Onderwijsraad / De opbrengst van de basisschool

Basisscholen moeten gaan werken als multinationals, vindt de Onderwijsraad, met gestelde doelen en gemeten opbrengsten. Dat betekent dat leerlingen getoetst moeten worden, in groep drie, als ze van school gaan en ook tussentijds. Hoe de scholen hun doel bereiken mogen ze zelf weten.

Nee, het wordt géén kleutertoets! Prof. Wim Meijnen, hoogleraar onderwijskunde aan de universiteit van Amsterdam, anticipeert op de kritiek die hem deze dagen ongetwijfeld te wachten staat. Meijnen is één van de opstellers van het advies 'Wat scholen toevoegen' van de Onderwijsraad dat gisteren verscheen. De raad toont zich voorstander van zogeheten nul- en eindmetingen op de basisschool: toets een kind van zes, toets hetzelfde kind van twaalf en je kunt uitrekenen welke bijdrage de school aan de ontwikkeling van dit kind heeft geleverd.

De Cito-eindscores -nu vaak een graadmeter- zijn onvoldoende om deze bijdrage te kunnen berekenen: je moet ook weten welk niveau leerlingen aan het begin van de school hadden. ,,De discussie over de invoering van zulke toetsen ligt gevoelig'', erkent Meijnen. ,,De kleutertoets is al ettelijke malen voorgesteld, maar even vaak weer afgeblazen. Terecht, want testen van kinderen op deze leeftijd zijn onvoldoende betrouwbaar.''

Het advies is een antwoord op vragen van minister Van der Hoeven. Is het zinvol, zo niet noodzakelijk, dat basisscholen de opbrengsten van hun onderwijs gaan vaststellen? Zo ja, hoe moet dat, en moet de rol van de overheid dan veranderen?

Na lang delibereren en onderzoeken, antwoordt de Onderwijsraad op alle vragen volmondig 'ja'. Net als universiteiten en scholen voor voortgezet onderwijs, die er inmiddels aan gewend zijn dat er naar hun prestaties wordt gekeken, moeten ook basisscholen kunnen laten zien welke invloed zij hebben (gehad) op de ontwikkeling van een kind. Natuurlijk is dit moeilijk, want een kind ontwikkelt zich hoe dan ook. In hoeverre is deze ontwikkeling toe te schrijven aan de school?

,,Uit ons onderzoek, en ook uit ervaringen in het buitenland, blijkt dat het mogelijk is deze toegevoegde waarde te berekenen'', zegt Meijnen. ,,Een begin- en een eindmeting - wij pleiten voor een beginmeting in groep drie, als het kind zes jaar is - is hiervoor onvoldoende. Op zijn minst twee achtergrondvariabelen moeten worden meegewogen, namelijk het opleidingsniveau van de ouders en de leeftijd van het kind in groep twee.''

Als een kind zes jaar is, licht Meijnen toe, kunnen de toetsen klassikaal worden uitgevoerd. Voor de docenten bespaart dat veel tijd en energie. Bovendien zijn de uitslagen voldoende betrouwbaar, kinderen van zes zijn bijvoorbeeld minder snel afgeleid dan kinderen van vier of vijf.

Volgens de Onderwijsraad zal het vier tot zeven jaar duren om zo'n systeem van toetsen te ontwikkelen en verfijnen. Het liefst denkt de raad ook nog aan tussenmetingen (tussen de begin-en eindmeting in) en aan toetsen op élk kennis- en vaardigheidsdomein (de zogeheten kerndoelen) die in de wet zijn vastgelegd. Taal, rekenen, gymnastiek, motivatie, zelfstandigheid, op elk gebied moeten scholen in de toekomst hun toegevoegde waarde kunnen laten zien. ,,We pleiten ervoor om met taal, rekenen en wereldoriëntatie te beginnen'', vertelt Meijnen. ,,Als dat goed gaat, kunnen we de metingen langzamerhand uitbreiden.''

Als de resultaten er liggen, kan een externe instantie per school de netto leeropbrengsten uitrekenen. De scholen krijgen zelf de verantwoording om deze cijfers in de schoolgids te publiceren. Eventuele factoren die de opbrengsten nadelig kunnen beïnvloeden, kan de school in de gids vermelden. ,,Er gaan bijvoorbeeld tussentijds veel leerlingen weg en er komen ook weer nieuwe bij. De externe instantie kan dat in haar rapportage opnemen: 'Deze school had zoveel procent mutaties. Ook de scholen zelf kunnen dit in de schoolgids vermelden''

En zo zijn er nog meer haken en ogen, erkent Meijnen. ,,In het advies concluderen we ook dat het in absolute zin niet mogelijk is om de toegevoegde waarde van het onderwijs vast te stellen. Zulke bezwaren, vaak van methodologische aard, zijn echter aan elk sociaal-wetenschappelijk onderzoek verbonden. Wél beschouwen wij onze voorstellen als een next best oplossing die een behoorlijke indicatie van die toegevoegde waarde oplevert.''

Maar zijn ook basisscholen dan al een soort fabriekjes die worden afgerekend op jaarcijfers en rendementen? Waarom is het zo belangrijk dat ook basisscholen hun (leer-)opbrengsten tonen, nota bene van kinderen die nog zo jong zijn? Omdat, antwoordt Meijnen resoluut, de verhoudingen in het onderwijs zijn veranderd. Nu de overheid meer op afstand staat, zijn de scholen zelf verantwoordelijk voor de opbrengst van het onderwijs dat zij geven. Daarvoor dienen zij verantwoording af te leggen, een verantwoording die de publicatie van de Cito-scores overstijgt.

Op haar beurt moet de overheid in deze denkwijze een stap terugdoen. De Onderwijsraad adviseert vooral een kleinere rol voor de inspectie. ,,De inspectie toetst nu elke school op vier punten: wát wordt er aangeboden (rekenen, taal, enzvoort), hóe wordt dat aangeboden, hoe is de school georganiseerd en wat zijn de opbrengsten. Een school moet soms zelfs in discussie met de inspecteur over de vraag of er twee, drie of vier speelhoeken moeten zijn. Daar willen we van af.''

Juist bij de vierde categorie, die van de opbrengsten, gaat de inspectie het minst ver. ,,Als een school op één van de eerste drie categorieën het niet goed doet, heeft zij een probleem'', weet Meijnen. ,,Heeft zij echter geen Cito-scores - tot nu toe een belangrijke indicator voor de opbrengsten - dan onderneemt de inspectie geen stappen. Dat is merkwaardig: 20 procent van de scholen kan nog steeds geen gegevens over de Citoscores overleggen.''

Als de scholen zelfstandiger worden, vindt Meijnen, moeten zij zelf kunnen beslissen hóe zij het onderwijs aanbieden. Klassikaal of niet, jenaplan, dalton, montessori, datkan allemaal, zonder dat de school zich elk jaar voor de inspectie over de inrichting van het onderwijs hoeft te verantwoorden. ,,De inspectie kijkt nog te veel naar het aanbod'', vindt Meijnen. ,,Dat staat haaks op de gedachte van meer vrijheid en autonomie voor de scholen. Díe rol voor de inspectie willen wij afbouwen: als scholen hun leeropbrengsten laten zien, hoeven zij zich niet meer te verantwoorden voor de wijze waarop ze hun onderwijs aanbieden. Als de rol van de inspectie niet kleiner wordt, dijt het hele systeem tot onhanteerbare proporties uit.''

De hoogleraar onderwijskunde droomt van die gedachte. De eindeloze twisten over deze - vaak ideologische - verschillen tussen scholen, zouden tot het verleden kunnen gaan behoren. ,,Het pedagogisch principe van de school is een kwestie van smaak. Scholen willen en kunnen zich hiermee profileren, door kindgericht onderwijs, klassikaal onderwijs, noem maar op. In de toekomst zegt de inspectie hooguit tegen een directeur 'de toegevoegde waarde van uw school is onder de maat, laten we kijken hoe dat komt'. Zo'n benadering maakt de discussie over het onderwijs veel helderder, minder ideologisch geladen. Inderdaad, basisscholen groeien zo toe naar een bedrijfsvoering die vergelijkbaar is met een multinational: 'dit is je target, hoe je het inricht, mag je zelf weten.''

Meijnen hoopt zelfs (,,dit staat niet in het advies'') dat de leeropbrengsten-benadering er uiteindelijk toe leidt dat een aantal voorbeeldscholen komt bovendrijven. ,,Er zijn goede montessorischolen en slechte, er zijn goede klassikale scholen en slechte. De vraag wat een goede school is, hangt van zóveel factoren af. Er is heus niet één weg naar Rome die naar een goede opbrengst leidt.''

Montessori-, dalton- en jenaplanscholen zijn vaak notoire tegenstanders van de Citotoets waarop het schooladvies voor leerlingen uit groep acht is gebaseerd. Belangrijke waarden waarop deze scholen zich graag profileren, zoals sociaal gedrag en zelfstandigheid, worden in de Citotoetsen immers niet gemeten. De Onderwijsraad pleit er nadrukkelijk voor om ook toetsen te ontwikkelen die dit soort waarden vaststellen.

,,Wij willen toe naar een databank die gevuld is met een brede variatie aan begin- en eindtoetsen'', legt Meijnen uit. ,,Voor elk domein - rekenen, wereldoriëntatie, gymnastiek, zelfstandigheid, motivatie - en voor elke leeftijdsgroep bevat de databank een breed scala aan toetsen. Elke school kan zo die toetsen kiezen die bij de eigen onderwijskundige opvatting passen.''

Deze keuzevrijheid lijkt haaks te staan op het streven dat de leeropbrengsten van verschillende scholen onderling vergeleken moeten kunnen worden. Methodologisch is dit toch mogelijk, legt Meijnen uit. ,,We kunnen bijvoorbeeld toetsen maken met 1000 opgaven, een kind moet daar vijfentwintig opgaven van maken. Vijf van deze opgaven zijn verplicht - die maakt elk kind op elke school - de overige twintig worden door de school gekozen. Omdat de relatie tussen de verplichte opgaven en de andere opgaven bekend is, kan de externe instantie een invidviudele score voor het kind berekenen die ook met die van andere kinderen te vergelijken is.''

,,Dat is de truc die erin zit'', verduidelijkt Meijnen. ,,Als een school twintig makkelijke opgaven kiest, wordt dat verdisconteerd, als het twintig moeilijke opgaven zijn, idem dito. Zo kan je de toegevoegde waarde per kind berekenen, per groep, en per school. Scholen kunnen bijvoorbeeld kijken hoe hun Turkse kinderen presteren. Uiteraard alleen als de groep Turkse kinderen niet te klein is, de opbrengst van één Turkse leerling zegt niets.''

In het advies gaat de raad uitvoerig op potentiële nadelen van al dit meten en weten in. Docenten kunnen gedemotiveerd raken, slecht scorende scholen krijgen een slechte naam, scholen kunnen goede leerlingen bij binnenkomst gaan selecteren en autochtone ouders zullen - na vergelijking van opbrengsten - voor witte scholen kiezen ('witte vlucht'). Voor de meeste 'neveneffecten' is Meijnen niet bang, al geeft hij toe dat die zich kunnen voordoen.

,,Uit onderzoek blijkt steeds dat ouders bij de keuze van de basisschool eerder letten op sfeer, op de wijze van omgang met het kind, dan op prestaties. Bovendien blijkt bij het voorgezet onderwijs, waar de schoolprestaties bijvoorbeeld ieder jaar in Trouw verschijnen, dat slecht scorende scholen niet minder leerlingen trekken.''

Docenten van de basisschool houdt Meijnen graag voor dat ze eraan moeten wennen dat anderen (ouders, bestuurders, overheid, inspectie) gerechtigd zijn zich met de inhoud van het onderwijs te bemoeien. ,,Docenten in het voortgezet onderwijs zijn daar nu aan gewend, die kennen ook het centraal schriftelijk examen. Bij basisschooldocenten merk ik steeds dat ze willen bepalen wát ze aanbieden en hóe ze dat aanbieden. Met dat 'hoe' hebben ze gelijk, maar niet met dat 'wat'. De kerndoelen voor het onderwijs op de basisschool zijn aangenomen door de Tweede Kamer en daarmee door het volk erkend.''

Bovenal wijst Meijnen op maatschappelijke ontwikkelingen die de behoefte aan dit soort 'opbrengst-denken' doet toenemen. ,,De vraag naar informatie over de kwaliteit van voorzieningen groeit, die trend is positief en onomkeerbaar. Moet je ouders, bestuurders, overheid belangrijke informatie over basisscholen onthouden omdat er neveneffecten kunnen optreden? De Onderwijsraad vindt van niet: we gaan beginnen, en zien wel waar het schip strandt.''

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden