’Ongeluk dreigt voor het land’

Het kabinet-Den Uyl bij de regeringsverklaring op 28 mei 1973. Aan de regeringstafel, van links af: Vredeling, Lubbers, Van Doorn, Van der Stoel, De Gaay Fortman, Duisenberg, Van Agt, Den Uyl, Vorrink, Van Kemenade, Westerterp, Trip, Brouwer, Pronk en Gruijters. De staatssecretarissen zitten achter de tafel. Minister Boersma ontbreekt op de foto. (FOTO NATIONAAL FOTOPERSBUREAU)

De wording van het kabinet-Rutte vertoont grote gelijkenis met de formatie uit 1973. Toen zette de VVD zichzelf buitenspel, nu deed de PvdA al snel niet meer mee. En beide keren hadden de christen-democraten een spilfunctie.

Een week na de Kamerverkiezingen van 1972, waarbij de polariserende PvdA en VVD winst boekten en het christen-democratische midden zwaar verlies leed, noteerde de katholieke staatsman Beel op de achterkant van een restaurant-rekening: ’Links wordt steeds kwaadaardiger. Als de KVP ook maar enigszins zou toegeven en moreel de drie progressieve partijen zou steunen, dan valt zij uit elkaar.’ Beel, in de nadagen van zijn politieke loopbaan maar als vicepresident van de Raad van State nog altijd zeer invloedrijk, besloot zijn aantekeningen aldus: ’Ongeluk dreigt voor het land.’

De geschiedenis herhaalt zich nooit op dezelfde wijze, maar de overeenkomsten tussen de formaties van 2010 en 1973 zijn te frappant om over het hoofd te zien. Zij laten zich lezen als elkaars spiegelbeeld, zowel in de grote lijnen als in fijne details, zoals de krabbels van Beel al duidelijk maken. Diens slotzin leek als een echo na te galmen in de waarschuwing van Ernst Hirsch Ballin op het CDA-congres dat in de Arnhemse Rijnhal moest beslissen over samenwerking met de omstreden PVV. ’Doe dit het land niet aan!’

’Van een macabere schoonheid’, noemde de liberaal Hans Wiegel destijds het spel dat resulteerde in het kabinet-Den Uyl, ’het meest progressieve kabinet ooit’. Hij gebruikte dat beeld onlangs weer voor de lopende formatie, die als resultaat een kabinet-Rutte oplevert dat, afgaande op zijn samenstelling ’het meest rechtse sinds de oorlog’ is. Voor de nog jonge Wiegel was de kabinetsformatie van 1973 zijn eerste als politiek leider van de VVD. Hij had een felle anti-linkse campagne gevoerd onder het motto ’Hou Den Uyl uit het Catshuis’. Het resultaat was een winst van zes zetels en een doorbraak van de VVD naar bredere lagen van de bevolking. Maar Wiegel verloor de formatie. Net zo snel als PvdA-leider Job Cohen nu, liet hij zich buitenspel zetten door andere varianten dan een normaal meerderheidskabinet met de christen-democraten af te wijzen. Zijn fout was dat hij de toestand in de KVP verkeerd inschatte.

Frans Andriessen, de leider van de KVP-fractie, met 27 zetels de grootste van de christen-democratische fracties, stond niet te trappelen om opnieuw met de VVD te regeren. In minder dan tien jaar tijd was de partij, die sinds de oorlog de spilpositie innam in de Nederlandse politiek, gehalveerd. Het gevolg was ontreddering en verdeeldheid. Andriessen wilde daarom hooguit de mogelijkheid van een extraparlementair kabinet met de liberalen openhouden, maar dat vond Wiegel onvoldoende zekerheid bieden. Reden voor de informateur, de christen-democratische staatsraad Marinus Ruppert, een streep te halen door een christelijk-liberale samenwerking en het staatshoofd de benoeming van een PvdA-informateur te adviseren. Wiegel zou in het vervolg geen rol meer spelen, net zoals Cohen in deze formatie definitief aan de kant stond nadat hij een middencoalitie met VVD en CDA had afgewezen. Formeren in een meerpartijenbestel is uiteindelijk een kwestie van afvinken.

Een politicus moet in een formatie dus altijd alert zijn. Maar beslissender voor de uitkomst dan ogenblikken van onoplettendheid is de stemming van de natie en het passende politieke antwoord daarop. In de Nederlandse verhoudingen moet het begin van dat antwoord per definitie in het midden worden gezocht, dat wil zeggen bij de christen-democraten die de balans naar de ene of de andere kant kunnen laten doorslaan. Alleen in 1994 kon D66 die rol even overnemen en de formatie een beslissende duw geven; niet voor niets sprak deze partij, geleid door ex-katholieken, toen van ’het nieuwe midden’. De dominantie van de christen-democraten is verleden tijd, maar deze formatie heeft aangetoond hoe cruciaal hun rol nog altijd is.

Hoe comfortabel ook, de keerzijde van de spilpositie is eeuwige verdeeldheid over de koers, vooral in tijden van polarisatie. Destijds was die verdeeldheid minstens zo hevig als nu. In 1973 lukte het PvdA-informateur Burger zelfs een wig in het christen-democratische huis te drijven. De katholieke KVP en overwegend gereformeerde ARP kozen voor gedoogsteun aan het kabinet, de meer hervormd gekleurde CHU voor de oppositie. In deze formatie had het maar weinig gescheeld of het CDA was, dertig jaar na de fusie, gescheurd. Dat gevaar is trouwens nog niet geweken.

Het voornaamste slachtoffer van de verdeeldheid destijds was Barend Biesheuvel, de demissionaire premier van een centrum-rechts kabinet dat voortijdig was gevallen. Hij koos voor rechts, zijn politieke vrienden in de AR-fractie onder aanvoering van Aantjes met een nipte meerderheid (acht-zes) voor links, in navolging van de partijprominenten De Gaay Fortman en Boersma die zich buiten de fractie en de partij om bereid verklaarden tot het kabinet toe te treden. Biesheuvel was razend. Toen Gaius (De Gaay Fortman) hem op het ministerie zijn beslissing wilde toelichten, verrees de lange Barend uit zijn stoel en sprak op ijzige toon: ’Jij bent een verrader. Je bent m’n vriend niet meer. Ik wil je niet meer zien’. Gaius achtte het niet passend te reageren. Hij verliet zwijgend het vertrek. In Spakenburg, een van de rechtse bolwerken van de AR, waar Aantjes in dezelfde periode uitleg kwam geven van het fractiebesluit, zongen de partijleden bij wijze van welkom psalm 1, vers 1: Welzalig hij, die in der bozen raad niet wandelt, noch op ’t pad der zondaars staat. Op hele noten, dus tergend langzaam. Aantjes zong dapper mee, hij gaf geen krimp. Een journalist van het rode Vrije Volk boog zich over naar Joop van Rijswijk, medewerker van de AR-fractie, en vroeg fluisterend: ’Wat is dat voor een liedje?’

Voor De Gaay Fortman was het doorslaggevende argument dat de polarisatie die Nederland sinds de Nacht van Schmelzer in 1966 in haar greep had, moest worden doorbroken. Dat kon in zijn ogen het beste door met links te gaan samenwerken. Het is hetzelfde argument dat de huidige CDA-aanvoerder Maxime Verhagen heeft ingegeven met het polariserende rechts in zee te gaan. Hij en zijn fluisteraar Hans Hillen veronderstellen dat zij de populisten van de PVV tot matiging kunnen brengen door met hen te pacteren.

Achteraf kan worden vastgesteld dat Gaius zich vergiste. Het overmoedige en van zichzelf vervulde links zette de polarisatie, samenwerking of niet, onverdroten voort met het paradoxale effect dat het de christen-democraten niet uiteen speelde, maar in elkaars armen dreef. De PvdA hielp aldus mee aan de totstandkoming van het CDA en verspeelde in 1977 het tweede kabinet-Den Uyl. Van Agt, de eerste lijsttrekker van het CDA-in-wording, had genoeg van het gedram en stak over naar Wiegel, die in zijn tweede formatie geen fout maakte en met rode wijn en een overmaat aan grootmoedigheid de getormenteerde Van Agt in zijn armen sloot.

Hoewel de polarisatie hard op grenzen was gestuit, zette de PvdA deze strategie nog tot 1986 voort. Pas onder de leiding van vakbondsman Wim Kok, een pragmatische polderaar, richtten de sociaal-democraten de blik weer naar het midden. Kok begreep dat samenwerken en polariseren niet samengaan en hij onderkende ook dat het CDA onder leiding van Lubbers een machtige factor bleef. De komende tijd zal blijken welke strategie Wilders kiest. Bindt hij in, zoals in CDA of VVD verwacht wordt, of meent hij dat het traditionele midden rijp is voor de sloop en zet hij zijn polariserende koers voort, met het risico steeds sterkere tegenkrachten te mobiliseren?

Het aanscherpen van tegenstellingen kan nodig zijn om politieke helderheid te verkrijgen over vraagstukken die de natie beroeren, maar daadkracht moet in een pluriform land vanuit het midden worden ontwikkeld. Links vergiste zich veertig jaar terug volkomen in de maatschappelijke verhoudingen. Het meende dat de tijd rijp was voor grondige hervorming van de samenleving door spreiding van kennis, macht, bezit en inkomen. Zo stellig was die overtuiging dat de drie progressieve partijen (PvdA, D66 en de PPR) hun gezamenlijke program ’ononderhandelbaar’ verklaarden. Dat ze bij de verkiezingen maar 56 zetels haalden, veranderde daar niets aan. Ze lieten zich leiden door hun eigen toon die het publieke debat domineerde, maar ze hoorden niet het grommen van de ’zwijgende meerderheid’. Ed van Thijn, een van de vaders van de polarisatiestrategie, erkende enkele jaren terug: „We waren in die tijd hartstikke gek.”

De weigering van de linkse partijen over hun program, Keerpunt ’72, te onderhandelen, leidde na twee maanden informeren tot een patstelling. Volgens D66-leider Hans van Mierlo was de vraag of de confessionelen een minderheidskabinet van links zouden ’dulden’ of links een minderheidskabinet van de confessionelen. Net als nu was er politiek geweld nodig om de impasse te doorbreken. In 1973 nam de socialist Jaap Burger, een bullebak met gezag, het breekijzer ter hand. Hij maakte vanaf de eerste dag als informateur duidelijk dat hij aankoerste op een progressief kabinet-Den Uyl, gedoogd door de christen-democraten. Hij dreef de behoudende CHU naar de oppositie en brak in bij de ARP om De Gaay Fortman en Boersma voor het kabinet te schaken. Burger is de man die de term ’gedogen’ in het politieke jargon muntte.

In deze formatie voorkwamen de onderhandelaars van VVD, CDA en PVV zelf dat een patstelling ontstond door behendig gebruik te maken van de ruimte die informateur Lubbers hen bood een minderheidskabinet met gedoogsteun van de PVV te onderzoeken. Dat was het beslissende moment, omdat toen zonneklaar werd dat er bij Rutte, Verhagen en Wilders een duidelijke politieke wil bestond tot samenwerking. De fout van Cohen een middenvariant af te wijzen, diende als fraai excuus aan het adres van de christen-democraten en liberalen die niets met de politiek van Wilders op hebben. Cohen had al nattigheid moeten voelen, toen informateur Rosenthal na een eerste verkenning concludeerde dat een parlementair meerderheidskabinet tussen VVD, CDA en PVV niet mogelijk was. Enkele dagen later schreef de oude vos Hans Wiegel over ’een meesterzet’, omdat de conclusie van Rosenthal ruimte liet voor een onorthodoxe vorm van rechtse samenwerking, die aan snee kon komen nadat Paars-plus was afgevinkt.

Wiegel voegde er nog aan toe dat de meesterzet van Rosenthal onbedoeld was. Dat mag worden betwijfeld. Het verloop van de formatie wijst op een sterke rechtse onderstroom, die uiteindelijk beslissend was. De uitkomst stemt overeen met de overwegend rechtse tijdgeest. Ook in dat opzicht is deze formatie een spiegelbeeld van 1973. Of links in die tijd kwaadaardig was, zoals Beel meende, is de vraag. De drammerigheid kwam vooral voort uit idealisme en naïviteit, maar maakte een onverdraagzame indruk en joeg het meer behoudende volksdeel diepe schrik aan. De liberale Shell-directeur Bolkestein ging eind jaren zeventig de politiek in louter om ’de laatste restanten van dat vermaledijde kabinet-Den Uyl uit te roeien’. Dat revanchisme zit er bij Wilders nog altijd in.

Den Uyl zelf heeft altijd een scherp oog gehad voor de ’smalle marges van democratische politiek’. Die marges lieten slechts ruimte voor kleine stappen. Kort na zijn aantreden als premier voelde hij zich zelfs geroepen zich tegenover de als revolutionair afgeschilderde vakbondsman Arie Groenevelt te plaatsen als ’een zondig reformist’. Het beeld was een vondst van de eerste schrijver van dit stuk, die destijds adviseur van Den Uyl was. Het kwam op toen hij de premier ’s nachts, nadat zij op het ministerie aan de speech ter gelegenheid van Groenevelts jarige Industriebond hadden geschreven, in zijn Lelijke Eend naar het Catshuis bracht. De zondigheid school daarin dat Den Uyl uiteindelijk toch met de christen-democraten in zee was gegaan, wat in zijn achterban al voor een vorm van verraad werd aangezien. „Maar wat mij vooral is bijgebleven”, zei Breedveld naderhand, „is de blik van de marechaussee bij het hek van het Catshuis, die van argwaan overging in verbijstering toen zich uit de gammele Eend de minister-president naar buiten wurmde.”

Het opkomende rechtse tij kent andere drijfveren dan het linkse in de jaren zeventig. Het wil niet de wereld bestormen, maar Nederland tegen de wereld beschermen. Het spiegelbeeld kon niet scherper zijn. De kernvraag is of de tegenkrachten die het zal mobiliseren sterk genoeg zijn om het verzwakte midden te herstellen. Anders dreigt een tweedeling. Toen het kabinet-Den Uyl zo goed als rond was, schreef Beel een briefje aan Ruppert, waarin zijn vrees voor ramspoed over het land grotendeels was verdampt. Hij had nog wel twijfel, maar zag ook positieve kanten. Beel besloot zijn schrijven aldus: ’Misschien heb je op zondag nog trek in een kopje koffie?’

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden