ONDERWIJSINSPECTIE KAN SCHOLEN GEEN STRAF GEVEN ZORGVERBREDING

Nu scholen zelfstandiger worden klinkt de roep om steviger controle. Kan de inspectie daaraan voldoen? Trouw ging mee op door de inspectie geselecteerd schoolbezoek. Deel 1: de basisschool.

MARJAN AGERBEEK

Controle zorgverbreding, dat is de opdracht die onderwijsinspecteur drs. H. Damen voor vandaag heeft. Volgens de wet is elke school verplicht aan zorgverbreding te doen. Dat wil zeggen dat er planmatige ondersteuning moet zijn voor kinderen met problemen. Hoe dat er precies uit moet zien is niet bij wet geregeld. De inspectie heeft op landelijk niveau eigen criteria ontwikkeld, waarmee de inspecteurs op pad worden gestuurd. Op die manier ontstaat er eenheid in de manier waarop scholen onder de loep worden genomen. Althans, dat is de bedoeling.

Een paar dagen geleden heeft Damen basisschool de Panta Rhei in Tilburg gebeld met de mededeling dat ze langs zou komen voor een controle op zorgverbreding. Het team is er een beetje zenuwachtig van. Vooral de leerkrachten waar Damen straks in de klas gaat kijken. De directeur heeft daarvoor een lijstje met bezoekjes gemaakt, aan de hand van de voorkeuren die Damen voor groepen heeft uitgesproken.

Damen begint de ochtend met een gesprek met de intern begeleider. Dat is een leerkracht die heeft doorgeleerd om kinderen met leerproblemen te herkennen en te ondersteunen. Maar ze helpt ook leerkrachten bij de aanpak van leerlingen met problemen. De intern begeleider van de Panta Rhei heeft wel erg veel doorgeleerd, blijkt na een vraag van Damen. Ze heef tot en met MO-B orthopedagogiek in haar zak. Het laatste stapje, de universiteit, volgt misschien ook nog wel. “Zo'n hoge opleiding van de intern begeleider zie ik steeds meer in mijn gebied”, zegt Damen goedkeurend. De aanwezigheid van een intern begeleider, zeker eentje die de hele week is vrijgesteld voor dat werk, is niet vanzelfsprekend. De Panta Rhei koos daar zelf voor. Het gevolg is dat er niet zestien, maar vijftien groepen zijn gemaakt bij het begin van het schooljaar. De kleutergroepen hebben allemaal dertig leerlingen.

De inspecteur wil precies weten hoe de hulp aan probleemleerlingen is georganiseerd op school. Hoe worden ze gesignaleerd, hoe vaak worden ze besproken, zijn er handelingsplannen, hoe vaak krijgen probleemleerlingen extra hulp, wanneer worden de ouders geïnformeerd. En vooral: zijn er verslagen van al die gesprekken en zijn die voor iedereen die met het kind te maken heeft toegankelijk?

Damen stelt vooral vragen. Commentaar blijft uit, dat volgt pas aan het einde van de ochtend in de nabespreking met het team. Maar als de intern begeleider de map met handelingsplannen laat zien waarin ook de verslagen zitten van de observaties van de kinderen, kan Damen het toch niet laten. “Ik zou bijna zeggen: wauw!”

In de combinatieklas van juf Petra is groep vier aan het rekenen. Ze maken sommen op eigen houtje, terwijl de juf in de weer is met groep drie. De leerlingen moeten woordjes invullen bij plaatjes en de plaatjes kleuren. Drie kinderen moeten bij de juf komen om extra leesoefeningen te doen. De juf houdt kaartjes op met woorden die veel medeklinkers bevatten. “Dw-aa-s”, klinkt het. Twee van de drie zijn hun melktanden het wisselen, zo blijkt als ze heel hard moeten lachen om het spelletje.

Damen let, zoals de landelijk afgesproken richtlijnen voor de controle op zorgverbreding voorschrijven, of er tijdens de lessen in organisatorisch opzicht ruimte is voor extra begeleiding. En dat lijkt bij Petra het geval. Er wordt tijd gemaakt om achterstanden bij leerlingen in te halen.

Ook in de kleutergroep die Damen bezoekt zijn er genoeg mogelijkheden. In die groep zit één van de zeven hoogbegaafde kinderen die de school telt. Het kind is vijf en kon al schrijven en rekenen toen hij vorig jaar op school kwam. Dus hij verveelt zich met het normale programma. Klassen overslaan kan niet, want in sociaal-emotioneel opzicht hoort hij bij zijn leeftijdsgenoten thuis. Dus heeft hij een een apart leerprogramma nodig. De juf ontdekte dat hij op het ogenblik is gefascineerd door het skelet. Dus mag hij een skelet maken van dozen en lege keukenrollen. Op de doos die de romp voorstelt heeft hij met streepjes het exacte aantal wervels getekend. En nu zit hij met zijn handen in de papier maché, omdat hij per sé een rond hoofd wil en geen doos. Nee, natúúrlijk komt er geen neus op, legt hij uit. “Er is geen neusbot!” En dat geldt ook voor de oren, die er ook niet op komen.

Tussen de middag bespreekt Damen wat zij gezien heeft met de directie en de bezochte leerkrachten. “Ik heb alles gevonden wat ik zocht, dus er komt een kort briefje dat alles in orde is”, zegt Damen direct. Ze spreekt haar bewondering uit voor de extra hulp aan de betere leerlingen. De directeur geeft de eer onmiddellijk aan de intern begeleider, die een speciale belangstelling voor hoogbegaafden heeft. Ze praten nog wat door over de klasseorganisatie, een 'verander-onderwerp' waar het team zich dit jaar specifiek in verdiept. Dan is het bezoek voorbij.

In de auto legt Damen uit waarom ze iedereen met 'u' aansprak, wat in het onderwijs nogal ongebruikelijk is. “Maar voor inspecteurs is dat heel gewoon. Ik vind het ook een goede strategie. Het onderstreept dat je de school komt beoordelen.”

Inspecteurs maken in hun schoolbezoeken onderscheid tussen 'controle' en 'evaluatie'. Bij controles zijn scholen verplicht eventuele mankementen die de inspecteur aantreft te corrigeren. Het gaat dan altijd om zaken die wettelijk verplicht zijn. Als bijvoorbeeld de leerlingentellingen niet kloppen of het schoolwerkplan niet aan de eisen voldoet, moet de school dat verbeteren. Doet de school dat niet, dan kunnen er in het uiterste geval sancties volgen in de vorm van het stopzetten van een deel van de subsidie. Daarover beslist overigens de minister, niet de inspecteur. Bij een 'evaluatie' hoeft de school niet te doen wat een inspecteur zegt, dan zijn het adviezen. Damen: “De meeste scholen zien dat verschil niet zo, ook al zeg ik het steeds heel nadrukkelijk.”

Hoofdinspecteur van het basisonderwijs J. Huisman vindt dat maar dom van die scholen. Formeel luidt de opdracht aan de onderwijsinspectie: Rapporteren over de toestand van het onderwijs aan de minister, legt hij uit. Vandaar dat schoolbezoeken steekproeven zijn.

Elk jaar wordt op landelijk niveau vastgesteld op welke onderwerpen de scholen worden doorgelicht. Zo kondigt het Jaarwerkplan 1996 onderzoek aan naar onder meer de kerndoelen, spelling, het jonge kind, preventie en bestrijding van seksuele intimidatie en nascholing. Voor elk onderwerp wordt een steekproef getrokken uit het totale scholenbestand. De inspecteurs krijgen vervolgens een lijstje met de scholen die zij op het onderwerp dienen te controleren of te evalueren. Zo kan het gebeuren dat een school lange tijd geen inspecteur ziet, en dan ineens drie keer in één jaar.

Deze landelijke aanpak leidt ertoe dat de criteria waarop de inspecteurs de scholen beoordelen, gebaseerd zijn op een gemiddelde Nederlandse school. En dat schiet sommige scholen weleens in het verkeerde keelgat. De traditionele vernieuwingsscholen, bijvoorbeeld. Ton Scheulderman, directeur van de Jenaplanschool in Uitgeest: “Wij werken in dit onderwijs met een ervaringsgerichte aanpak. Als we het over communicatie willen hebben met de kinderen, dan nemen we ze mee naar het winkelcentrum en gaan kijken naar reclames enzo. Dat is een andere manier om kinderen denkschema's aan te bieden dan op andere scholen. Maar daar prikt een inspecteur die op bezoek komt niet eventjes doorheen. Ook al omdat hij met die landelijke criteria op pad is gestuurd, waarvan hij niet af mag wijken.”

Wat het voor een inspecteur basisonderwijs extra moeilijk maakt is dat hij geen kwantitatieve gegevens van de school heeft, gaat Scheulderman verder. Inspecteurs kunnen vragen naar zittenblijfcijfers of Citotoetsgegevens, maar de scholen zijn niet verplicht die te geven. “En dan heb ik het nog niet over de persoonlijke voorkeuren van inspecteurs, die hun oordeel kleurt. Kortom, dat inspectieonderzoek is veel te pretentieus.”

“Die kritiek is terecht”, zegt Huisman zonder omhaal. “Het inspectiebezoek vindt plaats binnen een bepaald raamwerk van criteria en dat kan controversieel zijn. Zo doen de vrije scholen niet aan zorgverbreding. Dat vinden wij niet goed, want het staat in de wet. De vrije scholen zeggen een andere manier te hebben om kinderen individueel te begeleiden. Maar een inspecteur kan niet zo snel zien of dat ook een goede manier is.” Huisman hoopt dat de zogenaamde 'integrale schoolevaluaties' die in voorbereiding zijn dit probleem kunnen verhelpen. Een inspecteur bezoekt dan een school en beoordeelt deze als geheel.

De laatste jaren zijn de ouders steeds meer van de onderwijsinspectie gaan verwachten. Dat is logisch, want de wetgever heeft hen een steeds grotere rol toebedeeld. De meeste ouderorganisaties vinden dat de inspectie daar onvoldoende in is meegegroeid. Zo wil de Vereniging voor openbaar onderwijs dat de ouders worden gehoord als de inspecteur op bezoek komt om het onderwijs te evalueren. De oudervereniging van de Vereninging van besturen katholiek onderwijs vindt dat de ouders bij de nabespreking met het team aanwezig moeten kunnen zijn en een kopietje moeten krijgen van het verslag van de inspecteur. En de protestantse ouders, verenigd in Ouders & Co, wijzen op de bemiddelende rol die de inspectie zou moeten vervullen bij conflicten met scholen, bijvoorbeeld als de school weigert inzage te geven in de Citotoets resultaten van het kind.

Huisman moet op al deze vragen 'nee' verkopen. Het zijn zaken waartoe de inspectie wettelijk niet is gerechtigd, legt hij uit. Zo blijkt uit de duizenden klachten die er jaarlijks bij de onderwijsinspectie binnenkomen dat ouders in de inspectie een ombudsman zien. Maar de inspectie heeft geen sanctiemogelijkheden. Die heeft alleen de minister, in duidelijk in de wet omschreven gevallen. Ouders die een school willen aanklagen, moeten dus in de meeste gevallen naar de rechter. Huisman: “Dat is ouders vaak moeilijk uit te leggen. Het heeft alles te maken met de vrijheid van onderwijs. De overheid mag zich nu eenmaal maar zeer beperkt met de school bemoeien.”

Ook rapportage van bevindingen aan de ouders, behoort niet tot de mogelijkheden. “De inspectie heeft formeel alleen een relatie met het bestuur van de school, niet met de ouders. We mogen dus geen kopietjes van rapporten naar de ouders sturen, daarvoor moeten de ouders bij het bestuur zijn”, legt Huisman uit.

“Dat wordt overigens in de toekomst nog vreemder als de scholen verplicht zijn een schoolgids op te stellen waarin gegevens staan over het aantal zittenblijvers, de doorstroom naar het speciaal onderwijs of de Citotoets. Dat zijn gegevens die wij niet van de scholen mogen vragen, maar wij moeten wel controleren of dat wat in de schoolgids staat de waarheid is. De rapportage daarvan gaat naar het bestuur, terwijl de gids voor de ouders is bedoeld. Nu kunnen de ouders die rapporten wel afdwingen door een beroep te doen op de Wet openbaarheid van bestuur, maar toch. Het is een onderwerp waarover de ouders eens met de wetgever zouden moeten praten.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden