Onderwijs en topsport: die relatie kan béter

Roskam: 'Elke dag een uur lichamelijke opvoeding.' (FOTO ROBERT VOS, ANP)

den bosch – - Nog geen kwart van de topsporttalenten in Nederland maakt gebruik van speciaal topsportgericht onderwijs. Die zogenaamde Lootscholen voldoen organisatorisch niet aan de hedendaagse wensen.

Bovenstaande stellingen kwamen uit de mond van twee verschillende sprekers tijdens het debat ’Talentontwikkeling: Maakbaarheid, Mythen & Moraliteit’, dat gisteren in Den Bosch werd gehouden door het Mulier Instituut.

De eerste stelling werd door Mulier-onderzoekster Agnes Elling onderbouwd met cijfers uit een recente inventarisatie onder talenten. De tweede is een conclusie van Ad Roskam, chef de mission van de Jeugd Olympische Spelen en bij NOC-NSF verantwoordelijk voor talentontwikkeling.

Volgens Roskam voldoen Lootscholen organisatorisch niet aan de wensen van deze tijd. Dat geldt met name waar het de afstemming betreft van het schoolprogramma op de vaak individuele wensen van topsporters. „Trainingsprogramma’s lopen ver uiteen. En jongeren leren als topsporter al zoveel. Het is onzin als ze hetzelfde ook nog eens in de schoolklas krijgen. Dat moet ontdubbeld worden, de afstemming leerstof-sportprogramma kan veel effectiever.”

Ook bij de vorig jaar gelanceerde Centra voor Topsport en Onderwijs (CTO’s) valt volgens hem nog een inhaalslag te maken. „Die zijn volop in ontwikkeling, we zijn nog aan het leren van landen om ons heen, waar ze al langer van dat soort centra hebben. Ook daar gaat het om de individuele leerweg, maar ook om het voorkomen van sociale risico’s die aan het opleiden van jonge talenten kleven.

Elling maakt zich zorgen op dat laatste gebied. Zij signaleert dat aan steeds meer topsporters op steeds jongere leeftijd steeds hogere eisen worden gesteld, maar dat het erepodium even smal blijft. De uitval is daardoor groter, en daarmee ook het aantal topsporters dat een eenzijdige sportidentiteit heeft ontwikkeld. Terug in de maatschappij kunnen ze daar niet verder mee.

Dat aspect kreeg gistermiddag relatief weinig aandacht. Maar de relatie topsport en onderwijs liep als een rode draad door de discussie. Zoals met de hoopgevende conclusie van hoogleraar jeugdsport Chris Visscher, dat topsporttalenten het heel goed doen op school.

Waar 75 procent van de topsporters onderwijs op niveau van havo of VWO volgt, is dat landelijk 48 procent. Kinderen die lid zijn van een sportvereniging blijven minder vaak zitten. „Het lijkt erop dat kinderen in de sport doelgericht gedrag ontwikkelen. Daar leent sport zich goed voor, in de sport krijg je snel feedback over hoe je hebt gepresteerd”, aldus Visscher. „Hoe dichter je naar de top komt, hoe meer VWO’ers je aantreft.”

Van een wisselwerking is in Nederland geen sprake. In het traject van talentherkenning en talentontwikkeling zou de rol van het onderwijs groot kunnen zijn, meent Roskam. „In het basisonderwijs moet ook aan het fysieke alfabet aandacht worden besteed. NOC-NSF wil op de basisschool elke dag een uur lichamelijke opvoeding onder goede begeleiding.”

Sporttalent herkennen zou daardoor een stuk makkelijker kunnen worden. Zoals de Citotoets de vervolgopleiding bepaalt, zo zou volgens Roskam ook de keuze van sport via het onderwijs goed te organiseren moeten zijn.

„Maak een profiel van het kind met daarin de zaken waarin het meer of minder getalenteerd is. Daarmee wordt de kans vergroot dat het kind een sport kiest waarin het goed is, er plezier aan beleeft en die regelmatig beoefent. Dat past in een leven lang sporten.”

De volgende stap, talentontwikkeling op jonge leeftijd, is volgens Roskam nog onontgonnen gebied. „Er wordt steeds jonger gestart met meer trainen, maar over het effect weten we weinig.” Hij concludeerde ook dat het lastig is op jonge leeftijd talent te voorspellen. „De zekerheidsgraad daarbij is heel laag.”

In een sport als (meisjes)turnen moet vroeg worden begonnen, omdat de top op jonge leeftijd wordt bereikt. Maar hoe zit dat bij andere sporten? Roskam en Visscher pleiten voor een brede, veelzijdige verkenning op jonge leeftijd. Visscher haalde een Zweeds onderzoek aan, waarbij tennissers zijn vergeleken die op zes- en op twaalfjarige leeftijd begonnen. „Uit beide groepen haalden er evenveel de top-honderd.”

Opmerkelijk is een roeiproject van UK Sport in Groot-Brittannië. Daar worden oudere studenten geselecteerd op hun lengte, de lengte van hun armen en hun zuurstofopnamevermogen. In twee jaar tijd werden van niet-roeiers wereld- en olympisch kampioenen gemaakt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden