Ongelijke kansen in onderwijs zijn direct gevolg van beleid

Voordat ze naar de middelbare school vertrekken, vieren leerlingen van groep 8 hun laatste schooldag.Beeld Sabine Joosten, HH.

Kinderen uit lagere maatschappelijke milieus krijgen op school niet de kansen die ze verdienen. Die kansenongelijkheid vloeit direct voort uit het onderwijsbeleid van de afgelopen jaren.

Het bracht een schok teweeg, de boodschap die de onderwijsinspectie precies twee weken geleden bracht: het maakt voor de kansen van een kind op school nogal wat uit of z'n ouders hoog- of laagopleid zijn. Dubbeltjes worden nog steeds niet snel kwartjes en die kansenongelijkheid is de afgelopen tijd niet af-, maar toegenomen.

Links en rechts, hoog en laag, iedereen in het onderwijs die ertoe doet, liet onmiddellijk weten: dit is niet goed, dit is zorgelijk, dit moet echt anders. Wat in al dat lawaai nauwelijks opgemerkt werd, was dat sommige insiders er stilletjes aan toevoegden: we hebben het zien aankomen. Wie het onderwijsbeleid van de afgelopen vijf à tien jaar in ogenschouw neemt, komt bijna vanzelf tot een nog scherpere conclusie: die toenemende kansenongelijkheid is een direct gevolg van dat beleid.

Dat het Nederlandse onderwijsstelsel ongelijkheid tussen kinderen van verschillende komaf in de hand werkt, is al heel lang bekend. Dé grote oorzaak daarvan is dat kinderen hier al op hun twaalfde, aan het eind van de basisschool, verdeeld worden over vmbo, havo en vwo. Keer op keer blijkt uit onderzoek dat dit nadelig is voor kinderen uit minder welgestelde gezinnen. Die hebben vaak meer tijd nodig om de achterstanden in te lopen die ze van huis uit meekrijgen, en als ze die tijd krijgen, komen ze uiteindelijk vaak inderdaad hoger uit. Het bewijs daarvoor is te vinden in al die landen waar die selectie op latere leeftijd plaatsvindt.

Brugjaar
De nadelige effecten van die vroege selectie werden verzacht - ook dat blijkt uit onderzoek - doordat het Nederlandse onderwijsstelsel her en der nog herkansingen bood. Veel scholen in het voortgezet onderwijs hadden brugklassen met meerdere niveaus: havo en vwo in één klas of vmbo-t en havo of zelfs vmbo-t tot en met vwo. Dat brugjaar gaf leerlingen extra tijd om te bewijzen wat ze konden en zo misschien op een hoger niveau uit te komen dan waar ze meteen na de basisschool zaten.

Een minstens zo belangrijke herkansing was mogelijk na het vmbo-t: wie dat diploma op zak had, kon overstappen naar de vierde klas van de havo. Zo kon de gapende kloof tussen de twee wegen door het voortgezet onderwijs toch nog worden overbrugd. En na de havo kunnen leerlingen door naar het vwo, na het mbo naar het hbo en na het hbo naar de universiteit. 'Stapelen' heet dat in onderwijsjargon.

Stapelroutes
De politiek en ook de scholen hebben de afgelopen jaren weinig oog gehad voor het belang van deze stapelroutes. Het debat over onderwijs en het beleid dat daaruit voortvloeide werd tot een paar jaar geleden volledig overheerst door iets heel anders: de overtuiging dat het met de kwaliteit van het Nederlandse onderwijs beroerd gesteld is.

Was daar reden toe? In internationale vergelijkingen, het zogeheten Pisa-onderzoek, daalden de scores van Nederlandse vijftienjarigen al een tijdje: van net onder de top zakte Nederland af naar de subtop. Het Nederlandse onderwijs slaagde er weliswaar goed in om de achterblijvers onder de leerlingen toch op een zeker niveau te brengen, maar de echte uitblinkers bleven duidelijk achter bij de bollebozen in het buitenland.

Andere harde aanwijzingen dat het niveau daalde, waren er niet. Universiteiten en hogescholen klaagden wel over wat er mis was met de kennis van aankomend studenten en breed leefde de gedachte: vroeger was het beter. Maar onderzoek dat dit onderbouwde, was (en is) er eigenlijk niet.

Paniek
De paniek was er niet minder om. "Ik móet wat doen", riep toenmalig onderwijsminister Marja van Bijsterveldt, en zeker in de politiek was er niemand die dat bestreed. Ze scherpte de exameneisen aan (vooral voor de vakken Nederlands, Engels en wiskunde). Ze voerde een rekentoets in op havo en vwo. Ze legde basisscholen de doelstelling op om de gemiddelde score op de Cito-eindtoets te verhogen. Ze drong aan op meer aandacht voor de 'excellente' leerling. En ze stuurde de onderwijsinspectie op pad om scherper toezicht te houden op de kwaliteit van scholen, liefst uitgedrukt in harde cijfers.

Zo kwam er een beweging op gang die de prestaties in het onderwijs uiteindelijk ten goede kan komen. Maar die beweging had ook andere gevolgen, met name voor het beleid van afzonderlijke scholen, vooral in het voortgezet onderwijs. Onder druk van een minister die betere prestaties eist en een inspectie die hen daarop afrekent, begonnen zij risico's te mijden.

Twijfelgevallen
Twijfelgevallen, leerlingen die net wel of net niet naar de havo kunnen, worden nu toch maar naar het vmbo gestuurd. En aan vmbo'ers die na hun diploma wilden doorleren op de havo worden extra eisen gesteld. Jammer voor de betrokken leerlingen, maar goed voor de school, want als zo'n twijfelgeval blijft zitten of later alsnog lager geplaatst moet worden, kost dat een school punten in de inspectiebeoordeling.

Behalve met de druk van de inspectie hebben scholen ook te maken met de wensen van ouders. Niet met die van alle ouders evenveel, want hoogopgeleiden weten de school van hun kind makkelijker te vinden dan andere ouders. En die hoogopgeleiden willen hun kind graag zo hoog mogelijk geplaatst wordt, liefst zonder kinderen van een lager niveau in één klas. Dus als hun kind het vwo aankan, dan willen ze voor hem liever een vwo-brugklas dan een havo-vwo-klas. Want tja, de havist in zo'n brugklas trekt zich op aan de vwo'ers, weten ze uit onderzoek, maar de vwo'er wordt er niets wijzer van.

Scholen spelen in op de wensen van deze ouders. Ze moeten wel, vinden ze, anders zoeken die een andere school en juist de betere leerling lopen ze niet graag mis. Trouwens, ze moesten hun excellente leerlingen toch extra koesteren?

Tekst gaat verder onder de foto.

Basisschoolleerlingen uit groep 8 van de Prinses Marijkeschool buigen zich over de Cito eindtoets.Beeld anp

'Wegversmallingen'
Zo zijn veel van de onderwijsweggetjes die uitgerekend kansarme kinderen een herkansing boden slecht begaanbaar geworden. In tien jaar tijd is het aantal brugklassers dat alleen met klasgenoten van precies hetzelfde niveau in de schoolbanken zit met vijftig procent gegroeid, bijvoorbeeld. Het aantal vmbo'ers dat overstapt naar de havo is in vijf jaar gedaald van negentien naar dertien procent.

Soortgelijke 'wegversmallingen' doen zich in het hele onderwijsstelsel voor, tot aan de toelating tot hbo en universiteit. Vorige week kwam daar nog het nieuws over de gevolgen van het leenstelsel overheen. Nu studenten geen beurs meer krijgen, maar geld moeten lenen voor hun studie, lijken vooral jongeren met laagopgeleide ouders universiteit en hogeschool links te laten liggen.

Vreemd genoeg is de opwinding over die dalende kwaliteit van het Nederlandse onderwijs bijna volledig uit het publieke debat verdwenen. Of die kwaliteit intussen omhoog is gegaan of niet, dat staat niet vast. Maar niemand heeft het er nog over.

Zwalken met de Citotoets

Ook de Cito-eindtoets speelt een rol als het gaat om kansenongelijkheid tussen kinderen van hoog- en van laagopgeleide ouders. Scoort een kind uit een hoog milieu beter dan verwacht op die toets, dan past de basisschool vaak het advies voor het vervolgonderwijs aan, bij een kind met laagopgeleide ouders vaak niet. Ze worden een kansarm kind dus extra kansen onthouden. Het moet dus anders met die toets, vinden minister Bussemaker en velen met haar. Wéér anders.

Marja van Bijsterveldt (minister tot 2012) geloofde heilig in toetsen en zeker ook in de Cito-eindtoets. Die moest zelfs verplicht worden voor alle scholen - andere eindtoetsen moesten verdwijnen. Maar ze was nog maar net weg als minister of de stemming in de politiek sloeg om. We lijden aan een 'doorgeslagen toetscultuur', heette het opeens. Laat het oordeel van de leraar weer zwaarder wegen in het schooladvies, vond de Tweede Kamer ook, want die leraar kent z'n leerlingen het best. Daarom werd besloten de eindtoets (al dan niet van het Cito) later in het schooljaar te houden: nádat het schooladvies is opgesteld.

Nee, dat oordeel van de leraar is toch niet zaligmakend, stelt Bussemaker nu. Ze gaat basisscholen dringend vragen serieus rekening te houden met de resultaten van de eindtoets. Een nieuwe wijziging van de wet zal niet lang op zich laten wachten.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden