, liepen de de voorbereidingen van de tentoonstelling niet allemaal over rozen. Het eerste jaarverslag van het voorbereidingscomité begint, vijf pagina's lang, met het weerspreken van argumenten tegen de tentoonstelling. Door voor vrouwen beter en breder werk mogelijk te maken, zou de man onbillijke concurrentie worden aangedaan. Ook zou de tentoonstelling 'rood' zijn, 'in wezen anti-religieus' en het hele plan te groot om door vrouwen te worden uitgevoerd.

In werkelijkheid kwam de samenwerking van de Groninger Vrouwenbond (onderdeel van de Vrije Vrouwen-vereeniging van Wilhemina Drucker met als doel op alle terreinen van wetgeving, onderwijs en arbeid de posities van vrouwen te verbeteren) met de 'rode' vrouwen bij de Sociaal-democraten als Henriëtte Roland Holst maar moeizaam van de grond. Toch zagen de meeste sociaal-democraten in de overmacht van de 'burgerlijke feministes' uit de betere kringen in de organisatie geen reden om het hele project te boycotten. Bovendien was vrouwenarbeid zo breed gedefinieerd, dat iedereen er zich in kon herkennen. Het omvatte zowel het zwoegen der vrouwen op de steenfabrieken als het regeeren der koningin, het boetseeren der beeldhouwster als het geknield liggen wieden der boerin, het waken der moeders over de lichaampjes en de zielen harer kinderen, als het rusteloos bedienen der machines van de fabrieksarbeidsters.

Hettie Pott-Buter: “De tegenstelling van de emancipatiewensen van vooral de ongehuwde vrouwen uit de middenklasse en de belangen van de fabrieksarbeidsters waren in Nederland minder sterk dan in andere landen. In het buitenland was het feminisme altijd verbonden met de elite, maar Nederland had een minder sterke klassenmaatschappij. Democratie was hier een groot goed.”

Volgens Fia Dieteren, die voor het Belle van Zuylen Instituut een boekje schreef over de tentoonstelling, was het duidelijk dat de organisatie ook geen partij wilde kiezen in de discussie over de vraag of alle arbeid door vrouwen verricht kon worden of dat een vrouw 'van nature' vooral voor bepaalde soorten werk meer geschikt was. Marie Jungius zei: “Wij zijn geen jury, de Tentoonstel-ling wil niet uitmaken wie gelijk heeft, dat staat niet aan ons, ze wil eenvoudig den weg ruimen aan elke vrouw, uit welke kring ook die waarachtig iets te zeggen heeft, over welk punt van algemeen belang het zij.”

Precies op de aangekondigde dag, op 9 juli 1898, ging de tentoonstelling open. Een groot aantal ministers en andere hoogwaardigheidsbekleders, onder wie de pauselijke Nuntius en baron Taets van Amerongen als vertegenwoordiger van de Koningin, zette de opening luister bij. Na de opening door Cécile Goekoop verklaarde een klein meisje, als symbool van de toekomst, de tentoonstelling voor geopend.

Posthumus-van der Goot en Van der Waal beschrijven heel precies de gang door de tentoonstellingsruimte: De voornaamste ruimte werd ingenomen door de sectie Industrie. Het forse beeld van een vrouw achter een kruiwagen met klinkers trok onmiddellijk aller blikken... als wonderlijk contrast hing aan de muur een collectie getiteld 'Het arbeidsmateriaal van de volleerde jonge dame', die wat zong of schilderde, fietste of tenniste, een romannetje las of een steekje borduurde, aangezien dit zaken waren die geacht werden overeen te komen met haar vrouwelijke aanleg.

Negentig industriëlen hadden vrouwen gestuurd die op de tentoonstelling lieten zien hoe ze werkten als bijvoorbeeld diamantslijpsters, weefsters en sigarenmaaksters. Ook hadden de organisatrices met behulp van duizenden vragenlijsten, door persoonlijke brieven en bezoeken aan bedrijfshoofden én aan arbeidsters, duidelijk boven water gekregen hoe de arbeidsvoorwaarden in elke tak van nijverheid waren. Zo lagen er op een 'gruweltafel' allerlei confectieartikelen uitgestald die men zó in de winkel kon kopen. Posthumus-van der Goot en Van der Waal: Naast het fijnste naaigoed lag de felle aanklacht: de paar centen die de vervaardigster ermee had verdiend... Wat verderop stond een Drentse plaggenhut, een beeld van armoede zo zwart dat iedere vrouw, socialiste of dame van de wereld, daartegen in opstand kwam. Het aanschouwelijk maken van deze beschamende tegenstelling - voor het eerst in Nederland - maakte diepe indruk.

Na de industriezaal kwam men uit bij de ziekenverzorging, het onderwijs en het maatschappelijk werk. Zo kon men apotheeksters in een volledige apotheek aan het werk zien, en demonstreerde het Roode Kruis (afdeling Den Haag) de uitrusting van de vrouwelijke ambulancedienst. Vrouwenwerk werd dus ook gedemonstreerd als wapen in de strijd tegen menselijk lijden en maatschappelijke ellende. Alle vrijwilligers- en liefdadigheidsorganisaties uit verschillende religieuze en politieke hoeken mochten zich presenteren. Enige voorwaarde was dat zij een vrouw in dienst hadden. Zo gaf een bonte mengelmoes van armenhulp, organisaties voor prostitutiebestrijding en woningbouwverenigingen acte de présence in Den Haag die allemaal vreedzaam naast elkaar verschillende oplossingen voor de 'Sociale Kwaestie' aanprezen.

Ook de 'huisvrouw' kwam aan haar trekken, in de zaal die speciaal gewijd was aan hygiëne, met wastafels, een reisbidet en hygiënische kleren voor kinderen. Volgens Fia Dieteren was de grens tussen huishouden en beroep vaag. Huishoudleraressen presenteerden zich uitgebreid als een nieuw beroepsperspectief voor vrouwen uit de middenklasse.

Men kon op de tentoonstelling openbare kooklessen volgen, want een gezonde maatschappij was gebaat bij een huisvrouw die wist te zorgen voor een voedzaam en gevarieerd dieet.

De roep om emancipatie was vooral tijdens de vele lezingen en discussies in de 'congreshal' te beluisteren. De gynaecologe Catherine van Tussenbroek maakte volgens Dieteren diepe indruk met haar felle pleidooi om het meisje aan het werk te krijgen. Ik bedoel: aan ernstig, degelijk werk, dat haar inspant tot op de uiterste grens van haar kunnen, en dat haar tevens een nuttige toekomst belooft.

In totaal werden er twaalf drukbezochte congressen gehouden, uiteenlopend van onderwerpen als de vakopleiding van dienstbodes tot bijeenkomsten ter bevordering van de openbare zedelijkheid - waar het overigens ook ging over 'onderzoek naar het vaderschap'.

De tentoonstelling heeft grote gevolgen gehad voor de posities van vrouwen in Nederland. Hettie Pott-Buter: “Vrouwenwerk stond als gevolg van de tentoonstelling hoog op de agenda. Iedereen had er een mening over, de kranten stonden er vol van.” Met de 'winst' van de tentoonstelling - 20 000 gulden - werd het Nationaal bureau voor vrouwenarbeid in Den Haag opgezet, dat tot zijn einde in 1947 onderzoek deed naar vrouwenarbeid en krachtig lobbyde voor verbeteringen, bijvoorbeeld voor verpleegsters en voor de nog steeds geldende wet die het verkoopster toestaat tijdens stillen momenten te gaan zitten in de winkel.”

Daarnaast gaf het bureau veel voorlichting. Het publiceerde lijsten met voor vrouwen toegankelijke beroepen en de daarvoor vereiste opleiding. Ook de Nederlandse Vereniging van Huisvrouwen heeft haar ontstaan in 1912 aan het bureau te danken, dat in eerste instantie een vakvereniging op het oog had.

Het tentoonstellingsbestuur zette zijn werk na 1898 voort in de nieuw opgerichte Nationale Vrouwenraad, die nog steeds bestaat. In de overtuiging dat de vrouwen als gelijken van de mannen geroepen worden te werken voor het welzijn van de wereld, werd als gulden regel aangenomen: 'Gelijk gij wilt, dat U de menschen doen zullen, doe gij hun desgelijks.' Ook zijn er als gevolg van de tentoonstelling veel productie-coöperaties opgericht, waar onder goede arbeidsvoorwaarden werd gewerkt. Dit waren onder meer 'De Wekker' in Den Haag en 'de Samenwerkende Linnenwerksters' in Amsterdam.

Hettie Pott-Buter nam twee jaar geleden zelf het initiatief genomen om, een eeuw later, opnieuw een tentoonstelling over vrouwenarbeid van de grond te krijgen. “Ik had al diverse gesprekken gevoerd met de Nieuwe Kerk”, lacht Pott-Buter. “Serieus. Maar het lukte niet meer om op tijd genoeg enthousiaste vrouwen voor een goede tentoonstelling bij elkaar te krijgen.”

En dat is niet vreemd, stelt de onderzoekster. “Want jonge vrouwen hebben op dit moment geen tijd om zo iets groots erbij te organiseren. Ze hebben het veel te druk met de combinatie van betaald en onbetaald werk. Het is niet vreemd dat vrouwen met een goede baan relatievorming en het krijgen van kinderen uitstellen.”

De boodschap van 'haar' tentoonstelling was dus anders geweest dan die van honderd jaar geleden, stelt Pott-Buter.

“Toen lag de nadruk op het verschil tussen jongens en meisjes, ook in de beroepsarbeid. Gaandeweg is dat verschil op het terrein van beroepsarbeid verminderd. Waar het volgens mij nu om gaat is de verdeling van het werk thuis. Vrouwen hebben in principe toegang tot alle beroepen, maar ze dragen - net als vroeger - thuis de grootste verantwoordelijkheid. De invoering van het vak verzorging was een belangrijke stap om vrouwen èn mannen op de taken thuis voor te bereiden, maar om ze gelijker te verdelen moet er meer gebeuren. Die onevenwichtige taakverdeling uitbeelden is een mooi doel voor de volgende tentoonstelling.”

Pott-Buter heeft al een nieuwe datum in haar hoofd: 'haar' tentoonstelling over de verdeling van betaald en onbetaald werk moet komen in 2013. Dan is het namelijk honderd jaar geleden dat op het buiten Meerhuizen aan de Amsteldijk de herdenkingstentoonstelling 'De vrouw in 1813-1913' plaatshad. “Dan heb ìk in elk geval de tijd, ik ben dan zeker gepensioneerd. En als ik dan fit genoeg ben, moet het desnoods maar op ons eigen terrein thuis.”

Bericht

Jansje de Vries, de dienstbode die in verschillende diensten goederen stal, als broches, hoeden, hemden, broeken enz, werd heden veroordeeld tot 8 maanden gevangenisstraf.

HERDENKINGEN

Volgend jaar worden in Nederland tal van herdenkingen gehouden waarin het jaar 1898 centraal staat. In de Nieuwe Kerk in Amsterdam wordt een tentoonstelling gehouden over de inhuldiging van koningin Wilhelmina, die daar op 6 september 1898 plaatsvond. De kerk wordt met alle pracht en praal van die inhuldiging een eeuw geleden ingericht. Hoogtepunt van de tentoonstelling wordt de Gouden Koets. De koets werd gebouwd door de firma Spijker en was in 1898 het geschenk van de Amsterdamse bevolking aan haar jonge koningin. Het rijtuig is sinds de huwelijksceremonie van koningin Beatrix en prins Claus in 1966 niet meer in de hoofdstad teruggeweest. De koets wordt in de Koninklijke Stallen in Den Haag bewaard en komt alleen op prinsjesdag naar buiten. Zij is in 1967 ook nog gebruikt om prins Willem-Alexander naar zijn doopplechtigheid te brengen, maar die was ook in Den Haag.

De tentoonstelling in de Nieuwe Kerk duurt van 6 juni tot en met 2 augustus. Volgend jaar zijn er vooral in de omgeving van Apeldoorn verscheidene evenementen ter herdenking van de inhuldiging van koningin Wilhelmina. Op Paleis 't Loo wordt een 'Wilhelmina-tentoonstelling' gehouden. Rond 1 maart verschijnt het eerste deel van de biografie door prof. dr. mr. C. Fasseur.

Verder:

expositie 'Beroep: huisvrouw 1898-1998'. 8 maart t/m 28 juni, Amsterdams Historisch Museum.

historische expositie over de 'Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid' in 1898 21 maart t/m eind december, Internationaal Informatiecentrum en Archief voor de Vrouwenbeweging (IIAV), Amsterdam.

expositie 'Zij de politie. Honderd jaar vrouwen bij de politie'. 1 mei t/m 22 november, Politiemuseum Apeldoorn.

reizende tentoonstelling 'Vrouwen over hun arbeid in de agrarische sector 1898-1998' 8 maart e.v., Landbouwuniversiteit Wageningen e.a.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden