Ongrijpbare schilder van destructieve vrouwen

(Trouw) Beeld
(Trouw)

Het Groninger Museum eert de Engelse schilder Waterhouse, die zich tussen zijn beroemde tijdgenoten altijd wat op de achtergrond hield.

Kin omhoog, priemende holle ogen op het slachtoffer gericht: de lichaamstaal van de vrouwen van John William Waterhouse (1849 -1917) is eerder agressief dan verleidelijk. Realistisch zijn ze ook; ondanks de sprookjesachtige omgeving maakt de schilder vrouwen van vlees en bloed. De blosjes op hun wangen verraden de opwinding die ze voelen wanneer ze zichzelf of een argeloze man richting dood of ondergang brengen.

Wat is de betekenis van de vrouwen op deze schilderijen? Van de intentie van de kunstenaar is vrijwel niets bekend. Waterhouse gaf les aan de Royal Academy, maar verkeerde nooit op de voorgrond. Hij trouwde voor de katholieke kerk, maar zijn werk verraadt invloeden van het occultisme. Zijn schilderijen verkochten goed, maar het is onduidelijk waar hij zijn kapitaal heeft gelaten.

Juist bij het werk van Waterhouse is het als toeschouwer bijna vervelend om alleen maar terug te kunnen vallen op de schilderijen en de commentaren van tijdgenoten. Iemand die zulke geëmotioneerde, dwingende vrouwen schildert, zou je graag een woest en sensueel geestesleven toedichten. Maar de enige manier waarop hij dat uitte – mocht hij dat ook werkelijk hebben gehad – was in zijn schilderijen.

Zelfs in Londen, waar Waterhouse na een jeugd in Rome en Leeds zijn hele leven zou wonen, liet hij maar weinig sporen na. Tussen 1878 en 1900 had hij zijn atelier in de Primrose Hill studio’s, nog steeds een kunstenaarskolonie. Waterhouse’ naam staat op de lange lijst met kunstenaars die ooit werkten in de kleine huisjes met de grote dakramen op het noorden – voor het ideale schilderslicht. Hij betrok pas in 1900 een huis waarin hij ook kon werken: een relatief bescheiden onderkomen voor een docent aan de Royal Academy met zijn status.

Na de dood van de kunstenaar in 1917 was er maar weinig belangstelling voor zijn werk. Met de aankoop van ’Saint Cecilia’, voor 6,6 miljoen pond door de Andrew Lloyd Webber Foundation in 2000, kwam hier verandering in. Sir Tim Rice, die samen met Lloyd Webber ooit ’Jesus Christ Superstar’ schreef, was al langer een verzamelaar. Deze theaterman opent vanavond de tentoonstelling ’John William Waterhouse, betoverd door vrouwen’ in het Groninger Museum. Na de tentoonstelling ’Fatale vrouwen’ van twee jaar geleden op dezelfde plaats, is deze tentoonstelling een logisch vervolg. Maar niet alleen qua onderwerp speelt het museum in op een trend. Na tentoonstellingen over de prerafaëlieten Dante Gabriel Rossetti en John Everett Millais, afgelopen jaren in het Van Gogh Museum, is de weg nu vrijgemaakt voor Waterhouse, de minder bekende, en lange tijd ook minder geliefde navolger van die prerafaëlieten.

Het werk van Waterhouse is dan ook wat lastiger te plaatsen. Deels past hij in de Victoriaanse traditie van Royal Academy-schilders zoals Leighton, Watts en Alma-Tadema, wellicht nog de bekendste naam. Kunstenaars die zich vanaf 1860 lieten inspireren door de klassieken, die hun ateliers vulden met kopieën van het Parthenon-fries of met foto’s van Egyptische piramides en de opgravingen van Pompeï, en die in hun schilderijen klassiek uitgebalanceerde composities lieten zien.

Maar deels was Waterhouse ook een prerafaëliet. Wanneer Waterhouse toetreedt tot de academie, in 1885, bestaat de Pre Raphaelite Brotherhood al niet meer: die rebelse beweging tegen de starre fantasieloze academiestijl van de jaren vijftig, met traditionele Engelse poëzie als belangrijkste inspiratiebron. Waterhouse kiest voor het thema dat in beide stromingen zeer populair is: de fascinatie voor de femme fatale, de destructieve maar toch verleidelijke vrouw. Al ligt bij Waterhouse de nadruk op dat eerste.

Waterhouse gebruikt klassieke thema’s, bijvoorbeeld de Metamorfoses van Ovidius, maar ook Engelse poëzie, zoals Ophelia uit ’Hamlet’, of de Lady of Shalott uit het gedicht van Tennyson. Steeds kiest Waterhouse het moment tussen slapen en waken, leven en dood of wanneer er een magisch ritueel gaande is. Meer dan zestig keer lijkt één vrouw model te hebben gestaan voor de vrouwen in Waterhouse’ schilderijen. Wie ze was blijft onzeker: een naam, genoteerd door Waterhouse bij een van de schetsen in 1905, geeft geen garantie dat het de naam van het model is. Wie schrijft immers na meer dan vijftien jaar opeens de naam van iemand die hij al zo lang schildert?

’The lady of Shalott’ van Waterhouse uit 1888 was een van de eerste aankopen van suikermagnaat Sir Henry Tate voor zijn nieuwe museum. Het schilderij was meteen populair, nog steeds is het de best verkochte ansichtkaart van het museum. Het gedicht van Tennyson beschrijft een mysterieuze dame, opgesloten in een toren, die alleen via een spiegel de wereld kan inkijken. Ze vult haar dagen met het weven van een kleed, totdat een voorbijkomende ridder Lancelot haar doet omdraaien. De spiegel barst, de Lady moet haar toren verlaten, en wil met een boot op weg naar het slot van Lancelot. Ze sterft onderweg.

Waterhouse verwerkte het verhaal meerdere keren in een schilderij. In de versie van 1888 verbeeldt hij haar gezeten in de boot, het kleed dat ze maakte over haar schoot, haar lange rossige haren los langs haar bleke gezicht. Van de drie kaarsen die voorop de boot staan gaat ook de laatste bijna uit: haar einde is nabij.

Een tweede versie schildert Waterhouse in 1894. Ditmaal verbeeldt hij het moment dat de Vrouwe opstaat, haar gebroken spiegel achter zich laat, haar rok nog verstrikt in de draden van haar weefgetouw. Ze kijkt met indringende ogen richting het open raam – daar waar ook de toeschouwer staat. De manier van schilderen mag in moderne ogen wellicht te overdadig aandoen, het beeld is nog steeds aangrijpend.

Ver weg van de ateliers van Primrose Hill, in de chique wijk Holland Park, staat het huis van Sir Frederick Leighton (1830 - 1896) er nog bij zoals de eigenaar, president van de Royal Academy, het achterliet – het is tegenwoordig als museum opengesteld. Het huis had in de eerste plaats een publieke functie, een etalage voor de Londense kunstwereld. De tegenstelling met Waterhouse kan haast niet groter zijn. De Salon werd gebruikt voor de diners en soirees, de Arab Hall met fontein en een mozaïek van authentieke Arabische tegeltableaus als rookkamer, een groot atelier voor zowel schilderwerk als samenkomsten. Tussen de vele kunstwerken toont één schilderij een ’private view’ in de Royal Academy in 1881. Het is een voorbezichtiging voor genodigden van de jaarlijkse tentoonstelling van de academie. Aan die muren hangt op ooghoogte een schilderij van Waterhouse naast een portret door de beroemde Millais. Dat betekent dat Waterhouse al aanzienlijk is gestegen op de hiërarchische ladder van de Academy. Maar hoewel Oscar Wilde, Millais en Leighton duidelijk lichamelijk aanwezig zijn in de tentoonstellingszaal, laat Waterhouse zich ook hier niet zien. Zijn kunst mag voor hem spreken, hoe bedreigend of verwarrend dat soms ook is.

Hiernaast: J.W. Waterhouse, ¿The lady of Shalott¿, 1894, olie op doek.Helemaal rechts: J.W. Waterhouse, ¿Saint Cecilia¿, 1895, olie op doek. ( LEEDS MUSEUM AND GALLERIES (CITY ART GALLERY) ) Beeld
Hiernaast: J.W. Waterhouse, ¿The lady of Shalott¿, 1894, olie op doek.Helemaal rechts: J.W. Waterhouse, ¿Saint Cecilia¿, 1895, olie op doek. ( LEEDS MUSEUM AND GALLERIES (CITY ART GALLERY) )
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden