ONS DOEL ZAL NIET ALLEEN SIMPEL ZIJN, MAAR OOK BESCHEIDEN

In de herfst verscheen zijn onderzoek naar de bevolking van het Noordhollandse Graft, 'Een dorp in de polder', in december hield hij de Huizinga-lezing, vandaag houdt hij een herdenkingsrede in Zwolle: de historicus A. Th. van Deursen. “Mij bevredigde het niet te horen dat er een Floris V was. Dan dacht ik: die andere vier, waar komen die vandaan? Het verleden moet zich vullen. Het mogen geen losse episoden zijn.”

“Dit is een boek met eenvoudige doelstellingen. Het wil vertellen hoe tijdens de oorlog tegen Spanje gewone mensen in Holland hebben geleefd. Met die zin is alles gezegd.

Hij spreekt ten eerste van vertellen, niet van analyseren of doorgronden.

Ons doel zal niet alleen simpel zijn, maar ook bescheiden. Beschrijving dient altijd aan verklaring vooraf te gaan, en zolang in de beschrijving nog veel onzeker is, of zelfs totaal onbekend, komt poging tot verklaring te vroeg.''

Het begin getuigt van een eenvoud die nauwelijks past in een tijd waarin de historicus de bronnen ondergeschikt maakt aan zijn persoonlijke verhaal.

Maar Arie van Deursen, hoogleraar Nieuwe geschiedenis aan de Vrije Universiteit te Amsterdam, is geen Simon Schama. Iedere hoogdravendheid is hem vreemd.

Hij spreekt zoals hij schrijft: sober en helder. Van hem geen droombeelden van vroeger aan het Damsterdiep in Groningen, de stad waar hij in 1931 als zoon van een gereformeerde aardrijkskundeleraar geboren werd. Van hem geen betoog over de historische sensatie die hem lyrisch maakt of in de war brengt. Zijn preoccupatie met het verleden betreft de mensen uit het verleden zelf. 'Die wil je zo dicht mogelijk benaderen'.

“Ja, 't is mogelijk... Huizinga had ook van die dingen - dat-ie mensen lijfelijk voor zich zag. Zo'n hoog ontwikkeld voorstellingsvermogen bezit ik niet. Wel als ik in een archief aan het werk ben. Dan komen ze voor de geest, vraag ik me af of ik ze zou begrijpen als ik ze nu zou tegenkomen. Huizinga was in hoge mate visueel ingesteld en dan is het gemakkelijker om je je, lopend langs het Damsterdiep, de Groninger regent voor te stellen. Dat is mij niet gegeven. Daar moet je schildersogen voor hebben, denk ik.”

Opgegroeid tussen de boeken ('mijn vader las veel, veel over het bijbelse Palestina, waar hij ook nog een atlas van heeft verzorgd, maar ook veel over geschiedenis. Fruin, Bakhuizen van den Brink, dat stond allemaal in de kast') ging hij na de oorlog in '49 naar de universiteit van zijn geboortestad. De keuze voor het vak geschiedenis werd bepaald door de behoefte een samenhangend geheel in het verleden te ontdekken.

“Mij bevredigde het niet te horen dat er een Floris V was. Dan dacht ik: die andere vier, waar komen die vandaan? Het verleden moet zich vullen. Het mogen geen losse episodes zijn.”

Hoewel de 17e en 18e eeuw tijdens de studie veel aandacht kregen, ontwikkelde Van Deursen zijn specifieke belangstelling voor de Gouden Eeuw pas later, toen hij in 1958 een betrekking kreeg op het Bureau voor Vaderlandse geschiedenis in Den Haag, het huidige Instituut voor Nederlandse geschiedenis.

“Ik had daar als taak de resoluties van de Staten Generaal uit te geven. Vanaf 1610. Je liep het jaar van dag tot dag door. Daarna ging je verder bij 1611. Op die manier bouw je een behoorlijke kennis op van 17e eeuwse zaken. Dan ligt het voor de hand te zeggen: hier weet ik wat van, dus daar moet ik me ook mee bezighouden.”

Nadat hij in 1962 zijn proefschrift over de vervolging van de Franse Hugenoten na de herroeping van het Edict van Nantes (1685) voltooide, publiceerde Van Deursen achtereenvolgens 'Bavianen en slijkgeuzen'(1974), een boek over de godsdiensttwisten ten tijde van Maurits en Johan van Oldenbarnevelt (1974); 'Mensen van klein vermogen', een bundeling van vier eerder onder de titel 'Het kopergeld in de Gouden Eeuw' verschenen delen over het dagelijks leven van de zeventiende eeuw (1992), en recent het zeer geprezen onderzoek naar de bevolking van het Noordhollandse Graft, 'Een dorp in de polder' (1994).

Anders dan Huizinga of Schama koos Van Deursen tot nu toe in zijn benadering van de Gouden Eeuw voor het 'ophalen' van de bronnen zelf. Niet voor niets, legt hij uit, volgde na zijn boek over het kopergeld in de Gouden Eeuw een detailstudie over Graft in plaats van een synthetisch werk als Huizinga's 'Beschaving van de zeventiende eeuw' of Schama's 'Embarrassment of Riches'. Hij sluit zo'n overzichtswerk in de toekomst niet uit, al was het maar als afsluiting van het cultuur-historische onderzoeksproject dat hij samen met zijn Leidse collega Simon Groenveld leidt.

Veel moderne historici stellen zichzelf op de voorgrond: hier sta ik met mijn verhaal over vroeger... Het lijkt u vreemd.

“Misschien is het een kwestie van zelfkennis. Je moet afstand van je eigen vooroordelen kunnen nemen. Het is niet verkeerd je ervan bewust te zijn dat je in je eigen werk aanwezig bent. Dat kan helpen de lezer niet te misleiden. Ik probeer te luisteren naar wat die mensen uit de 17e eeuw mij willen vertellen. Ik zie de vragen op me af komen uit de stukken zelf. Misschien zegt een ander: je houdt jezelf voor de gek, want dat je juist die vraag stelt, komt doordat je leeft in 1995. De afhankelijkheid van de eigen tijd speelt altijd een rol. Maar ik zou niet proberen een vraag die uit de 20e eeuw is opgekomen, aan het verleden voor te leggen.”

“In 1967 kreeg ik een Canadese historicus op bezoek. Hij vertelde dat hij met zijn studenten de Magna Charta las, de oorkonde die de grondslag van de Engelse staatsinrichting bevat, met in het achterhoofd de vraag of dat ding nu achteraf gezien een stimulans of een belemmering is geweest in de ontwikkeling van de Engelse democratie. Daar kun je de tijd niet mee te lijf gaan, dacht ik. Die arme middeleeuwers! Ze zouden niet weten waar je het over hebt.”

Voelt u zich in dit opzicht verwant met Leopold von Ranke, die vond dat de historicus moet onderzoeken 'hoe het vroeger is geweest'?

Lachend: “Als het waar is wat filosofen ons zeggen: de feiten bestaan helemaal niet meer, ze bestaan alleen in jouw perceptie, kun je beter een ander vak kiezen. Dan sta je buiten de werkelijkheid. Als het verleden niet reconstrueerbaar zou zijn, is de geschiedbeoefening een zinloze bezigheid.”

“Geyl zei ooit: 'geschiedenis is een discussie zonder eind'. Dat is toch een vooruitzicht waar je niemand enthousiast mee kunt maken?”

“Slordig is men altijd geweest. Veel mensen gebruiken geschiedenis als de plaats waar je je wapentuig kunt afhalen. Dat was in de Republiek ook al het geval. Beide regentenpartijen ontleenden hun argumenten aan het verleden. En in de vroeg-moderne mens zit het ook: terug naar het verleden is altijd goed. Dus moet je bewijzen dat hetgeen jij wilt altijd zo geweest is.”

“Je vindt altijd argumenten. En hoe beter de historicus, hoe eenvoudiger het is. Maar in onze tijd is er een ernstiger probleem: de kennis van de geschiedenis is heel klein omdat men op school buitengewoon weinig meekrijgt, waardoor losse beweringen moeilijk toetsbaar en weerlegbaar zijn. Ze kunnen makkelijk bijdragen tot volkomen verkeerde voorstelingen van het verleden. Voorstellingen die alleen maar uit stereotypen bestaan omdat de publieke opinie geen middelen heeft ze te corrigeren.”

De opmerking brengt het gesprek op de kritiek die collega Maarten Brands, hoogleraar nieuwste geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam, onlangs uitte naar aanleiding van de door Van Deursen gehouden Huizingalezing. Brands viel Van Deursen aan, omdat de laatste in zijn ijver de westerse cultuurcrisis direct met het loslaten van de christelijke ethiek in verband te brengen nota bene Huizinga tot zijn belangrijkste getuige riep. Vooral de vergelijking die Van Deursen maakte tussen Huizinga en Isaüc da Costa, was de druppel die voor Brands de emmer deed overlopen. Hier werd de liberale Huizinga voor het karretje gespannen van een klein groepje gereformeerde 'fundamentalisten' dat traditioneel gezien altijd gepretendeerd heeft 'de absolute waarheid in pacht te hebben'. Nee, eindigde Brands zijn kritiek, Huizinga zou er van gegruwd hebben.

Maar Van Deursen, die even scherp reageerde, begrijpt de kritiek niet. “Als ik zie wat hij voor bezwaren oppert, denk ik: dat kan hij niet bij mij hebben weggehaald. Alsof ik er voor zou pleiten aan christenen privileges te geven die men belijders van andere godsdiensten onthoudt. Dat is in geen enkel geschrift van mij te vinden. Wat ik ten hoogste bepleit is dat christenen dezelfde rechten moeten hebben. Brands gaat af op een vooroordeel: 'Zo moet die man wel denken, want hij is gereformeerd.'

“Brands is bang dat Huizinga terechtkomt in een gezelschap van mensen die ouderwetse, conservatieve opvattingen hebben over de samenleving en de plaats van het christendom. In een gezelschap dat eerder cultuurvijandig is dan stimulerend. Het zijn bekende en herkenbare motieven, ook terug te vinden bij de 19e eeuwse papenhaat, die je toen veel in vrijzinnig protestantse kring aantrof: als die roomsen straks de baas zijn, dan verbieden ze elk ander geloof! De angst voor dit soort geloofsdwang is een sentimentele die niet op de realiteit berust.”

Fel: “Dat schematische denken! Om te zeggen: alle gereformeerden zijn vervolgziek. Net zoals alle rooms-katholieken in hun hart jezuïeten zijn en iedere ketter nog altijd 't liefst op de brandstapel willen hebben. Zulke stereotypen zijn buitengewoon gevaarlijk. De geschiedenis zou ze moeten corrigeren, niet aanwakkeren.”

Waar het Van Deursen met zijn Huizingalezing om ging, is het inzicht dat de crisis die de westerse samenleving in haar ban houdt, ernstiger is dan de elite denkt.

“Mijn geestverwanten hoefde ik niet meer van de ernst van de crisis te overtuigen, zij delen de zorg over het verval van de christelijke normen en waarden, zoals je dat terugziet in de wijze waarop er in Nederland wordt gedacht over abortus.”

Kunt u dat preciseren?

“In enkele decennia is men over abortus totaal anders gaan denken: zag men het plegen van een abortus vroeger als een misdrijf, als het beëindigen van een mensenleven, tegenwoordig is het een operatie, een verwijdering van een ongewenst voorwerp, waarover een vrouw zelfstandig een beslissing neemt. Het is een voorbeeld waarin de publieke opinie afstand heeft genomen van de vroegere christelijke moraal.”

“Net als Da Costa was Huizinga van mening dat de cultuur alleen van de ondergang gered kan worden als de oude normen in ere worden hersteld. Een verschil tussen beiden was dat Da Costa alle problemen toeschreef aan de opkomst van het verlichte denken. Dat deed Huizinga niet. Hij zei: om zichzelf te redden heeft de Verlichting de hulp van het christendom nodig.”

Waarom?

“Omdat de mensen de maatstaf van goed en kwaad anders binnen zichzelf gaan leggen. Als je zegt: alles wat we met z'n allen prettig vinden, gaan wij doen, dan vind je in de ratio zelf geen bescherming meer. Het is een vraag naar het karakter van de democratie. Democratie kan alleen goed functioneren als ze een hoger beginsel aanvaardt dan zij zelf kan voortbrengen. Wanneer een democratie uitsluitend met meerderheid van stemmen werkt en zich verder niet meer gebonden acht aan een hogere ethiek, zal dat desastreuze gevolgen hebben.”

“Wie beschermt dan nog het werkelijk afwijkende individu? En hoe weet je of racisme fout is? Dat is niet iets wat onze eigen cultuur ons ingeeft. Het is nergens door beschermd, alleen door het toevallig bewustzijn dat deze generatie heeft. Maar zo'n ethiek is voor verandering vatbaar, dus weet je nooit hoe lang je voor excessen als het nationaal-socialisme of het stalinisme gevrijwaard bent.”

“Wat mij sterk bezighoudt is de vraag: waarom gaan mensen in het verzet? Ik bereid op dit moment een korte rede voor ter gelegenheid van een herdenkingsbijeenkomst van de LO/LKP - Landelijke Organisatie voor hulp aan Onderduikers/Landelijke Knokploegen - dit weekend in Zwolle. Nu zien wij de strijd tegen het nationaal-socialisme vooral als een strijd tegen racisme. Als je jonge mensen vraagt naar de betekenis van de vervolging van de joden, dan is het antwoord dat we het gevaar van het racisme moeten onderkennen. Maar vlak na de oorlog speelde dat in het denken van mensen die deel hadden genomen aan het verzet nauwelijks een rol. Ik heb hier het gedenkboek van de LO/LKP liggen. Het Grote Gebod heet dat en voorin staat een voorwoord van een van de oprichters van de LO/LKP dominee Slomp - wiens schuilnaam Frits de Zwerver was. Opvallend is dat het woord racisme of jood niet genoemd wordt. Waar Slomp het voortdurend over heeft, is het begrip 'geestelijke vrijheid'. Tegen racisme of vóór geestelijke vrijheid, dat is een groot verschil.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden