’Onderwijs is niet beter, maar wel leuker geworden’

Het is half tien in de ochtend op de protestants-christelijke basisschool De Rank in het Zuid-Hollandse Schoonhoven. Miryam (8) uit groep 5 buigt zich over haar rekenboek. Ze maakt keersommen. „We hebben de tafels van één tot en met tien al gehad, maar we herhalen ze weer”, zegt ze. Coen (9), die schuin naast haar zit, fluistert: „Ik heb mijn tafeldiploma, dat ligt nu thuis.”

Harriët Salm

Op het eerste oog lijkt De Rank op een lagere school van twintig jaar geleden. Kinderen schrijven braaf in schriftjes, of voetballen in de pauze op het schoolplein. Ze gaan de klassen rond met cake met roze glazuur als er iets te vieren valt en vertrekken nog altijd met een rol wc-papier, die naast deur hangt, richting toilet.

Ook de kwaliteit van het basisonderwijs is de afgelopen twintig jaar gelijk gebleven, concludeerde deze week toetsinstituut Cito. En het niveau is te laag. Teleurstellend, vindt het kabinet, vooral als het gaat om taal en rekenen moeten de prestaties omhoog.

Pietie van der Kruk (48) is de juf van groep 5 op De Rank en staat al ruim 25 jaar voor de klas. Het is ten dele waar, zegt zij: in bijvoorbeeld het rekenonderwijs is veel hetzelfde gebleven.

Vroeger moesten de kinderen de tafels heel goed kennen. „Dan zeiden we: als je ze ’s nachts wakker maakt, moeten ze ze zo kunnen opdreunen.” Daarna kwam een tijd waarin dat soort opdreunonderwijs een beetje taboe was. „Straks krijgen ze toch een rekenmachine, hoorde je dan. Maar nu hameren wij er wel weer op dat ze de tafels goed kennen. Die parate kennis is gewoon nodig.”

Toch: wie beter kijkt, ziet dat niet alles bij het oude is. Zo werken de kinderen niet allemaal uit hetzelfde boek. Rinske (9) heeft moeite met rekenen en doet sommen van groep 4. En Dominic (10) heeft alles vaak snel af en maakt extra opgaven.

Kinderen krijgen een bepaalde kleur die bij hun ontwikkeling past, legt Van der Kruk uit. Dominic heeft blauw, Rinske groen. Heb je een lager niveau, dan hoef je bijvoorbeeld minder sommen te maken. „Bauke moet af en toe even dromen, dus hij maakt alleen de eerste drie van het rijtje.”

Vernieuwd is ook het onderwijs aan de groepen een tot en met vier op De Rank. In 2003 is in de onderbouw met het zogenoemde ’fase-onderwijs’ begonnen. De lesstof voor de eerste vier schooljaren is in acht fasen verdeeld, elk van een half jaar.

De ontwikkeling van heel jonge kinderen gaat schoksgewijs, legt directeur Cootje Heeringa-Bothof (50) van De Rank uit. „Opeens herkent een kind cijfers, opeens is het toe aan lezen van woordjes. Doordat ze hier per half jaar overgaan, kan je met hun individuele ontwikkeling beter rekening houden.”

Een groepje 6- en 7-jarigen krijgt net taalles. De kinderen zitten in een kringetje om juf Renée de Vries (41), ieder met de eigen naam op een stoeltje geplakt. De Vries pakt een stapeltje losse papiertje met woordjes en houdt ze één voor één omhoog. De kinderen lezen hardop: Neus, muis, lach, bal, hoog.

Het grote voordeel van de fases, zegt De Vries, is dat de overgang van de kleuterklas naar groep 3, waar kinderen leren lezen, heel geleidelijk gaat. Want deze taalles volgen kinderen uit verschillende fases. De lesjes die ze erna in groepjes moeten doen, zijn op hun niveau aangepast. „Ze horen zo de instructie vaker, ze moeten luisteren naar elkaar en ze kunnen met lezen beginnen als ze er echt aan toe zijn.”

Toch leren de kinderen zo niet beter taal dan vroeger, erkent zij. Dat het Cito-onderzoek dit ook ontdekte, verbaast haar niet. „Maar de kinderen hebben wel meer plezier in het onderwijs gekregen, omdat het meer op het individuele kind gericht is. En de sfeer op school wordt daar weer beter van, dat is voor kinderen ook heel belangrijk.”

Dan is het lunchtijd, de kinderen gaan naar huis, een aantal leerkrachten verzamelt zich rond de tafel van directeur Heeringa. Na een kort gebed wordt bouillon geschonken en komen de meegebrachte boterhammetjes tevoorschijn.

Er lijkt soms wel een soort heimwee naar het oude klassikale onderwijs te zijn in Nederland, erkent directeur Heeringa. Terwijl dat volgens haar echt niet meer past bij de kinderen van nu. „Dat is veel te saai, ze zijn gewend zoveel dingen tegelijk te doen: telefoneren, tv-kijken, computeren, gameboy, huiswerk maken. En lezen is thuis veel minder gewoon dan vroeger. Daar moet je rekening mee houden, en op inspelen.”

Om kwart over één worden de lessen hervat. In het kantoortje van Heeringa reageren intern begeleider Anton Lith (54) en remedial teacher Netty Mak (44) op de bevindingen van het Cito. Lith: „Al snel klinkt het tegenwoordig: de leerkrachten in het basisonderwijs doen het niet goed. Ik vind dat echt onterecht.”

Het is best logisch dat onderwijs in taal en rekenen niet beter geworden is, daar zijn andere oorzaken voor aan te wijzen, denkt hij. Want dezelfde overheid die nu vindt dat er beter taal en rekenonderwijs moet zijn, heeft de scholen een aantal jaren geleden opgedragen meer kinderen met een handicap vast te houden: het zogenoemde Weer-samen-naar- school-beleid.

Lith: „Vroeger stuurden wij kinderen veel sneller naar het speciaal onderwijs, nu houden we ze binnenboord. Wij doen dat graag, maar het vraagt wel wat van de leerkrachten. En het gemiddelde niveau van de kinderen, qua intelligentie, is dus lager geworden.”

Daarnaast is de samenstelling van de wijk waar De Rank staat veranderd. Er zijn zowel hogeropgeleiden komen wonen, als allochtonen, die nu een kwart van de schoolbevolking uitmaken. En die allochtone kinderen vragen soms extra aandacht in het taalonderwijs.

Heeringa wijst ook op andere maatschappelijke veranderingen. Veel vaker dan vroeger heeft de school te maken met gescheiden ouders, die elkaar het leven zuur maken. „De kinderen lijden eronder, en hun leerprestaties gaan omlaag.” En er zijn meer tweeverdieners, die de kinderen naar de naschoolse opvang sturen. „Er is minder tijd voor de kinderen, om ze voor te lezen, te helpen met huiswerk.”

Mak maakte zich kwaad toen ze in de krant las: het basisonderwijs moet meer aan bewegen doen. „Omdat kinderen te dik worden. Dan denk ik: en wat doen de ouders?”

Heeringa: „De overheid legt steeds meer opvoedende taken bij ons. En we moeten steeds meer extra lessen geven, Engels bijvoorbeeld.”

De leerkrachten besteden nog ongeveer evenveel tijd aan rekenen en taalonderwijs als twintig jaar geleden, zegt Lith. In de bovenbouw voor beide vakken zo’n vijf uur in de week.

„Als je de citotoetsen vergelijkt op deze school de afgelopen twintig jaar, dan is het niveau inderdaad gelijk gebleven,” vervolgt hij. Door onderwijsvernieuwingen door te voeren terwijl de schoolbevolking veranderde, is het onderwijs op hetzelfde peil gebleven. Van Lith: „Als je het zo bekijkt is dát een hele prestatie van onze leerkrachten.”

Heeringa: „Wij werken hier keihard, evalueren en voeren verbeteringen door om de leerlingen te helpen. Negatieve berichten over dat de scholen het niet goed doen, verdienen we niet.”

Dan is het kwart over drie en loopt de school leeg. De 6-jarige Celeste heeft het naar haar zin gehad vandaag. Even denkt ze na en dan zegt ze: „Taal is het allerleukste, leuker dan rekenen, maar rekenen is ook best leuk”.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden