Ons kostelijkste cultuurbezit

Als dit land van Erasmus, Spinoza, Coornhert al een 'kostelijk cultuurbezit' heeft, zoals professor Cleveringa de nationale identiteit aanduidde, een 'Nederlands geestesmerk', om met Huizinga te spreken, dan behoort tolerantie zeker tot een van de wezenskenmerken.

Toen John Locke in 1685 als vluchteling in Amsterdam zijn Brief over de tolerantie schreef was de Nederlandse Republiek een eiland van verdraagzaamheid. Alhoewel het tolerantiebegrip van toen, temidden van de religieuze twisten, al van meet af aan een sterk ideële component had, de vrijheid van geweten, speelden toch ook pragmatische redenen een grote rol. Hoe zou een metropool als Amsterdam, het handelscentrum van Europa met zijn stapelmarkt en zijn wereldwijde betrekkingen, eenvormigheid kunnen opleggen aan de bonte bevolking die binnen zijn muren woonde?

Deze ingebouwde spanning tussen ideële uitgangspunten en praktische noodzaak heeft het begrip tolerantie tot een diffuus begrip gemaakt. Michael Walzer onderscheidt in zijn recente boek On Toleration vijf manieren om tolerant te zijn, variërend van elkaar met rust laten 'om de goeie vrede te bewaren' via 'onverschilligheid tegenover de verschillen' en 'moreel stoïcisme' tot meer actieve vormen van tolerantie zoals belangstelling en respect en, als hoogste vorm, het aanvaarden en aanmoedigen van culturele diversiteit als een verrijking van de samenleving.

Wanneer tolerantie betekent dat een dominante groep aan een niet-dominante toestaat meningen of bestaansvormen te hebben die van de gewone orde schijnen af te wijken, is het strikt genomen een arrogant neerbuigend begrip. Tolerantie, op die manier ingevuld, scoort laag op de schaal van Walzer en doet geen recht aan de feitelijke betekenis in de Nederlandse samenleving.

Naar mijn mening is tolerantie veeleer de way of life van een pluriforme, multiculturele samenleving, waarin geen enkele groep kan of wil domineren en waarin wederzijds respect heerst en een gemeenschappelijk respect voor de grondregels van onze democratische rechtsstaat.

Deze laatste toevoeging is voor een inhoudsvol tolerantiebegrip essentieel. Tolerantie mag niet verward worden met toegeeflijkheid. Wie uit naam van de tolerantie lankmoedig omspringt met de handhaving van onze rechtsregels en terwille van de lieve vrede te pas en te onpas het gedooginstrument uit de kast haalt, legt de basis voor een intolerante samenleving. Toegeeflijkheid is de grootste vijand van de tolerantie.

In een tolerante samenleving heeft iedereen het recht om anders te zijn maar ook de plicht om eraan mee te werken dat de samenleving als geheel kan blijven functioneren. Dat roept de vraag op naar de grenzen van de tolerantie. Hoe tolerant dient een samenleving te zijn jegens groeperingen die zich tegen deze kernwaarden keren?

Dit vraagstuk is al in de jaren dertig aan de orde gesteld, zonder resultaat. Pas vele jaren later, toen het kalf al verdronken was, laaide de discussie weer op. Dat leidde uiteindelijk tot de Wet van 17 maart 1988 'tot wijziging van enkele bepalingen over verboden rechtspersonen'. 'Uitlatingen zoals het aanzetten tot haat en uitingen die verboden discriminatie inhouden' behoren sindsdien als 'strijdig met de openbare orde en de goede zeden' te worden aangemerkt. Zij houden een aantasting in 'van de als wezenlijk ervaren beginselen van ons rechtsstelsel die, indien op grote schaal toegepast, ontwrichtend zou blijken voor onze samenleving'.

Tijdens een recent debat over een verdere aanscherping van deze verbodenverklaring lijkt minister Dijkstal - merkwaardigerwijs - juist te kiezen voor een versoepeling. Met een beroep op de 'veerkracht van de democratie' betrekt hij de stelling dat een partijverbod pas moet worden ingezet 'bij stelselmatige, zeer ernstige verstoring van het democratisch proces'. Over de aanzet tot rassendiscriminatie als verbodsgrond wordt, in weerwil van het Internationale Verdrag inzake Uitbanning van alle vormen van Rassendiscriminatie, dat ons daartoe verplicht, niet meer gerept.

Openbare orde

Bij de vraag of de vrijheid van demonstratie ook geldt voor haat zaaiende groeperingen is sinds kort eveneens een kentering te bespeuren. De vrijheid van demonstratie is voor het eerst in Nederland geïntroduceerd in 1966. Toen al was het idee dat op het algemene beginsel van demonstratievrijheid ook uitzonderingen mogelijk moeten zijn wanneer het gevaar dreigt dat rechten en vrijheden van derden worden aangetast. Dat is evident het geval wanneer intolerante groeperingen een openbare manifestatie organiseren met het kennelijke doel tot discriminatie aan te zetten. De (inmiddels) grondwettelijke vrijheid van demonstratie moet dan wijken voor het recht van minderheidsgroepen om van overheidswege tegen dergelijke (intimiderende) vormen van (aansporing tot) rassenhaat te worden beschermd. Artikel 1 van de Grondwet (het non-discriminatiebeginsel) prevaleert dan boven artikel 9 (de betogingsvrijheid).

Tot voor kort werd een dergelijk preventief demonstratieverbod door alle burgemeesters in Nederland binnen de bestaande regelgeving toegepast. Pogingen van extreem-rechts om een demonstratie te organiseren werden beschouwd als een onaanvaardbaar risico voor de openbare orde. Maar in 1996 zijn burgemeesters zich, mede gelet op de jurisprudentie, gaan afvragen of het waardeneutrale begrip 'openbare orde' zich wel verdraagt met een niet-neutrale toepassing. Voor het eerst werden extreem-rechtse demonstraties toegelaten. Dit leidde tot veel commotie en onbegrip. Een verzoek om in de Wet Openbare Manifestaties een meer inhoudelijke verbodsbepaling op te nemen liep stuk op onbegrip van regering en parlement.

De hantering van het non-discriminatiebeginsel als verbodsgrond wordt gezien als 'preventieve censuur'. Weliswaar kan 'de betogingsvrijheid geen vrijbrief zijn voor het plegen van strafbare feiten', aldus de minister, maar die moeten dan maar achteraf strafrechtelijk worden aangepakt. Ook hier laat de overheid na uitvoering te geven aan het Internationaal Verdrag inzake de Uitbanning van alle vormen van Rassendiscriminatie, dat het aanzetten tot rassenhaat en rassendiscriminatie sinds 1996 verbiedt.

De intimiderende werking die van extreem-rechtse manifestaties op minderheidsgroepen uitgaat, zeker als deze door indringende televisiebeelden worden uitvergroot, moet niet worden onderschat.

Tolerantie dreigt een leeg begrip te worden als de overheid bij een botsing van grondrechten niet pal staat voor het recht van iedere burger om gevrijwaard te worden van discriminatie en/of rassenhaat. De rol van de bestuurlijke elite moet, als het om de ethische beginselen gaat die aan de tolerantie ten grondslag liggen, richtinggevend zijn en wel op een zodanige wijze dat alle burgers zich daarin kunnen herkennen.

Dit geldt te meer nu ons als tolerante samenleving de nieren worden geproefd. De opkomst van de multiculturele samenleving, de snel gewijzigde bevolkingssamenstelling met name in de grote steden, de voortgaande migratiebeweging die zich in deze, zich mondialiserende, wereld maar moeilijk laat indammen, maakt dat in heel Europa het klimaat jegens etnische minderheden verhardt. Ook in Nederland blijkt ons kostbaarste cultuurbezit aan erosie onderhevig te zijn. Ongeveer de helft van de bevolking vindt dat er teveel buitenlanders in Nederland zijn (in Europa is dit gemiddeld 57%).

De (dreigende) verwijdering tussen de publieksagenda en de politieke agenda als het om de multiculturele samenleving gaat en de afwezigheid van een duidelijk, richtinggevend ethisch profiel van de bestuurlijke elite op dit beleidsterrein, zoals recentelijk nog in de kwestie-Gümüs tot uitdrukking kwam, zijn duidelijke problemen.

Als het om de acceptatie van de multiculturele samenleving gaat, is het de bestuurlijke toon die de muziek maakt. Overal in de wereld ontstaan spanningen tussen de toenemende culturele diversiteit binnen landen en de behoefte aan de ontwikkeling of het behoud van een eigen, nationale identiteit. In landen met een langere traditie als immigratieland, waar culturele diversiteit deel uitmaakt van de nationale identiteit (bijvoorbeeld Australië) levert dit minder problemen op dan in landen waar men hardnekkig vasthoudt aan de fictie geen immigratieland te willen zijn en waar immigratie wordt gezien als een tijdelijk fenomeen (bijvoorbeeld Duitsland).

Als de overheid uitstraalt dat migratie een soort ritmestoornis is, een tijdelijk a-historisch fenomeen, dan kan men moeilijk verwachten dat de maatschappelijke integratie van migranten, die het stempel van tijdelijkheid opgedrukt krijgen, probleemloos verloopt.

Het is van groot belang dat overheden in dit tijdperk van migratie duidelijk zeggen waar het op staat. Migratie is een bijkomend gevolg van de wereld als global village. Migratie is wereldwijd. Migratie is een blijvend verschijnsel. Migratie is min of meer beheersbaar. Maar migratie is - in zijn volle omvang - zonder een nieuwe Berlijnse Muur, niet te stoppen. Overheden die zich achter een dergelijke illusie verschuilen vervreemden van hun burgers die hun ogen niet in hun zak hebben. Het migratietijdperk vraagt om een bestuurlijke elite die zich, temidden van een proces van maatschappelijke transformatie, van zijn educatieve taak bewust is.

Kentering

In ons land, waar de illusie dat Nederland geen immigratieland zou zijn, tot in de jaren '90 gold, heeft in het minderhedenbeleid door de jaren heen integratie met behoud van culturele identiteit steeds voorop gestaan. Een formule die het onderscheid tussen assimilatie en integratie markeert.

Nadat aanvankelijk elk van de drie beleidscategorieën verscheidenheid, gelijkheid en eenheid een gelijkwaardige (en samenhangende) betekenis werd toegekend, is er in de tweede helft van de jaren '80 een kentering ontstaan. De WRR stelde toen voor het integratiebeleid los te koppelen van het cultuurbeleid. Cultuurbeleving werd primair gezien als een private aangelegenheid. In het daarop volgende discours ging de VVD nog een stapje verder door het cultuurbeleid en de sociaal-economische integratie tegenover elkaar te stellen. Het benadrukken van culturele verscheidenheid, een te sterke oriëntatie op de 'eigen etnische gemeenschap, identiteit en cultuur' zou de belangrijkste hinderpaal zijn bij de bewerkstelliging van de individuele, sociaal-economische integratie.

Ook het individualiseringsdebat miste bij de herijking van het minderhedenbeleid zijn uitwerking niet. In de Contourennota van 1994 deed het begrip 'inburgering' zijn intrede. Het begrip minderhedenbeleid werd min of meer afgeschaft en vervangen door 'integratiebeleid'. Daarbij ging het om gelijke rechten en plichten (het beleid werd minder vrijblijvend) voor alle burgers.

Al met al is in het minderhedendebat, met uitzondering van het CDA, dat vast bleef houden aan het aloude concept van 'integratie via emancipatie in eigen kring', de politieke aandacht voor de cultuur en identiteit van de allochtonen langzamerhand afgenomen. Dit is met name toe te schrijven aan factoren als een afbrokkelend maatschappelijk draagvlak voor het integratiebeleid, interetnische spanningen in bepaalde oude stadswijken, de voortgaande immigratie, en de dreigende marginalisering van allochtone jongeren.

Ik denk dat, alles overziende, de bestuurlijke elite in Nederland, door deze simplificerende keuze te maken, zijn educatieve taak dreigt te verwaarlozen. Door te kiezen voor een politiek van onverschilligheid tegenover de verschillen zet men te laag in op de tolerantieschaal van Walzer. Het ethisch profiel komt steeds meer op de achtergrond.

Assimilatie

1.Door een probleem, namelijk de culturele diversiteit als belemmering voor sociaal-economische integratie, weg te definiëren en het van de politieke agenda te schrappen is de oplossing ervan niet naderbij gebracht. Integendeel.

2. Het is een oversimplificatie om de culturele identiteitsbeleving van individuen en groepen volledig van elkaar los te koppelen. Het staat elke allochtone burger vrij om te kiezen voor een 18-karaats assimilatie. Maar - en dat is mijn punt - het staat hem of haar ook vrij om te kiezen voor enigerlei invulling van de eigen cultuur of religie. In dit land, waar grondrechten als die van de vrijheid van vereniging en vergadering, de godsdienstvrijheid, de vrijheid van onderwijs, ons met de paplepel zijn ingegeven, behoeft dat geen nader betoog.

3. Door de 'culturele component' weg te definiëren, al dan niet via het inburgeringsmodel, kiest de Nederlandse samenleving in feite voor een politiek van 'assimilatie'. Alfons Fermin, (op wiens Nederlandse politieke partijen over minderhedenbeleid, 1977 - 1995 ik mij hier baseer) wijst er terecht op dat een geforceerde assimilatie het belang en de functies van de etnische gemeenschappen veronachtzaamt, met name in een onzekere situatie als die waarin immigranten en hun nakomelingen zich bevinden.

4. Het wegmoffelen van het belang van de culturele component is voornamelijk ingegeven door de vermeende afbrokkeling van het draagvlak van de multiculturele samenleving. Maar ook hier is angst een slechte raadgever. Door de principia van de multiculturele samenleving niet te expliciteren, laat de bestuurlijke elite gods water over gods polder lopen en verzaakt zij haar educatieve verantwoordelijkheid.

Als niemand het verschil markeert tussen oordelen en vooroordelen, krijgen de laatste vrij baan. Elke overheid krijgt de burgers die zij verdient.

5. In de wereld van verschil die zich, via ons televisiescherm, dagelijks aftekent, is de hang naar erkenning van culturele diversiteit een herkenbaar fenomeen. De ontkenning, of zelfs onderdrukking, van dat recht ligt ten grondslag aan tientallen conflicten en (potentiële) brandhaarden in alle delen van de wereld. De erkenning (en handhaving) van het fundamentele recht anders te zijn is misschien wel het belangrijkste wapen dat de internationale gemeenschap ter beschikking staat om nieuwe humanitaire rampen te voorkomen.

In de wereld van verschil is het verschil (etnisch, religieus, cultureel), in het bijzonder na de val van de Berlijnse Muur, de belangrijkste bron van instabiliteit. Gewelddadige conflicten, burgeroorlogen, etnische zuiveringen en genocide teisteren diverse delen van de aardbol. De onafzienbare stroom van vluchtelingen van hot naar her zwelt aan en aan. De World Conflict Map 1995-1996 toont 95 brandhaarden, waaronder 20 zg. high-intensity-conflicts. Al deze brandhaarden hebben één ding gemeen: culturele c.q. etnische minderheden worden in hun existentie bedreigd en vechten wanhopig voor enigerlei vorm van erkenning, zij het in de vorm van een eigen politieke entiteit, dan wel voor gelijke politieke, economische, culturele en religieuze rechten binnen bestaande entiteiten. De Secretaris-Generaal van de VN zei in zijn Agenda voor de Vrede (1992) dat als elke etnische, religieuze of taalgroep een eigen staat zou opeisen, er geen grens zou zijn aan versnippering en dat bijgevolg vrede, veiligheid en economisch welzijn voor een ieder steeds moeilijker verwezenlijkt zouden kunnen worden. Het is onvermijdelijk dat oplossingen gevonden moeten worden binnen bestaande staatsverbanden via toekenning van een hoge mate van autonomie, zelfbestuur en erkenning van de rechten van minderheden op het gebied van onderwijs, cultuur en religie. Anders gezegd: de verankering van culturele diversiteit binnen het bestaande statenstelsel is niet alleen een zaak van elementaire humaniteit (als fundamenteel recht op menselijke waardigheid), maar ook een basisvoorwaarde voor vrede en veiligheid in de wereld.

Bedreigingen

Haaks op deze opvatting staat Huntingtons Clash of Civilizations waarin weliswaar de primordiale betekenis van culturele diversiteit in de wereld uitgangspunt is (zij het dat hij, simplificerend, uitgaat van een achttal, door de grote wereldreligies gedomineerde, zogenaamde beschavingen), maar waarin hij komt tot tegenovergestelde conclusies.

Huntington wijst elke vorm van 'universalisme' af. De wereld moet leven met de immense verschillen die er tussen de grote wereldbeschavingen bestaan en het Westen moet er vanaf zien zijn 'waarden en normen' (zoals mensenrechten en democratie) aan anderen op te dringen. Omgekeerd vindt hij dat binnen het door het christendom geïnspireerde Westen elke hang naar relativering van de eigen cultuur door het aanvaarden van culturele diversiteit moet worden tegengegaan. De grote bedreigingen van de Westerse beschaving zijn, naar buiten toe, het universalisme en, naar binnen toe, het multiculturalisme.

Beide strevingen hebben gemeen dat zij het unieke karakter van de Westerse beschaving ontkennen en haar innerlijke kracht aantasten. Beide strevingen zijn boter aan de galg, want beschavingen kunnen slechts functioneren op basis van een wederzijds vijandbeeld: “Each has been the other's other”. “It is human to hate.” De niet-Westerse beschavingen (de islam voorop) zijn in toenemende mate anti-Westers en het Westen verliest terrein en moet zich schrap zetten en meer identiteitsbewust worden.

Huntington heeft het vooral begrepen op de islam. Elke vorm van diversiteit ontkennend zet hij de islam neer als de religie van het zwaard. 'De' islam is niet toevallig betrokken bij het merendeel van de etnische oorlogen in de wereld. 'De' islam voelt zich verheven boven het decadente, materialistische Westen. De sterke bevolkingsgroei, de opkomst van een goed opgeleide jonge generatie die zich een bestaan moet opbouwen terwijl elk economisch perspectief ontbreekt, maakt haar vatbaar voor fundamentalistische stromingen. Deze ontwikkeling heeft het karakter van een tijdbom. Een 'clash of civilizations' langs de grenzen van het Westen, maar ook daarbinnen via immigratie, de 'sans-culottes' in de steden, laat zich uittekenen.

Huntington noemt Bosnië-Herzegowina als het grote voorbeeld van een 'fault line war' waar het Westen de verkeerde kant heeft gekozen. Ten onrechte zijn de bordjes van 'good guys' en 'bad guys' (waar hebben we dat eerder gehoord?) verhangen. Amerika heeft zich volgens Huntington door een naïeve hang naar multiculturalisme laten meeslepen in een uitzichtloos conflict langs verkeerde scheidslijnen. Het gevolg is verdeeldheid binnen het Westen (waartoe Huntington met name de Serviërs en de Kroaten rekent), het uitstel van een werkbare oplossing (de verdeling van Bosnië in een Servisch en een Kroatisch deel) en het ontstaan van een 'Fremdkörper' in Europa: een islamitische staat, die met steun van Iran snel zal radicaliseren.

Deze kijk op de situatie in Bosnië werpt een schril licht op de 'banaliteit van het kwaad' die aan Huntingtons wereldbeschouwing ten grondslag ligt. Blijkbaar rechtvaardigt een innerlijke versterking en homogenisering van de christelijk-Westerse beschaving een 'Blut und Boden'-politiek, mogen de geciviliseerde scheidslijnen gemarkeerd worden door etnische zuiveringen en wordt er ook niet gekeken op een genocide meer of minder. Westerse waarden als individuele vrijheid, mensenrechten, respect voor elkaar enz., die te goed zijn voor de rest van de wereld, hoeven blijkbaar niet in acht te worden genomen als het gaat om de confrontatie met andere beschavingen. Laat staan dat het Westen in actie zou moeten komen als deze waarden elders met voeten worden getreden.

Voor mij is Bosnië nu juist het bewijs dat een diametraal tegenover gestelde politiek noodzakelijk is. In een wereld waarin nationalisme en etnische polariteit aan de orde van de dag zijn, dient de acceptatie van culturele diversiteit, dwars door het internationale statenstelsel heen, zowel in de binnenlandse als buitenlandse politiek een leidend beginsel te zijn. Een verder uiteenvallen van Bosnië dient dan ook met alle kracht te worden voorkomen, omdat het een gevaarlijke opmaat is voor een wereld waarin uitbarstingen van etnisch geweld even gewoon worden als koersschommelingen.

Gepaste actie

Het falen van met name de Europese bestuurlijke elite om tijdig en adequaat in te grijpen (met de genocide in Srebrenica als dieptepunt) is hopelijk geen omen van wat ons op dit continent nog te wachten staat. Zeker nu de EU op het punt staat de poorten open te stellen voor landen uit Midden- en Oost-Europa is het van groot belang, om met Konrád te spreken, het Europese erfgoed van 'cultural pluralism' ('a sensitive attraction to diversity, kept coherent by European humanism') veilig te stellen. Dat betekent de erkenning van culturele diversiteit als een grondrecht met als voornaamste plechtanker een consequent anti-discriminatiebeleid. Op zich is het een stap vooruit dat in het onlangs tot stand gekomen Verdrag van Amsterdam een anti-discriminatiebepaling (art. 6A) is opgenomen dat de Europese Raad de bevoegdheid geeft om 'gepaste actie' te ondernemen tegen discriminatie op grond van geslacht, raciale, etnische of sociale oorsprong, godsdienstige overtuiging, leeftijd of seksuele gerichtheid. Maar het is ergerniswekkend dat ondanks dringende, unanieme, adviezen o.a. van de Europese adviescommissie inzake racisme en xenofobie (waarvan ik deel uitmaak) deze bepaling geen rechtstreekse werking heeft gekregen, zodat burgers zich hierop voor de rechter niet kunnen beroepen. Ook moet de Raad tot een 'gepaste actie' met eenparigheid van stemmen besluiten, hetgeen een doortastend optreden van de Raad in de weg zal staan.

Wil het Westen de universaliteit van de fundamentele mensenrechten met geloofwaardigheid uitdragen - en persoonlijk vind ik dat dit ook in Nederland gedragen beleid, verankerd en een en andermaal herbevestigd in een reeks van Internationale Verdragen 'indeed beyond question' is - dan zal men toch in eigen huis een voorbeeldig beleid moeten voeren.

Als er al zoiets is als universeel geldende, minima moralia (fundamentele mensenrechten, gebaseerd op de waardigheid van ieder mens, gelijke rechten voor alle burgers, erkenning van culturele diversiteit enz.) dan zullen de landen die daarvoor ijveren hun eigen zaken, qua wetgeving en praktisch beleid, goed op orde moeten hebben. Nationaal en internationaal moet de bestuurlijke elite recht van spreken hebben.

Dat geldt zeker ook voor Nederland, waar het draagvlak voor de multiculturele samenleving langzaam afbrokkelt en de eeuwige vlam van de tolerantie (een van de weinig benadrukte ingrediënten van ons fameuze poldermodel) als warmtekrachtbron aan sterkte inboet.

Moed

Onze bestuurlijke elite moet de moed verzamelen om, zonodig dwars tegen de stroom in, het ethisch profiel van een op actieve tolerantie gebaseerde, multiculturele samenleving hoog te houden.

Men heeft daarbij de keuze uit grosso modo een viertal scenario's die in grote lijnen, in een oplopende reeks, corresponderen met de tolerantieschaal van Walzer.

Scenario 1 is het segregratie-scenario. Segregatie is in Nederland nog niet in volle hevigheid aan de orde. Uit diverse onderzoeken is gebleken dat echte 'zwarte getto's' hier nog niet bestaan. Spangen, een van de meest gedepriveerde buurten in Nederland, is nog niet te vergelijken met Chicago Southside. Maar geheel ondenkbaar is deze ontwikkeling niet. In de gemeente Den Haag vreest het gemeentebestuur het ontstaan van een aaneengesloten achterstandsgebied ter grootte van eenderde van de stad. Het is zaak dat Nederland op zijn tellen past. Er tekenen zich ook in ons land ontwikkelingen af (zwarte en witte scholen, de duale arbeidsmarkt, groeiende concentraties van kansarme migranten in achterstandswijken) die zonder richtinggevende beleidsinterventies (magneetscholen, gemengd bouwen, interculturele communicatie enz.) tot een neerwaartse spiraal kunnen leiden. In een recente notitie De uitdaging van de multiculturele samenleving spreekt het kabinet zijn zorgen uit over 'zodanige uitsluitings- en marginaliseringsprocessen dat voor een blijvende tweedeling langs etnische lijnen moet worden gevreesd.' Dat is iets wat niemand wil.

Vandaar scenario 2: Het huidige minderhedenbeleid, gericht op integratie en inburgering. Uitgaande van een plurale samenleving, waarin alle burgers als individu gelijke rechten en plichten hebben. Dit neo-liberale scenario abstraheert van de sociaal-culturele component. Het begrip identiteit begint en eindigt bij het individu dat zelf uitmaakt wat het is. Een 'heersende' norm is onbestaanbaar, omdat de identiteit niet door anderen wordt opgelegd.

Zo'n plurale samenleving behoeft ook geen 'gemeenschappelijkheid' aldus Van Gunsteren, de auteur van het WRR-rapport Eigentijds burgerschap (1992) in een toelichting. Dat is niet nodig volgens hem, als we elkaar in het dagelijks leven maar niet voor de voeten lopen.

Maar is dat nu juist niet de essentie van een samenleving, welke dan ook? En zullen we elkaar niet in toenemende mate voor de voeten lopen als situaties van maatschappelijke ongelijkheid en sociale uitsluiting hand over hand toenemen?

Een plurale samenleving, waarin iedereen op zichzelf is aangewezen en waarin geen gemeenschappelijke waarden en normen gelden, is een waarde(n)loze samenleving.

Betekent dit dat we dan maar moeten teruggrijpen op het oude vertrouwde emancipatorische scenario (3) waarin de sociaal-culturele component als de maat van alle dingen wordt beschouwd? Integratie met behoud van identiteit als een onwrikbaar gegeven? Emancipatie in eigen kring eerst en vandaaruit de grote sprong voorwaarts?

Toegegeven: zo'n verzuilingsmodel is ons op het lijf geschreven. De aloude Nederlandse koopmansgeest, het welbegrepen eigenbelang, staat borg voor een modus vivendi tussen de verschillende bevolkingsgroepen. Maar we hebben elkaar weinig te zeggen. De multiculturele samenleving verwordt tot een optelsom van subculturen waarin wij vreemden voor elkaar blijven. Tolerantie en gelijke behandeling worden met de mond beleden, maar in de werkelijkheid van alledag zal de culturele component - zo dogmatisch en immobiel (en soms ook in een extreme vorm) gehanteerd - een belemmering blijven voor maatschappelijke en economische integratie.

Dit scenario schiet tekort, omdat het niet creatief is, stigmatiserend, en vroeg of laat in een segregratiemodel kan omslaan.

Mijn voorkeur gaat uit naar een vierde scenario, het interculturele scenario. Dat baseert zich op een samenleving waarin het recht van iedere burger vooropstaat om op eigen wijze invulling te geven aan de eigen identiteit, al dan niet in groepsverband. In dit samenlevingsmodel staat de pluraliteit voorop, niet als een soort natuurgegeven, maar als een heersende norm die door iedereen als een vanzelfspekendheid wordt aanvaard.

Eigenwaarde

Het is een samenleving waarin verschillende culturen interactief met elkaar omgaan. Waarin, ongeacht de school waarop je zit, intercultureel onderwijs wordt gegeven en opgeleid wordt tot actieve tolerantie. Waarin sociaal gemengde wijken worden ontworpen. Waarin de overheid (de politie voorop) een voorbeeld geeft door een afspiegeling te zijn van de samenleving. Een samenleving waarin we multicultureel zijn zonder er een punt van te maken. Waarin we afleren elkaar te beoordelen op uiterlijkheden.

Een samenleving waarin we van elkaar leren en gemeenschappelijk een aantal eigentijdse non-moralistische (niet op het privé-domein gerichte) waarden en normen ontwikkelen, zoals gelijke behandeling, respect en zelfrespect, menselijke waardigheid, mensenrechten, mondigheid voor iedereen, respect voor het publieke domein en voor de buurman, burgerzin, gevoel voor ethische keuzes, tolerantie en de grenzen daarvan die weer bepaald worden door de rechten van de (individuele) mens enz. Een manier van samenleven, pluraal, maar met een aantal gemeenschappelijk ontwikkelde bouwstenen, waar we ook een beetje trots op kunnen zijn. Want trots zijn op en je thuisvoelen in een samenleving is mede bepalend voor het gevoel van eigenwaarde en dat is bepalend voor je houding ten opzichte van de samenleving en, belangrijker nog, je medeburgers.

Kortom: trots op ons 'kostelijkste cultuurbezit' waar Cleveringa aan refereerde.

De vraag of dit (interculturele) scenario voldoende draagvlak heeft is in hoge mate afhankelijk van de wijze waarop de bestuurlijke elite met de beginselen die eraan ten grondslag liggen omgaat. Hoe is het gesteld met het richtinggevend vermogen van de politiek? Is er voldoende bereidheid om - desnoods tegen de electorale stroom in - de waarden en normen, beginselen en strategische keuzes achter het te voeren beleid zichtbaar te maken? Is er voldoende 'Zivilcourage' om voor ons kostelijkste cultuurbezit te staan als puntje bij paaltje komt?

De verleidingen dat niet te doen, zijn legio. Al eerder spraken wij over de toenemende afstand tussen de politieke en de publieksagenda. In zo'n situatie beschikken politieke partijen over een breed arsenaal aan verhullingstaktieken.

De vermijding van het publieke debat, zeker in verkiezingstijd, is er een van. Het wegdefiniëren van de problemen (zoals met de sociaal-culturele component dreigt te gebeuren) is een andere. Het op al dan niet populistische wijze aansnijden van 'capita selecta' zonder deze in een breder, genuanceerd verband te plaatsen, is een derde methode. Het, stapje voor stapje, aanscherpen van het vreemdelingenbeleid (inclusief de aantasting van het individuele asielrecht), om extreem-rechts de ergste wind uit de zeilen te nemen, is al geen uitzondering meer in Europa. En in sommige Europese landen, waar extreem-rechts meer voet aan de grond heeft dan bij ons, wordt zelfs openlijk gediscussieerd over enigerlei vorm van samenwerking.

Het zou niet de eerste keer in de Europese geschiedenis zijn dat door een gebrek aan standvastigheid van traditioneel-democratische partijen extreem-rechts 'salonfühig' wordt gemaakt.

Zo'n ontwikkeling waarbij de dragende beginselen voor een goed functionerende, geïntegreerde multiculturele samenleving, namelijk: tolerantie en diversiteit, aan de vuilnisman worden meegegeven, moet tot iedere prijs worden voorkomen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden