Ondermijnd van dromen

Graven van schrijvers zwijgen niet, maar spreken. Zij roepen een leven en een oeuvre in herinnering en spreken zachtjes tot de verbeelding - voorbij de laatste woorden. Een serie.

De dichter J.C. Bloem leefde dagelijks met het dwingende besef van de dood. 'Denkend aan de dood kan ik niet slapen, / En niet slapend denk ik aan de dood, / En het leven vliedt gelijk het vlood, / En elk zijn is tot niet zijn geschapen', schreef hij in 'Insomnia'. Toch bezag Bloem zijn onafwendbaar noodlot -dat hij natuurlijk met ons allen deelt- niet zozeer met angst, maar veeleer met berusting. Sterfelijkheid, heimwee en verdriet waren de belangrijkste thema's in zijn poëzie, maar zij weerhielden de dichter er niet van af en toe 'domweg gelukkig' te zijn -om zijn beroemdste vers te citeren.

De poëzie van Bloem treft nog altijd door de milde melancholie. De toon van zijn gedichten is niet dreunend, maar helder en ingetogen. 'Quiet though sad', zoals de titel van een van zijn bundels luidt. Bovendien bevatten zijn Verzamelde Gedichten, die hij een aantal jaren voor zijn dood samen met de uitgever Johan Polak samenstelde, destijds niet meer dan '150 bladzijden druks'. Bloem was, kortom, een groot dichter met een klein oeuvre, waarvan hij hoopte dat het na zijn dood zou blijven voortbestaan. 'Ik heb van 't leven vrijwel niets verwacht', schreef hij in het kwatrijn 'De nachtegalen'. 't Geluk is nu eenmaal niet te achterhalen. / Wat geeft het? - In de koude voorjaarsnacht / Zingen de onsterfelijke nachtegalen.'

Bloem is tot op heden een nachtegaal gebleken. Zijn gedichten worden nog altijd volop geciteerd. En het graf van de dichter, zo verzekert Eize de Graaf van de kerkenraad van Paasloo ons, wordt nog jaarlijks door 2500 mensen bezocht. ,,Zelfs uit België komen ze op de fiets hierheen.' Het kerkhof van het Overijsselse dorpje is dan ook van een adembenemende schoonheid. Op een lichte glooiing in het groene landschap, in vroeger eeuwen een 'veilige plaats' bij hoog water, steekt tussen de oude ruisende bomen een prachtig kerkje uit 1336 zijn houten torenspits de lucht in. 'Hiertoe had dan het leven mij gevoerd', dichtte Bloem in het gedicht 'Het oude kerkje'. 'Na veler zware dagen ommekomen, / Verteerd van daden, ondermijnd van dromen, / Dit land te aanschouwen, nauwelijks meer ontroerd.'

Het kerkhof van Paasloo had Bloem zelf als zijn laatste rustplaats uitgezocht toen hij in een tot de nok toe met boeken gevulde boerderij in het nabijgelegen Kalenberg was komen wonen. Aan zijn zeventien jaar jongere ex-echtgenote Clara Eggink, met wie hij op zijn oude dag weer was gaan samenwonen, had hij dikwijls gezegd dat hij dáár liggen wilde. 'Hij had mij er zelfs een keer heen laten rijden om het (..) te laten zien, zoals iemand je zijn toekomstige huis zou tonen', schreef Eggink in haar memoires 'Leven met J.C. Bloem'. Eenmaal door het krakende gietijzeren hek van het kerkhof valt het oog meteen op de twee witte grafstenen van de 'Firma Bloem en Klare', zoals Adriaan Roland Holst het echtpaar placht te noemen. Wit is de traditionele kleur van de streek, al missen de identieke grafstenen van Bloem en Eggink de gedraaide krullen bovenop, die de oudste stenen typeren. Op de steen van Bloem valt zijn 'diepste verzuchting' te lezen: 'Voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij'.

Voor het voorgoed voorbij was, had Bloem zich nog stevig aan zijn aardse bestaan vastgegrepen. In 1963, op 76-jarige leeftijd, kreeg hij een hersenbloeding die hem halfzijdig verlamde en hem het spreken haast onmogelijk maakte, 'behalve een enkel en altijd raak woord'. Toch trachtte hij daarna, zo goed en zo kwaad als het ging, verder te leven. Eggink schreef in haar memoires dat hij, eenmaal uit het ziekenhuis en terug in Kalenberg, 'heel langzaam ook weer wat probeerde te lopen met een stok. Lezen ging al heel gauw weer, maar schrijven lukte niet, hoe hij het ook probeerde.'

Een tweede en een derde hersenbloeding maakten het Bloem steeds moeilijker. Hij kwam eerst in een rolstoel terecht, en raakte daarna aan het bed gekluisterd. Maar nogal altijd gaf hij niet op, las boeken, staarde uit zijn bed over de Overijsselse einder en ontving vrienden uit Amsterdam. Een vierde hersenbloeding werd hem uiteindelijk fataal. Op de ochtend van 7 augustus 1966 vond Clara Eggink hem 'bleek en koortsig' in bed. De dokter onderzocht de dichter, maar kon niets voor hem doen. Bloem bleef roerloos liggen, en zonk de volgende dag weg in een coma. Hij zou niet meer bij kennis komen.

'Op tien augustus', schreef Eggink, 'aan het eind van de middag, trok zijn gezicht even als van een kind dat zich pijn doet en op dat moment stond zijn hart stil. Dat was duidelijk te zien. Zijn gezicht kreeg een uitdrukking die je een mengsel van ironie en rust zou kunnen noemen, met bijna een glimlach. Het was vijf uur.' Het moment was aangebroken dat Bloem in het gedicht 'Dodenoffer' met verbazingwekkend vooruitziende blik had beschreven: 'Maar hij was reeds aan 't eind van alle paden. / Nog ééns krampte een begeerte door zijn ziel / Naar 't zonlicht der toekomstige dageraden, / Eer hij voor eeuwig aan den dood verviel.'

Op maandag 15 augustus werd Bloem begraven. 'De nabuurplicht, die in Kalenberg nog in zwang was, droeg onze buren aan weerszijden op hem keurig verzorgd in zijn kist te leggen', schreef Eggink. 'Vele mensen kwamen afscheid van hem nemen. De bewoners van Kalenberg hebben hem op hun wijze begraven. Zij droegen de kist tot aan het centrum van het dorp en wij volgden lopend. Daar stonden de auto's voor de rit naar het kleine kerkhof van Paasloo.' (..) 'De dag waarop wij hem wegbrachten, was schoon en stralend en alles ging rustig en natuurlijk in zijn werk.'

De verslaggever van dagblad Trouw dacht daar, in de krant van de volgende dag, een tikje anders over: 'Geheel in stijl werd Bloems kist achter in een oude taxi geladen en naar het kerkhof in Paasloo gereden alwaar de kist naar plaatselijk gebruik ruw in het graf werd neergelaten.' Als Eize de Graaf met dit citaat wordt geconfronteerd haalt hij norsig de schouders op: 'Ach, men had destijds nu eenmaal geen elektrische lift ter beschikking. Alles ging met de hand. Ik heb daar nooit klachten over gehoord.'

Vijfentwintig jaar na de dood van J.C. Bloem, in 1991, werd Clara Eggink naast hem begraven. Alsof iemand het zo heeft geregisseerd, valt weer tien jaar later uit het donkere wolkendek boven Paasloo een verblindende zonnestraal op hun twee witte stenen. En opnieuw lijkt een aantal regels van Bloem wel geschreven om er hardop bij uit te spreken: 'Zij zijn nu doden en zij wachten', dichtte hij in 'Hun graven'. 'Na onherstelbare dagen en nachten, / Wat aan de doden nog is gegeven: / Een onverzoenlijke eeuwigheid.'

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden