Review

Ongeduldige emigranten

Met z’n tienduizenden trokken Nederlandse emigranten in de jaren veertig en vijftig naar Canada en de Verenigde Staten. Onder hen waren opmerkelijk veel gereformeerden. Ze vormden een eigen subcultuur in Noord-Amerika, met kerken en scholen – en ook met conflicten. Sommigen bleven zich op Nederland oriënteren, anderen bewust niet.

Ze hadden haast, die emigranten die na de Tweede Wereldoorlog Nederland verlieten om in Engelstalige kolonies een nieuw bestaan neer te zetten. Een eigen bedrijf, een eigen auto, een eigen kerk en een eigen school werden in een periode van tien tot twintig jaar gerealiseerd. ’Haastige emigranten’, zo zijn de hoofdpersonen in het nieuwe boek van Agnes Amelink te typeren. Ze hadden weinig keus natuurlijk, maar het stempelde wel hun ervaring.

De gedachte dat hij misschien te snel was vertrokken, overviel Theun Horzelenberg, met wie het boek opent en sluit, als hij twintig jaar na zijn vertrek in 1951 weer zijn familie in Nederland opzoekt: ,,Waarom ben ik ooit geëmigreerd? Ik heb mijn broers en zusters gezien; ze hebben het goed.’’(282) Diezelfde twijfel kwam naar boven in de interviews met Friese emigranten die Hylke Speerstra in ’Het wrede paradijs’ (1998) publiceerde.

Amelink richt zich in haar toegankelijke boek op de gereformeerde emigranten - een logisch vervolg op haar eerdere werk over de lotgevallen van ’De Gereformeerden’. De ondertitel van haar nieuwste boek schept wat verwarring; die rept van protestants-christelijke landverhuizers, terwijl het snel duidelijk is dat het om gereformeerden gaat en dan ook nog van bepaalde snit: geen bevindelijke wereldmijdende, maar optimistische en activistische gelovigen.

Deels staat hun ervaring model voor alle gezindten die na de oorlog naar Amerika en vooral Canada trokken, deels is die uniek. De gevoelens van verwachting en vrees, de overtocht, de kennismaking met de nieuwe omgeving en de ontberingen van de eerste jaren zijn voor alle emigranten uit die tijd herkenbaar.

Voor haar levendige relaas put Amelink uit enkele brievencollecties, een zeventigtal interviews, immigrantenbladen. Maar daarnaast richt ze zich heel specifiek op de verwerkelijking van het neocalvinistische ideaal in Canada, vergelijkbaar met onze gereformeerde zuil.

Het verhaal begint met het uitbreken van de immigratiekoorts. Dat proces leek wel wat op de 17de-eeuwse windhandel in tulpen en de recentere hausse van het beleggen in ict-aandelen. Van alle kanten werd de Nederlandse kleine burgers en arbeiders aangepraat dat ze wel gek waren als ze deze kans tot lotsverbetering niet aangrepen. Nederland was grijs en sloom en iedereen kon zien dat het leven in Noord-Amerika floreerde. Kranten, beroepsverenigingen, vakbonden, ministeries, kerken en de propagandamachines van de emigratieverenigingen en Canadese spoorwegmaatschappijen bombardeerden de burgers met dezelfde boodschap: je doet jezelf (en vooral je kinderen) tekort als je in Nederland blijft hangen. De weg is gebaand, begeleiding geregeld, dus ga!

En ze gingen, 400.000 in getal tussen 1948 en 1962: 142.000 naar Canada en 72.000 naar de Verenigde Staten. In de eerste vier jaar bestonden de Canada-gangers voor veertig procent en de Amerika-gangers voor twintig procent uit gereformeerden, terwijl slechts een tiende deel van de Nederlandse bevolking zich gereformeerd noemde. Een verklaring hiervoor blijft enigszins aan de oppervlakte: in Noord-Amerika waren de gereformeerden goed georganiseerd, maar dat is nog geen oorzaak. Amelink focust meer op de gevolgen die deze oververtegenwoordiging had voor de vormgeving van de subcultuur in Canada.

Het tweede gedeelte van het boek gaat vooral over de kerkelijke verwikkelingen overzee. Levensbeschouwelijke verschillen, botsende persoonlijkheden, maar vooral het gebrek aan geduld leidden tot een stroom initiatieven, en daarmee tot nogal wat conflicten, die eerder intern dan extern waren.

Aanvankelijk hadden de emigranten al hun energie nodig om te overleven. Bij aankomst bleek de werkelijkheid een stuk rauwer dan voorzien: kippenhokken en stallen als slaapplaats, een zesdaagse werkweek, strenge kou en isolement. Werken en volhouden was de enige manier om te slagen. Tijd om te treuren om het verlies van het vertrouwde nam men niet en gunde men elkaar niet.

Toch was de omgeving niet helemaal nieuw. De Verenigde Staten, en in iets mindere mate Canada, waren bekend terrein: een eeuw eerder hadden de voorlopers van de gereformeerden (de afgescheidenen) de weg naar het Amerikaanse middenwesten al gebaand. Hun kleinkinderen wachtten de nieuwkomers gretig op. Vooral de Christian Reformed Church (CRC), die in 1857 was ontstaan uit onvrede met de Amerikanisering van de aloude (Dutch) Reformed Church en die met de immigranten in de prairiegebieden was meegetrokken naar het noordelijke Canada, spaarde kosten noch moeiten om de nieuwkomers op te vangen en te verenigen in kerken.

Hun veldwerkers zetten zich vol toewijding in. Met prachtig resultaat: de kerk groeide met 25 procent. Maar al snel bleken er ook risico’s aan deze actie te kleven. Een deel van de gereformeerden hoorde bij de ’Vrijgemaakten’ die in 1944 uit de ’grote’ Gereformeerde Kerken in Nederland (GKN) waren gezet of gestapt. Zij constateerden met teleurstelling dat de CRC de GKN niet wilde laten vallen. In 1950 stichtten zij de Canadian Reformed Church, die uitgroeide tot een kerkgenootschap met 16.000 leden, voorzien van een hele educatieve infrastructuur.

Dat ook in die kerken veel spanningen ontstonden, kwam deels doordat er een groot gebrek aan capabele bestuurders was. Maar de ervaringsgerichte, bevindelijke gereformeerden voelden zich ook niet thuis in de CRC en formeerden hun eigen, nog kleinere kerkverbanden. Ook zij richtten scholen en eigen verenigingen op, maar ze krijgen van Amelink veel minder aandacht.

Ook binnen de CRC bleef het rommelen. Sommige nieuwkomers overtroffen de CRC in dadendrang en trokken erop uit om de samenleving met een alternatieve christelijke agenda om te vormen naar een Nederlands verzuild model. Dat begon ermee dat men stond op eigen christelijke scholen, eerst basisscholen, spoedig gevolgd door High schools en ’Colleges’. De Nederlandse gereformeerden investeerden sowieso veel in onderwijs en wilden dat ook een eigen identiteit geven.

Dit ideaal leverde veel spanningen op toen de nieuwe generatie onder de bekoring kwam van Howard Evan Runner, een man van Britse afkomst die de Reformatorische Wijsbegeerte van de VU-hoogleraren Dooyeweerd en Van Vollenhoven ontdekte en enthousiast omarmde. Hij maakte school aan Calvin College in Grand Rapids, waar het kader van de CRC werd gevormd, onder vooral de nieuwkomers uit Canada. Deze discipelen waren vaak tweedekansleerlingen, jonge mensen met gaven en ambitie, voor wie universitair onderwijs in Nederland buiten bereik was gebleven. Zij vonden in Runner een invoelende en stimulerende ’coach’ die hen op een missie zond om hun omgeving te doordesemen met een christelijke wereldbeschouwing.

De kritiek van deze discipelen richtte zich op de in hun ogen gezapige burgerlijkheid van vooral de CRC-kerken in Amerika. Hun radicaliteit, directe manier van communiceren en ’eeuwige’ roep om geld voor eigen organisaties, raakten de grenzen van wat de immigrantenkerken geestelijk en fysiek konden opbrengen. Buitenshuis was de invloed op de Canadese samenleving gering en binnenshuis botste het ideaal op de stroming die meer heil zag in aansluiting bij de Angelsaksische klemtoon op persoonlijke vroomheid.

Daaronder speelde ook een diepere culturele omslag in de Amerikaanse samenleving. Die ontwikkelde zich van een consensusmodel naar een conflictmodel, en dat had zijn weerslag op de kerken. Steun ontving dit streven van hen die vreesden voor berusting door de groeiende welvaart; een geestelijk ideaal zou dat kunnen voorkomen.

Goedbedoelde, maar weinig invoelende adviezen uit Nederland werkten averechts, getuige de ervaringen met een christelijke vakbond. Die bemoeienis paste in de traditie, ook Abraham Kuyper had een veeg uit de pan gekregen van een dominee uit Chicago toen hij in 1900 zijn stamgenoten adviseerde de Democraat William Jennings Bryan te steunen.

Zo waren er wel meer lijnen door te trekken vanuit de periode voor de wereldoorlogen. De oriëntatie op Nederland inspireerde sommigen, maar schrok anderen af. Dat laatste was het geval met de ontwikkelingen in de moederkerk in de jaren zestig. De ethische en theologische wissels die genomen werden (homoseksualiteit en schriftkritiek) en de terugloop in de GKN fungeerden als een schrikbeeld en wakkerden de polarisatie in de CRC tussen vooruitstrevend en behoudend aan.

Dit alles beschrijft Amelink met vaart. Soms schiet ze voorbij punten die meer aandacht verdienen. Waarom waren de meestal optimistische Nederlands-Amerikanen zo pessimistisch over maatschappelijke inzet? Het motto van Runner ’Het leven is religie’ kan gemakkelijk tot misverstanden leiden. Streefden zijn discipelen echt een eigen zuil na? Zo ja, dan was mislukking te voorzien, want het isoleren van één zuil uit Nederland werkte niet zonder het hele bestel. Het lijkt er veel meer op dat het neocalvinistische ideaal de eerste fase was in de zoektocht van de emigranten naar een eigen identiteit. Dat verklaart de voortvarendheid van de toepassing van enkele Nederlandse vanzelfsprekendheden in de nieuwe omgeving. Dat aspect komt in dit boek zo sterk naar voren omdat de meeste interviews uit één generatie komen. Misschien herontdekt een volgende generatie in deze aanpak wel voorbeelden die de Nieuwe Wereld weer inspireren – als ze daarvoor het geduld kan opbrengen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden