Reportage

Ondertussen op Haïti: vier jaar na de aardbeving

Stromend water is er niet in Corail. Regelmatig komt een tankwagen langs. Voor een emmer water moeten de bewoners tien eurocent betalen.Beeld Pieter van Maele

De storm op de Filippijnen roept herinneringen op aan andere rampen. Zoals de aardbeving op Haïti, bijna vier jaar geleden alweer. Nog steeds leven meer dan driehonderdduizend mensen in tentenkampen. Daar zijn ze allesbehalve veilig.

Een twintigtal minuten rijden vanuit de heksenketel die Port-au-Prince heet. Verder is het niet naar Philadelphie, een kleine nederzetting op een van de vele heuvelruggen die de Haïtiaanse hoofdstad omarmen. Eenmaal voorbij de gigantische sloppenwijk 'Cité Soleil' wordt die reis zelfs bijna aangenaam: een gloednieuwe asfaltweg, aangelegd dankzij Europese ontwikkelingshulp, golvende heuvels en zicht op een azuurblauwe zee. In een bescheiden baai ligt zelfs een kleine strandclub, compleet met muurschilderingen van wulpse vrouwen in piepkleine bikini's. Wie niet beter weet, zou denken dat hij in het zoveelste Caraïbische paradijs is beland.

Om dat droombeeld aan diggelen te slaan, volstaat het om even voorbij het strandresort de splinternieuwe hoofdweg te verlaten en enkele minuten lang de heuvelrug omhoog te hobbelen. Wat van ver op een vruchtbare lap grond lijkt, blijkt in werkelijkheid niets anders dan een rotswoestijn. Bomen zijn er niet, op enkele cactusbomen na. Het gras is kurkdroog, verschroeid door de meedogenloze zon.

De hele omgeving ligt bovendien bezaaid met brokstukken, overblijfselen van provisorische hutjes waarin overlevenden van de aardbeving van 12 januari 2010 noodgedwongen hun toevlucht zochten. Steenbrokken, planken, tentzeilen en golfplaten; het zijn de stille getuigen van de zoveelste doortocht van een gewapende bende die de nederzetting binnenviel, inwoners neerschoot, vrouwen verkrachtte en huizen vernielde.

2,3 miljoen daklozen
"Vroeger woonden hier in Philadelphie wel zeshonderd gezinnen, met huisjes tot vlakbij de straatrand. Nu zijn er daar nog maar tweehonderd van over. Iedereen is zo ver mogelijk de heuvels ingevlucht", vertelt de 54-jarige Jean-Paul François. Hij staat moedeloos naast de overblijfselen van zijn eigen huis, het zweet parelt op zijn voorhoofd. In zijn rechterhand klemt hij een machete vast, het kapmes dat hij gebruikt om hout te hakken en groente te telen op zijn nabijgelegen kostgrondje.

Voor de aardbeving leefde François in hoofdstad Port-au-Prince, net als eigenlijk bijna iedereen in deze omgeving. In tegenstelling tot veel familieleden en vrienden overleefde de landbouwer de natuurramp, die in een klap 200.000 mensenlevens eiste en 2,3 miljoen Haïtianen dakloos maakte - en dat in een land waar daarvoor al zeventig procent van de tien miljoen inwoners moest zien te overleven met minder dan twee dollar per dag.

De regering van toenmalig president René Préval besloot twee maanden na het natuurgeweld om een lap grond van vijfduizend hectare ten noorden van Port-au-Prince om te dopen tot 'plaats van openbaar nut', met als doel nieuwe leefruimte beschikbaar te stellen aan de overlevenden. Bij gebrek aan andere opties gingen vele families in op het aanbod en trokken ze hoopvol de heuvels in, zelfs al ontbraken ook daar basisvoorzieningen als water en elektriciteit. President Préval dacht dat het een noodmaatregel zou zijn, tot uit de stofwolken een nieuw én beter Haïti was verrezen.

Milities
Bijna vier jaar en vele miljarden euro's aan ontwikkelingshulp later wonen nog steeds zo'n 320.000 mensen in kampen. Dat tot grote woede van grootgrondbezitters en machtige industriële families, die azen op de schaarse grond rond de volledig volgebouwde hoofdstad. Het bekendste voorbeeld is de familie Acra, een steenrijk geslacht dat al decennia actief is in de rijst-, papier-, plastic- en metaalindustrie. Die clans schrikken er niet voor terug om gewapende milities in te huren om de nederzettingen met geweld te laten ontruimen en de grond terug te claimen - zoals ook de inwoners van Philadelphie al meermaals is overkomen.

Het plaatsje Corail barst met tienduizend vluchtelingen uit zijn voegen.Beeld Pieter van Maele

François doet driftig zijn relaas. "In totaal zijn ze hier nu al dertien keer binnengestormd. De laatste keer dateert van april, een half jaar geleden. In het holst van de nacht reden ze het dorp binnen met hun jeeps, een bende gangsters gewapend met machetes, geflankeerd door de politie. Ze schoten wild in het rond, sloegen huizen kort en klein en staken de overblijfselen in brand. Een vrouw die zich probeerde te verzetten werd door een vijftal mannen verkracht, toen ze daarmee klaar waren spoten ze met een bus verf 'voleur de terre' (landdief) op haar broek."

Een jonge dertiger vertelt dat hij door de agenten werd gearresteerd, omdat hij tijdens de inval weerstand had geboden. "Vier dagen lang hebben ze me vastgehouden in een donkere cel in Port-au-Prince, zogezegd omdat ik een paar mango's had gestolen. Ik heb achteraf een klacht ingediend bij het Openbaar Ministerie, maar daarover heb ik natuurlijk nooit meer wat gehoord. Het enige wat we willen, is een menswaardig bestaan, een huis, een school voor onze kinderen en een ziekenhuis. Hier is helemaal niks. En het weinige wat we wel hebben, wordt ons afgenomen."

Toonbeeld?
Dat het niet om een op zichzelf staand verhaalt gaat, blijkt een kwartier verderop in Corail, een vluchtelingenkamp dat meteen na de aardbeving werd gebouwd als opvangplek voor vierduizend personen. Corail moest een model worden voor alle andere reddingsoperaties in het land, een toonbeeld van efficiënte samenwerking tussen de vele niet-gouvernementele organisaties die na de ramp in het land neerstreken. Er werden betonnen huisjes gebouwd en scholen beloofd, compleet met sanitaire voorzieningen, elektriciteit en drinkwaterinstallaties. In april 2010 zakte zelfs de Amerikaanse filmster Sean Penn af naar het gebied, om het kamp samen met president Préval te openen.

Maar van alle goede bedoelingen is amper wat terechtgekomen. Corail barst met tienduizend vluchtelingen tegenwoordig uit zijn voegen, op de flanken van de omringende heuvels wonen nog eens vele tienduizenden overlevenden van de aardbeving in informele nederzettingen.

Neergeschoten
Pierre-Jean Francky (28) is een van hen. De voormalige metaalbewerker uit Pétion-Ville overleefde medio september een aanval van een gewapende militie. Hij hield er een misselijkmakende wond vol etter aan over op zijn linkerdij, vlakbij een slagader. Zijn gezicht vertrekt bij elke stap die hij zet, krukken heeft hij niet.

"Plots stonden ze voor mijn huis, 18 september was het, om half zeven 's morgens. Een groep gewapende mannen die me toeschreeuwde dat ik het recht niet heb om hier te wonen. Ik wist niet wie ze waren, dus ik wilde hen vragen wat ze hier kwamen zoeken. Op dat moment trok een van hen een pistool en begon hij op me te schieten. Ik werd geraakt in mijn been en zeeg neer op de grond."

Een vriend belde met zijn mobieltje het dichtstbijgelegen politiekantoor. Dat stuurde een wagen om Francky naar een ziekenhuis te brengen. "Ze hebben me daar zo goed als ze konden opgelapt en me medicijnen meegegeven. Ik heb na de operatie meteen een klacht ingediend bij de politie, maar van een onderzoek kwam niets terecht. Sterker nog, dezelfde groep mannen is een tijd later opnieuw hierheen gekomen om opnieuw inwoners weg te jagen. Maar waar moeten we dan naar toe?"

Drinkwater
Niet alleen de invallen van gewapende milities baren de inwoners van het kamp zorgen. Bij de constructie van Corail is er geen rekening mee gehouden dat de plek een natuurlijk overstromingsgebied is van de vlakbij gelegen zee. De Verenigde Naties lieten wel grote graafmachines aanrukken om kanalen te graven, maar veel hielpen die niet.

Francky zucht: "Geen enkele internationale hulporganisatie heeft zijn werk afgemaakt. Neem nu die kanalen. Bij een fikse regenbui loopt het kamp nog steeds helemaal onder. Ironisch genoeg hebben we tegelijkertijd een tekort aan drinkwater. Er komt wel regelmatig een tankwagen langs die water levert, maar dat is eigenlijk niet bedoeld om van te drinken. Toch doen we dat, anders hebben we niks. Voor een volle emmer betalen we vijf gourde (tien eurocent - red.). Bijna alle hulporganisaties die hier vlak na de aardbeving zijn neergestreken, zijn al lang weg. De beloofde scholen en ziekenhuizen zijn er ook al niet. We voelen ons echt aan ons lot overgelaten."

De stoffige straten van Corail zijn intussen helemaal leeggelopen. In het vaalgele betonnen kerkgebouw vlakbij de ingang van het kamp is een kerkdienst begonnen. Twee inwoners haasten zich langs de oevers van een van de kanalen naar de ceremonie. Ze zijn op hun paasbest gekleed en hebben elk een bijbel in hun handen. De voorganger schreeuwt zo luid dat hij honderden meters in de omtrek te horen valt, een gonzende generator voorziet de geluidinstallatie van elektriciteit. De viering staat in het teken van de moeizame tocht van Mozes naar het beloofde land. "Wees niet bang", klinkt het hoopvol. "Ook wij komen er ooit wel."

Gedwongen ontruimingen
'Wie heeft het de voorbije 25 jaren dan beter gedaan?', schreeuwen roze billboards langs een van de grootste boulevards in Port-au-Prince. Roze is de kleur van president Michel Martelly, die sinds mei 2011, ruim een jaar na de aardbeving, de straatarme republiek leidt.

Volgens de regering gaat het sinds haar aantreden beter in het land. Er worden overal nieuwe wegen aangelegd, de luchthaven kreeg een facelift en een liberale koers moet broodnodige buitenlandse investeerders aantrekken. Het IMF voorziet dit jaar een economische groei van 6,5 procent, het hoogste cijfer van de hele Caraïben. Bovendien zakte het aantal Haïtianen dat in tentenkampen leeft van anderhalf miljoen in 2010 naar 320.000 dit jaar, een daling van bijna tachtig procent.

Mensenrechtenorganisaties als Amnesty International wijzen er in hun rapporten echter op dat die daling voor een belangrijk deel te wijten is aan gedwongen ontruimingen. De Internationale Organisatie voor Migratie becijferde begin dit jaar dat al meer dan 16.000 gezinnen waren weggejaagd uit hun woning, zonder dat ze zicht hadden op een ander onderkomen. Daarnaast hangt een vierde van alle kampbewoners een ontruiming boven het hoofd.

De meeste 'opruimacties' gebeuren in opdracht van privé-personen, maar volgens Amnesty International maakt ook de overheid zich schuldig aan de praktijk. De regering-Martelly ontkent dat met klem. "Wij proberen juist de onteigeningen een halt toe te riepen. Er zijn inderdaad privépersonen die er zich aan bezondigen, maar de overheid heeft met hun acties niks te maken", aldus premier Laurent Lamothe begin dit jaar. Toch werd tot op heden nog nooit een dader opgepakt en voor de rechter gebracht.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden