Ongeschikt voor het eeuwige leven

Ook nieuwe dingen hebben we na verloop van tijd al eens eerder beleefd. De medische wetenschap kan het leven rekken, maar onze zin in het leven rekt niet eindeloos mee, denkt Ger Groot.

Ger Groot (1954) doceert cultuurfilosofie en wijsgerige antropologie aan de Erasmus universiteit Rotterdam. Hij is als columnist verbonden aan Trouw.

Voor de medische wetenschap zijn het verwarrende tijden. Aan de ene kant zet zij alles op alles om het leven van individuele mensen zo lang mogelijk te rekken. Ziekten worden bestreden en soms zelfs uitgeroeid. En waar er tegen een aandoening uiteindelijk niets valt te doen, wordt het einde op afstand gehouden en de lichamelijke pijn gestelpt waar en voor zover dat kan.

Tegelijkertijd wordt dat medische kunnen ingeroepen om aan het leven een einde te maken. Ook wie nog redelijk gezond is, zou aanspraak moeten kunnen maken op euthanasie, zo wordt regelmatig bepleit. Het leven kan immers 'voltooid' zijn - en wie wil er nog voortbestaan over de afronding van zijn leven heen, louter en alleen omdat het lichaam nog stug doorgaat en zich veel te lang onverwoestbaar toont?

In beide gevallen wordt van de medicus verwacht, soms zelfs geëist, dat hij ingrijpt. Hetzij om het stervende lichaam te behoeden tegen de dood, hetzij om het gezonde lichaam te vrijwaren van verder leven. Die twee dingen staan haaks op elkaar, maar in beide gevallen wordt het heil verwacht van de dokter die iets dóet - en dat 'iets' is van medische aard. Om het simpel te stellen: in beide gevallen geeft de dokter een spuitje. Hij heeft gedaan wat hij kon.

Kan de patiënt de dokter ook vragen níet te doen wat hij kan? Niet omdat hij ongeneeslijk ziek is en verdere behandeling zinloos geworden is, maar simpelweg omdat hij het behoud van het leven niet langer wenst? Als 'vakman' zal de arts dat verzoek van de patiënt gemakkelijk ervaren als een miskenning, misschien zelfs een belediging van zijn beroep, en als een vorm van ondankbaarheid. De medische wetenschap doet er alles aan om het leven zo lang en aangenaam mogelijk te maken, maar de patiënt zegt beleefd: Nee, dank u.

Die situatie zal zich steeds vaker voordoen naarmate de medische techniek succesvoller is. Binnen drie generaties is de levensverwachting met twee decennia gestegen, bijna 30 procent van het totaal. Wie nu overlijdt vóór zijn tachtigste heet 'vroeg heengegaan'. De jeugdigheid is er in bijna dezelfde mate mee verlengd.

Aan de triomfen die in de strijd tegen de ouderdom een heel nieuwe levensfase in het bestaan hebben geroepen lijkt nog lang geen einde te zijn gekomen. Integendeel, onderzoekers verzekeren ons dat er nog veel meer levensduur te winnen valt. Honderddertig jaar moet binnen niet al te lange tijd te verwezenlijken zijn.

En waarom zou je dan nog over een grens spreken? Stoutmoedig wordt al vooruitgekeken naar een bestaan waarin de dood, naar de woorden van de apostel Paulus, haar angel verloren heeft. Niet omdat ze wordt overstegen in een gelukkige eeuwigheid in het hiernamaals, maar omdat ze moest wijken voor onsterfelijkheid in het hiernumaals.

Hoe gedurfd en speculatief dat ook lijkt, ik wil dat onsterfelijkheidsperspectief hier serieus nemen, als een gedachtenexperiment dat vanuit het eindpunt van de eeuwigheid een ongemakkelijke waarheid aan het licht brengt. Die waarheid is niet medisch van aard, maar ze is voor het medische handelen en denken rond de levensverlenging wel van groot - en even gemakkelijk miskend - belang.

Voor dat gedachtenexperiment begin ik in stijl met een fictioneel voorbeeld. Exact zeventig jaar geleden publiceerde Simone de Beauvoir haar roman 'Tous les hommes sont mortels', het jaar daarop in het Nederlands vertaald als 'Niemand is onsterfelijk'. In dat boek is

een zekere Raymond Fosca dankzij een alchemistisch elixer onsterfelijk geworden. De ouverture is die van een historische roman in een ver verleden, dat gaandeweg het heden nadert.

Wat er in de geschiedenis ook gebeurt, Fosca overleeft het allemaal. Oorlogen, hongersnoden, revoluties, vernieuwing, terugval en vooruitgang rijgen zich aaneen in een gestage pendelbeweging. Fosca is aanvankelijk opgetogen over al het opwindende dat het leven voor hem in petto heeft. Maar gaandeweg komt er slijtage op zijn enthousiasme. Niet alleen omdat hij als enige de tijd overleeft en iedere persoon aan wie hij zich hecht onvermijdelijk in het verleden ziet verzinken. Maar omdat álles wat hem overkomt steeds meer zijn betekenis verliest. Been there, done that, seen so: Fosca wordt toeschouwer van een proces dat hem steeds minder raakt en waarin er voor hem niets op het spel staat. Hij wordt een thuisloze zwerver door de tijd.

We zouden dit boek als fictionele speculatie rustig terzijde kunnen leggen, als het niet de vinger zou leggen op iets zeer herkenbaars. Naarmate het leven vordert worden werkelijke verrassingen, stimulerende nieuwigheden, veelbelovende perspectieven schaarser. Te veel vraagt om aandacht wat we onze aandacht nauwelijks nog waard achten, omdat we het al kennen en het ons gaandeweg in verveling is gaan tegenstaan.

Als recensent, vooral van romans, ken ik dat probleem maar al te goed. Ieder jaar moet ik in december een lijstje maken van de beste boeken van de afgelopen twaalf maanden. En ieder jaar kost het me meer moeite om drie titels bij elkaar te sprokkelen die mij werkelijk geraakt hebben. Niet dat er onder de rest van de oogst geen goede boeken te vinden zijn. Maar zelfs originaliteit krijgt op een bepaald moment een bekend patroon. Al eerder iets gelezen wat daarvan weg heeft, al eerder daardoor verrast en dus nú niet meer, al eerder in de kast gezet en laten verstoffen.

Ergens tussen mijn mismoedigheid en de wanhoop van Fosca in, strekt zich het naar onsterfelijkheid opgerekte leven uit. Vooralsnog wordt het voortgedreven door de biologische drang tot zelfbehoud en de psychologische verrukking over alle mogelijkheden die open komen te liggen in zo'n schier eindeloze blessuretijd. Hoeveel betoverende plekken op aarde zal ik niet alsnog kunnen bezoeken? Hoeveel hobby's tot semi-professionele volkomenheid beoefenen? Eindelijk ruimte hebben voor quality time met mijn kleinkinderen, achterkleinkinderen - aan de geslachtsrij komt voorlopig geen einde?

Maar zoals de Franse filosoof Louis Althusser in de titel van zijn hallucinante autobiografie al moest constateren: 'L'avenir dure longtemps', de toekomst duurt lang, vooral als ze naar de eeuwigheid reikt. De verveling kan korter of langer uitblijven, maar ergens in die toekomst slaat ze toe en begint de verf van het opnieuw-weer-nieuwe bij voorbaat af te bladderen. Bij mijn tiende airbnb-reis naar een exotische bestemming zal ik me bij het kofferpakken misschien op een onderdrukte zucht betrappen. Bij de twintigste ga ik mij afvragen: moet dat nu allemaal? En bij de vijfentwintigste denk ik: laat maar - en stuur een excuusbriefje naar reisbureau en huisverhuurder.

Kennelijk zijn wij niet afgestemd op de eeuwigheid. Zelfs de godsdiensten die haar de deugdzame ziel in het vooruitzicht stelden wisten er niet goed raad mee, zo merkte de Rotterdamse filosoof Awee Prins ooit op. In de beschrijving van de hemelse zaligheid konden ze maar niet overtuigend worden, of ze het nu zochten in de puberdroom van zeventig steeds weer ongeschonden maagden of bij het bioscoopachtige genoegen van de altijddurende aanschouwing van de Allerhoogste zelf. Het menselijk voorstellingsvermogen knapt er vroeg of laat op af en denkt: laat maar.

Natuurlijk valt er aan zulke dreigende neerslachtigheid wel iets te doen. Antidepressiva zullen mijn levenslust misschien nog een tijdje op de been houden, zodat ik toch weer monter mijn koffer pak. Maar wat is de belofte van een lang leven nog waard, als we die waarde zelf alleen nog maar met kunstmatige middelen kunnen opwekken? Waartoe nog blijven leven, wanneer we niet meer de kracht hebben om dat 'waartoe' uit onszelf op te brengen?

Ons bestaan heeft zijn eigen einde altijd al onder de leden en draagt dat overal met zich mee, onafhankelijk van lichamelijke gezondheid of fitheid. Langzaam dooft de levenslust uit en verliest zijn belangstelling voor het een na het ander. Alleen de kleinkinderen: die houden nog het langste in de aandacht stand, zo vertelde verpleeghuisarts Bert Keizer me eens. Of de achterkleinkinderen - en misschien ook hún kinderen, wanneer de levensduur nog verder is voortgeschreden.

Maar zelfs dat enthousiasme slijt op den duur. De namen van al die nazaten beginnen warrig te worden en dat is niet alleen een kwestie van falend geheugen.

De afstand over de generaties heen schept vervreemding en bevreemding, zoals ook de tijd van het heden niet meer het tijdvak van de hoogbejaarde is. Dat laatste heeft hij achter zich gelaten, het ligt ergens ver in het verleden. Daarom zegt hij 'In mijn tijd...' en dan weet je dat die allang ruggelings is weggeschoven naar de vergetelheid. In het heden leeft de langlevende steeds meer als in ballingschap, thuisloos zoals Fosca. Hij herkent er zichzelf niet meer in en voelt zich unheimlich.

Naarmate de wetenschap de dood langer en in betere gezondheid weet uit te stellen, gaat het gemoed er kennelijk sterker naar verlangen. Niet omdat alles is volbracht, maar omdat het maar eens afgelopen moet zijn met een bestaan dat zichzelf heeft uitgeput.

Dat heeft niets te maken met het ondraaglijke lijden waar de euthanasiewetgeving over spreekt, zelfs niet wanneer je dat in psychische zin zou oprekken. Het heeft eerder te maken met een onverschilligheid waaraan uiteindelijk niemand, gezond of kwakkelend, ontkomt.

Dat lijkt inderdaad ondankbaar jegens de medische wetenschap, die er alles aan doet om de dood zo lang mogelijk op te schorten. Dat is haar plicht, en nog altijd is ze voor bijna alle zieken hoop en toeverlaat. Ook nu moet ze misschien soms slikken, wanneer een patiënt een behandeling weigert omdat hij de nadelen daarvan laat prevaleren boven de voordelen. Gaandeweg hebben medici daar, vermoed ik, meer begrip voor gekregen en leren aanvaarden dat alles wat kán niet in iedere omstandigheid móet - al fluistert hun beroepstrots hun misschien nog iets anders in.

Moeilijker nog lijkt me de aanvaarding van de inherente sterfelijkheid en doodswens van wie nu juist dankzij hun kunde een steeds langer en gezonder leven vergund is. Hier ziet de medische wetenschap haar kunnen niet stoten op de eigen grenzen (bijwerkingen, ongemak), maar op grenzen ver buiten haar eigen gebied. Niet gezondheid komt hier in het spel, zelfs niet de geestelijke gezondheid, maar eenvoudigweg de menselijke conditie, die het niet kan stellen zonder haar eigen afronding.

Het medisch vernuft doet wat het kan, maar moet uiteindelijk zwichten voor het 'dank u' waarmee de oudgewordene besluit dat het mooi geweest is.

Diep in zijn hart zal de medicus misschien roepen: 'Wilt u dan niet eeuwig leven?' Maar hij houdt die woorden voor zich - verslagen in een strijd die niet te winnen is.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden