Ons aller openbaar gewetensonderzoek over euthanasie moet nooit ophouden

De auteur is hoogleraar staatsrecht aan de VU en lid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal (PvdA)

ERIK JURGENS

Deze definitie is verhelderend omdat zij duidelijk maakt waarop morele regels zijn gericht (ordening), welke grondslag zij hebben (onze menselijke rede) en waaraan zij hun gelding ontlenen (dat we elkaar er aan houden). Sommige morele regels hebben vanuit de religie bevestiging en sanctie verkregen, de Tien Geboden zijn er het beroemdste voorbeeld van. Die sanctie (dat betekent letterlijk: heiligmaking) is natuurlijk van grote betekenis geweest voor de acceptatie van deze waarden. Zij heeft er tevens toe bijgedragen dat bepaalde normen verabsoluteerd zijn, ook al zijn de omstandigheden die aanleiding gaven tot het formuleren van de norm intussen geheel gewijzigd. Zo kan het niet eten van varkensvlees voor een woestijnvolk uit oogpunt van volksgezondheid uiterst belangrijk zijn, dit nalaten in een tijdperk van vleeskeuring en ijskast vervult geen ethische functie meer. Belangrijker nog: anti-conceptie is moreel verwerpelijk in een tijd dat voor de stam kinderrijkdom essentieel is om te kunnen overleven (Onan werd er zwaar voor gestraft, Gen. 38 vers 9), maar is dat niet meer in een tijd van dreigende overbevolking. Ik betreur, als katholiek, dat deze wijsheid nog niet tot het Vaticaan is doorgedrongen.

Eenzelfde spanning zien wij ook tussen ethiek en recht. Het recht sanctioneert een aantal normen en waarden, maar laat het merendeel daarvan over aan de moraal. Zo zijn het gebod om vader en moeder te eren en dat om niet de vrouw eens anders te begeren in onze dagen nog slechts marginaal in rechtsbepalingen terug te vinden. En waar het recht wel strenge sancties stelt, zoals wanneer het gaat om de hoge waarde van de onaantastbaarheid van het menselijk leven, laat het in onze dagen bewust ruimte voor gewetensvolle persoonlijke beslissingen, zoals bij abortus, zelfdoding en euthanasie (en altijd al bij oorlog en zelfverdediging).

Wat euthanasie betreft hebben we sinds enige jaren een wettelijke regeling die ruimte biedt, onder strenge voorwaarden, voor euthanatisch handelen door de arts op uitdrukkelijk verzoek van een ernstig lijdende patiënt. Die regeling is het resultaat van twintig jaar maatschappelijke discussie en gewetensonderzoek, en van pogingen om het strenge strafrechtelijke verbod te mitigeren. De cause célèbre die de zaak eerst goed op gang hielp was, in 1973, die van de zaak-Postma (een arts die haar hoogbejaarde, terminaal zieke en ernstig lijdende moeder op haar verzoek aan een zachte dood hielp).

In die jaren stonden in het publieke debat tegenover elkaar zij die - veelal om religieus-ethische motieven - vonden dat euthanasie in elke omstandigheid moreel verwerpelijk was, en zij die vonden dat - wat hier ook van zij - het recht een minder streng standpunt moest innemen. Onder de laatsten was er nog verschil van mening tussen degenen die vonden dat je de oplossing moest zoeken door de arts in omstandigheden vrij te pleiten op grond van medische overmacht, en zij die in het Wetboek van strafrecht (art. 293/4) het strafbare feit zelf zo wilden omschrijven dat het onder bepaalde strenge voorwaarden niet strafbaar is.

De keuze onder het CDA/PvdA-kabinet Lubbers viel op de overmachtsconstructie, met andere regelingen in de Wet op de lijkbezorging. Het huidige kabinet heeft in het regeerakkoord afgesproken dat zo te laten, in ieder geval zolang de praktijk van de nieuwe wet nog niet over een langere periode geëvalueerd is. Tot die evaluatie behoort ook een aantal proefprocessen waartoe de minister van justitie het OM opdracht heeft gegeven, omdat afgesproken is ook het vervolgingsbeleid onderdeel te laten uitmaken van de evaluatie.

Strijdbaar

De Nederlandse Vereniging voor vrijwillige euthanasie (NVVE) blijft inmiddels strijdbaar in haar pleidooi voor de tweede oplossing. Daartoe presenteerde zij (Trouw, 10 februari) een nieuw Voorontwerp tot wijziging van het Wetboek van strafrecht.

Het bevat een helder betoog en afgewogen formuleringen, waarbij in de wet zelf de voorwaarden worden omschreven waaronder de euthanasie en hulp bij zelfdoding niet strafbaar zijn. Het vraagstuk van levensbeëindiging van wilsonbekwamen is daarbij niet aan de orde, omdat de NVVE uitdrukkelijk uitgaat van vrijwilligheid. De voorwaarden lijken op de bestaande eisen, zij het dat de criteria ten dele ruimer worden geformuleerd. Zo op het punt van de uitzichtloosheid van het lijden, van de aard van de verplichte consultatie, van de vraag wie het levensbeëindigend middel mag toedienen, en van 'de pil van Drion'.

Het voorontwerp keert vooral ook de bewijslast om: de arts is niet strafbaar, tenzij het OM kan aantonen dat hij zich niet aan de eisen heeft gehouden. Onder de huidige regeling is de arts daarentegen strafbaar tenzij hij kan aantonen dat hij in een overmachtssituatie verkeerde.

Sommige strafrechtsdeskundigen hebben zich eerder verzet tegen deze opzet, omdat daarmee in de wet zou komen te staan dat een handeling strafbaar is, behalve in een aantal concrete uitzonderingssituaties. Dat strijdt met het systeem van ons strafrecht. Dat kent algemene rechtvaardigingsgronden, geen specieke ten aanzien van bepaalde delicten. Zo is het stelen van een brood bij een bakkerij strafbaar, maar de rechter kan rekening houden met het feit dat de dader anders van honger zou zijn omgekomen; zo pleegt een arts geen mishandeling als hij iemand om medische redenen een been moet afzetten; zo kan een slachtoffer van onmiddellijke doodsbedreiging worden vrijgepleit als hij uit noodweer zijn belager doodt. Het is dan de rechter die beoordeelt of er sprake is van een rechtvaardigingsgrond aan de hand van algemene regels die daarvoor gelden. In het voorstel worden die rechtvaardigingen specifiek in de wet gezet, zodat - als die voorwaarden zijn vervuld - de handeling niet meer strafbaar is. In de wandeling is dit ten onrechte 'uit het strafrecht halen' gaan heten. Ten onrechte, want het strafrecht blijft de kwestie wel degelijk regelen.

De NVVE wil met haar voorstel bereiken dat, als de evaluatie van de huidige regeling is afgerond (naar men aanneemt tegen het einde van dit jaar) er meteen een concreet wetsvoorstel klaarligt, zodat het mogelijk wordt om nog in deze kabinetsperiode tot nieuwe wetgeving over te gaan. Als bijdrage tot het verdergaande debat is het voorstel alleszins waardevol.

Of het verstandig is zoveel druk op de ketel te houden is wel de vraag. Ons aller openbaar gewetensonderzoek over de toelaatbaarheid van euthanasie en over de grenzen daarvan moet vooral nooit ophouden. Ook een wettelijke regeling, zelfs de best mogelijke, mag niet betekenen dat we de morele aspecten van deze kwestie en de problemen bij de toepassing van de wet niet meer bespreken.

Het is best mogelijk dat we uiteindelijk kiezen voor een oplossing zoals de NVVE voorstelt op het punt van het omkeren van de bewijslast. Maar voor het vinden van een evenwicht bij het beantwoorden van morele vragen van deze orde - zoals over de criteria zelf - is vaak een wat langere draagtijd nodig. Dan kunnen wij onszelf en anderen ook in redelijkheid daaraan gehouden achten.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden