Ongelijke zorg voor vergelijkbare handicaps

Wie ziek wordt, heeft recht op zorg. Burgers zijn verzekerd op basis van de Algemene wet bijzondere ziektenkosten en de Ziekenfondswet of een particuliere verzekering. Daarmee is ook helder wie wanneer ergens aanspraak op kan maken, zo zou je vermoeden. Was het maar zo simpel, verzucht Prof.dr. P.A.H. van Lieshout, directeur van het Nederlands Instituut voor zorg en welzijn. Een kleine rondgang. Dit artikel is een enigszins gewijzigde versie van een in het juninummer van het Maandblad Geestelijke volksgezondheid (MGv) gepubliceerd stuk.

PETER VAN LIESHOUT

Woningaanpassing is mogelijk op basis van de Wet voorzieningen gehandicapten, maar de WVG gaat uit van ergonomische beperkingen; woningaanpassing voor een lichamelijk gehandicapt kind is dus wel mogelijk, maar voor een kind met een gedragsstoornis niet. Dat gedragsgestoorde kind kan weer wèl naar een AWBZ-gefinancierde inrichting, want de AWBZ vergoedt geen woningaanpassing maar wel opname. Lichamelijk gehandicapten hebben recht op vervoersvoorzieningen: ze zijn immers ergonomisch beperkt; verstandelijk gehandicapten hebben geen recht op een vervoersvoorziening, want hun beperking is niet ergonomisch maar cognitief. Dat ze beide even slecht over straat kunnen, maakt blijkbaar niet uit.

Voor verstandelijk gehandicapten die bij hun ouders wonen, is lichtpedagogische thuishulp beschikbaar. Die hulp richt zich met name op het ondersteunen van de ouders in hun omgang met hun verstandelijk gehandicapt kind. In de psychogeriatrie is geen vergelijkbare ondersteuning beschikbaar voor partners en kinderen van dementerende ouderen die nog thuis wonen. Ook in de geestelijke gezondheidszorg voor volwassenen is ambulante psycho-educatie niet gangbaar. Dagbesteding voor verstandelijk gehandicapten in de vorm van DVO's (Dagverblijf voor oudere geestelijk gehandicapten) is een al enkele decennia geaccepteerde vorm van hulp; in de geestelijke gezondheidszorg bestaat nog steeds geen reguliere verstrekking voor dagbesteding voor chronisch psychiatrische patienten en dagbesteding in de psychogeriatrie heeft beleidsmatig nog minder aandacht. De zorg voor verstandelijk gehandicapten omvat recht op jobcoaching, in de geestelijke gezondheidszorg is arbeidsrehabilitie nog steeds alleen een wens.

Mondjesmaat

De lijst valt met gemak uit te breiden. Wat in de ene sector een geaccepteerde verstrekking is, is dat in de andere niet. Dat heeft veel te maken met de tijdsperiode waarin de verschillende zorgsectoren tot ontwikkeling zijn gekomen. Zo kwam het uitgebreide systeem van semimurale woonvoorzieningen in de vorm van gezinsvervangende tehuizen in de verstandelijk gehandicaptenzorg in de rijke jaren zestig tot stand, terwijl er in de geestelijke gezondheidszorg pas in de arme jaren tachtig beschermende woonvormen ontstonden, en dan nog mondjesmaat. Van alle verstandelijk gehandicapten die in een voorziening verblijven, zit dan ook een derde in een gezinsvervangend tehuis, terwijl nog geen tien procent van de in instellingen verblijvende psychiatrische patiënten in een beschermende woonvorm zit. En in de verpleeghuissector staat het debat over semimurale voorzieningen helemaal nog pas in de kinderschoenen.

De verschillende sectoren hebben een eigen dynamiek gehad, een gescheiden ontwikkelingsgang, die wel iets te maken heeft met het verschil in type cliënt, maar lang niet alles. Hun historische groei is langs verschillende ontwikkelingstrajecten verlopen. En in de loop van de tijd zijn de gegroeide verschillen geformaliseerd in de vorm van het erkenningen- en verstrekkingensysteem. Dat is vanuit een principiële positie het vreemdst: dat patiënten die in hun leven vergelijkbare beperkingen ondervinden, in het ene subsysteem recht hebben op andere zorg dan het in het andere subsysteem. Juist omdat er nauwelijks een referentiekader was om te bepalen welke typen beperkingen eigenlijk in aanmerking komen voor een gerichte interventie en welke niet, is die vraag in de verschillende subsystemen anders beantwoord. Dat is een impliciet proces geweest. Een vergelijking zoals ik die hier maak, kwam er niet aan te pas.

Dat de aanspraken van burgers in de loop van de tijd weinig systematisch zijn doordacht, geldt overigens niet alleen binnen de gezondheidszorg. Het wordt nog complexer als we er allerlei vorm van dienstverlening bij betrekken. Neem een alleen wonende oudere met een gewrichtsaandoening. Omdat hij niet goed kan lopen heeft hij recht op vervoer, dat staat in de Wet voorzieningen gehandicapten. Omdat hij slecht loopt, kan het ook wel eens gebeuren dat hij in huis valt en niet meer kan opstaan. Hij heeft echter geen recht op alarmering; hij kan de gemeente er om verzoeken, maar van enig afdwingbaar recht is geen sprake. Ligt hij tijdelijk op bed, dan wordt het probleem nog groter. Hij kan zijn verzekering verzoeken om een persoonsgebonden budget, maar hij heeft alleen de eerste maanden van het jaar kans op succes, want als het beschikbare budget voor een bepaald jaar is uitgeput, heeft hij pech. Formeel heeft hij wel weer recht op wijkverpleging, maar aangezien het instellingen is toegestaan om een wachtlijst aan te houden, is dit een recht dat maar in beperkte mate afdwingbaar is. Formeel heeft hij geen recht op warme-maaltijdverstrekking, het bekende tafeltje-dekje, al kan hij de gemeente er wel weer om verzoeken en hopen op een gunstige uitslag. Het is voor hem vast een hele troost dat hij beter af is dan de jongere met een lichamelijke handicap die thuis woont. Als die niet kan koken, heeft die helemaal pech, want veel gemeenten hebben bepaald dat maaltijdverstrekkingen alleen voor ouderen verzorgd worden.

Pseudoverzekering

Historische verschillen zijn te begrijpen, maar daarmee nog niet gerechtvaardigd. Er komt zelfs steeds minder lijn: de verschillen in verstrekkingen tussen sectoren zijn beduidend, terwijl de wettelijke basis van aanspraken steeds verder uiteen loopt. Formeel lijkt iedereen verzekerd tegen ziektekosten, maar het verzekeringskarakter is maar beperkt. Het is vaak eerder een pseudoverzekering: men is wel verzekerd voor de behandeling door een oogarts, alleen is er wel een wachtlijst van negen maanden. Men is wel verzekerd voor wijkverpleging, maar als de wijkverpleging meent dat een partner of kind de zorg ook wel op zich kan nemen, komt er niemand. Vergelijk dat eens met een reisverzekering: wie zou accepteren dat die een wachttijd van negen maanden kende, of bij de opgave van een verloren gegaan fototoestel zou melden dat het fototoestel van de partner wel geleend kan worden. Soms is er zelfs in het geheel geen sprake van een verzekering, maar is de hoeveelheid beschikbaar geld op voorhand gelimiteerd.

Zou het in dit tijdvak, waarin iedereen de mond vol heeft van een minder aanbod-gestuurde en een meer vraag-gestuurde organisatie van de zorg, niet eens tijd worden voor een principieel debat over de vraag waar burgers nu eigenlijk aanspraak op hebben als het gaat om zorg- en dienstverlening?

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden