Analyse

Onderwijsvrijheid leidt tot grote verschillen onder scholen

Het verschil in kansen ontstaat al op de basisschool. Beeld ANP

Met haar jaarlijkse onderzoek naar het Nederlandse onderwijs gooit de Onderwijsinspectie opnieuw een steen in de vijver. Er zijn vrijwel geen zwakke scholen meer in Nederland, maar desalniettemin blijken de verschillen tussen scholen groot. 

De toekomst van kinderen is in te grote mate afhankelijk van de school waar hun ouders toevallig voor kiezen, vindt de inspectie. Daarmee stelt zij de grote vrijheid ter discussie die Nederlandse scholen hebben om hun eigen lessen vorm te geven.

Twee kinderen met dezelfde capaciteiten kunnen eindigen met een heel verschillend diploma, blijkt uit de vanochtend gepubliceerde ‘Staat van het Onderwijs’. Het verschil in kansen ontstaat al op de basisschool. Sommige scholen laten leerlingen boven zichzelf uitstijgen, andere lukt het niet om de aanwezige talenten tot bloei te laten komen.

De inspectie keek naar de resultaten op de eindtoets in groep acht. Scholen met een vergelijkbare populatie leerlingen met lager opgeleide ouders (de zogeheten gewichtenleerlingen) behalen uiteenlopende resultaten. Ook wanneer de inspectie kijkt naar andere kenmerken, als etnische achtergrond of huishoudinkomen, zijn de resultaten van overeenkomstige leerlingen heel verschillend. Voor leerlingen scheelt dat in het advies voor een middelbare school soms een of meerdere onderwijsniveaus.

Kinderen die op een zwakkere basisschool hebben gezeten halen hun achterstand nooit meer helemaal in. Na drie jaar voortgezet onderwijs zitten ze op een lager niveau dan leerlingen van een van de betere basisscholen.

Vroege selectie

Daar komt bij dat ook het verschil tussen leerlingen van verschillende middelbare scholen opvallend groot is. Nergens anders lopen de scores op de PISA-testen, de internationaal vergelijkende toets voor lezen, rekenen en kennis van natuurwetenschappen van vijftienjarigen, zo uiteen.

Dat komt deels doordat kinderen hier al vroeg gescheiden naar school gaan. Wie jong op het vmbo begint, behaalt nu eenmaal niet meer hetzelfde niveau als een vwo’er. De landen met de minste verschillen tussen de PISA-scores van scholen houden leerlingen het langst bij elkaar. In IJsland, Noorwegen en Finland zitten ze in ieder geval tot hun zestiende bij elkaar in de klas.

Maar de vroege selectie is niet de hele verklaring. Ook in landen met een vergelijkbaar systeem zijn de prestatieverschillen tussen scholen kleiner dan hier.

Welke school wel of niet het beste uit haar leerlingen haalt is niet onderhevig aan toeval, benadrukt de inspectie, maar is een gevolg van de keuzes die scholen maken. Scholen met kinderen die bovengemiddeld scoren stellen hoge ambities aan hun leraren en leerlingen en hebben een gedeelde visie op onderwijs. In de lessen geven leraren duidelijke uitleg, hangt een goede werksfeer en krijgen leerlingen met achterstanden extra aandacht. Op scholen die minder uit hun leerlingen halen, mist de inspectie die ambitie en visie op het onderwijs.

De Onderwijsinspectie legt de bal daarmee nadrukkelijk neer bij leraren en schoolbestuurders en legt en passant de vraag op tafel of Nederlandse scholen te veel vrijheid hebben. Traditioneel bemoeit het ministerie zich niet met de keuzes die scholen maken. De overheid bepaalt alleen wat leerlingen aan het einde van hun onderwijsloopbaan moeten kennen en kunnen maar zegt niets over hoe dat kinderen wordt aangeleerd.

Nationaal curriculum

In veel andere landen hebben scholen te maken met een nationaal curriculum, waardoor de lessen op elke school min of meer hetzelfde zijn. Een situatie waar de koepelorganisaties in onderwijsland overigens absoluut niet naar toe willen. De verdenking dat de onderwijsvernieuwing Onderwijs2032 zou uitmonden in een nationaal curriculum was genoeg om een storm van kritiek te veroorzaken.

In Nederland kunnen ouders en kinderen kiezen voor een school die bij hen past. Maar het betekent ook dat de overheid weinig grip heeft op scholen die onderaan de lijstjes bungelen. De inspectie mag alleen kijken of een school de boel op orde heeft, een spreekwoordelijk zesje is dan goed genoeg.

In dat systeem gaan de kansen van leerlingen wellicht te ver uit elkaar lopen. We missen talent, zegt de Onderwijsinspectie, en vraagt zich af of het systeem nog wel in balans is.

Voor de scholen komt deze waarschuwing bovenop die van vorig jaar. Toen concludeerde de inspectie dat een kind van lager opgeleide ouders minder kans heeft op een universitair diploma dan het net zo slimme klasgenootje met hoogopgeleide ouders. Het Nederlandse onderwijssysteem slaagt er kennelijk slecht in kinderen gelijke kansen te bieden. 

Lees ook: De ene school is veel beter dan de andere, waarschuwt de onderwijsinspectie 

Lees ook: Schooltijden zijn onhandig, maar ouders klagen er niet over

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden