Onderhuidse spanning kenmerkt het werk van de vier exposanten

De Turner Prize Exposition is te zien tot en met 12 januari in de Tate Gallery, Millbank, in Londen; maandag tot en met zaterdag van 10 tot 17.50 uur, zondag van 14 tot 17.50 uur; de brochure kost ¿ 4,50.

De Turner Prize heeft dit jaar een Nederlands tintje. Twee van de vier genomineerden kregen hun voordracht mede op basis van exposities in Nederland. Douglas Gordon maakte een prachtige, indringende installatie in het Van Abbemuseum in Eindhoven en Gary Hume's bijdrage aan de tentoonstelling 'Wild Walls' in het Amsterdamse Stedelijk Museum werd beloond.

Hume's solo-expositie in het Bonnefantenmuseum in Maastricht - net afgelopen - is buiten beschouwing gelaten. Alleen de tentoonstellingen tussen 31 mei 1995 en 31 mei 1996 telden.

De twee andere genomineerden zijn Graigie Horsfield en Simon Patterson. Horsfield is in Nederland redelijk bekend, door onder andere een tentoonstelling in het Stedelijk een aantal jaar geleden. Pattersons roem is nog niet over Het Kanaal gewaaid. Beiden hebben met Hume en Gordon gemeen dat ze geen botte of provocerende beeldmiddelen inzetten om de toeschouwer vol in het gemoed te raken - zoals Damien Hirst, Turner Prize-winnaar in 1995 -, maar via een subtiel, onderhuidse boodschap de kijker van zijn stuk brengen.

Verademing

Deze relatieve 'braafheid' is een verademing voor een prijs die dreigde te verworden tot het zoveelste voorbeeld van avant-gardistische hoogmoed, waar de gemiddelde museumbezoeker niet mee uit de voeten kon. De Turner Prize werd meer en meer een handig instrument voor tegenstanders van 'die modernistische fratsen', die de hedendaagse artiest kunst durfde te noemen. Met de editie van 1996 zijn die mensen, in ieder geval voor even, de mond gesnoerd.

Hume, Gordon, Horsfield en Patterson blijken zelfs effectiever dan Hirst en consorten. Doordat hun boodschap onderhuidser is, komt ze des te harder aan. Zij paaien met visuele beelden, maar dagen eigenlijk uit om niet met de ogen, maar met de psyche te kijken. Dit geldt vooral voor Douglas Gordon. In zijn videowerken gebruikt hij zowel zelf gefilmd als gevonden materiaal. Door de beelden te verknippen, te vertragen, te spiegelen, stil te zetten en van positief in negatief om te zetten, maakt Gordon een op het eerste gezicht onschuldig stuk film tot een indringende en vaak unheimische visuele ervaring.

Behaarde arm

Een zelf gefilmd werk is: 'A divided self'. Op een beeldscherm zien we een zwaar behaarde arm die een glad geschoren arm met geweld in een kussen drukt. Een gevecht tussen man en vrouw is de eerste indruk, maar misschien zelfs - maar daar wil je eigenlijk niet aan denken - een verkrachting. Mis, het blijkt een bijna schizofreen gevecht tussen de eigen armen van de kunstenaar.

Hume maakt vergeleken hiermee op het eerste oog alleen maar vrolijke, in fel gekleurde glansverf neergezette taferelen. Toch speelt ook hier meer dan het oppervlak alleen prijsgeeft. Het is een verraderlijk sprookjesachtige en hallucinerende kijk op beelden uit de alledaagsheid. Hume speelt met de Pop-Art, maar is veel inhoudelijker dan zijn Amerikaanse voorgangers. Niet altijd overigens. Soms zijn de schilderijen louter mooie beelden, zoals een portret geïnspireerd op een werk van de Vlaamse primitieve schilder Petrus Christus. Het vrouwengezicht is door Hume teruggebracht tot een aantal spiegelende, monochrome vlakken. Een pikzwarte hoed, zachtrose wenkbrauwen, neus en oren en een felrose mond. Het gezicht zelf bestaat uit het onbeschilderde hout waarop Hume het portret schilderde.

Net als Hume registreert Horsfield de werkelijkheid, maar zijn zwart-wit-fotografie vol diepe grijstonen is evenzeer meer dan louter verbeeldend. Horsfield verbleef voor een tentoonstelling in de Antonio Tapiès Foundation in Barcelona een aantal maanden in de Catalaanse stad en legde de mensen, hun leefomgeving en hun alledaagse activiteiten vast. Het resultaat is een prachtig portret van de stad, verbeeld via de mensen. Horsfield tovert vooral de eerlijke rauwheid van het bestaan van de inwoners van Barcelona voor de lens, aangevuld met toefjes van de poëzie van hun (uitgaans)leven. Vooral het overzicht van de massale danspartij in La Paloma - een vermaarde dansgelegenheid - is indrukwekkend.

Beeldmerken

Patterson heeft dat soort figuratieve beelden niet nodig. Hij grijpt subtiel in op beeldmerken en informatiesystemen die we dagelijks om ons heen zien. Hij pakte bijvoorbeeld de beroemde plattegrond van de Londense metro aan. De namen van de stations verving hij door de namen van kunstenaars, voetballers, staatslieden, muzikanten, filosofen en andere beroemdheden. Je gaat in zijn grafiek niet met de Piccadilly-line van Greenpark naar King's Cross, maar met de Italian Artist Line van Garry Lineker naar Piero della Francesca. Het op deze wijze spelen met de plattegrond leidt tot zowel humoristische als diepzinnige connecties. En dat is meteen het geheim van zijn werk.

Pattersons conceptuele aanpak is interessant, maar het meest fascineert toch Gary Hume. Het is boeiend om te zien hoe hij nieuwe schilderkunstige middelen heeft gevonden om met het verbeelden van de alledaagsheid - een trend in de hedendaagse kunst - om te gaan. Aan de andere kant was de presentatie van Douglas Gordon in het Van Abbemuseum wel erg mooi. En ook daarom gaat het bij de Turner Prize.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden