ONDERGANG VAN HET AVONDLAND

“Aan alles komt tegenwoordig een einde. 'De geschiedenis', 'het denken', 'de democratie', 'de ideologie': op volle mediasterkte hebben marktgevoelige geleerden er het bankroet van aangekondigd. Wat zal er in 1995 allemaal ten onder gaan? Heel veel als we de Duitse historicus Oswald Spengler (1880-1936) mogen geloven. Hij schreef in het begin van deze eeuw Der Untergang des Abendlandes (twee delen, 1918/1923). Volgens die klassieke bestseller is onze 'faustische' Europees/Amerikaanse cultuur op sterven na dood. Nog even en we blazen ons zelf op en vallen terug in een cultuurloos, primitief landbouwersbestaan.” Herman Franke las de turf van Spengler - 1200 bladzijden -, het boek dat elk weldenkend mens al zo lang van plan is te lezen, maar niet leest.

De theorie waarmee zijn 1200 bladzijden dikke boek staat of valt, zegt dat de geschiedenis vaste ontwikkelingspatronen kent. Boven de eeuwig kabbelende Daseinsstrom verheft zich af en toe een cultuurgolf die binnen het tijdsbestek van ruwweg duizend jaar aanzwelt, tot een hoogtepunt komt en terugvalt in de stroom.

Culturen zijn organismen die hun ziel uitdrukken zoals dieren of planten telkens maar weer hun wezen uitdrukken. Elke cultuur heeft zijn eigen ziel. Spengler noemt dit das Schicksal van een cultuur waarmee hij niet zozeer aan noodlot denkt maar aan organische onvermijdelijkheid of innerlijke zekerheid. De geschiedenis van culturen is niet in wetmatige ketens van oorzaak en gevolg te vangen. De ouderdom volgt weliswaar noodzakelijk op de jeugd, maar de jeugd is niet de oorzaak van de ouderdom.

Culturen hebben geen doel; ze werken, modern gezegd, een programma af. Hoe verschillend hun ziel ook mag zijn, altijd volgt hun ontwikkeling dezelfde stadia. Iedere cultuur heeft zijn Luther, Napoleon en Voltaire. Boeddhisme, stoïcisme, islamitisch fatalisme en socialisme: ze drukken allemaal in hun stervende cultuur een laatste Weltstimmung uit.

Spengler onderscheidt acht volwaardige culturen in de wereldgeschiedenis, maar wegens het ontbreken van voldoende kennis over de andere, behandelt hij vooral de 'apollinische' Grieks/Romeinse cultuur, de 'magische' Arabische cultuur en de 'faustische' cultuur van het avondland die rond het jaar 1000 ontkiemde.

Spengler noemt onze westerse cultuur 'faustisch' naar de klassieke Faust-figuur die sinds Goethe staat voor het streven van het ik naar zelfvolmaking. De faustische cultuurziel reikt naar de hemel met de spitsen van kathedralen en de toppen van wolkenkrabbers, annexeert het verleden met Darwins afstammingsleer, heeft de natuur met wetenschap en techniek voor zich aan het werk gezet en claimt de toekomst als oneindige mogelijkheid tot expansie. Zij wil alles beheersen, doordringen en onderwerpen als geistiger Wille zur Macht.

Met de natuurwetenschappen probeert deze purschuim-cultuur zelfs God naar de kroon te steken. Desondanks doolt de wilskrachtige faustische ziel eenzaam en vol angst voor zijn vrijheid rond in een wereld waar de horizon eeuwig wijkt.

De bloeiperiode van de faustische cultuur lag volgens Spengler in de 16e, 17e en 18e eeuw. Kunsten en wetenschappen drukten nog oprecht het faustische levensgevoel uit. De verhouding tussen de standen en de verhouding tussen stad en platteland was nog verbonden met de eisen die het biologische leven daaraan stelde. Beschouwingen over Blut, Boden, Rasse en Krieg geven zijn beschouwingen hier een Hoogduitse kleur die na de Tweede Wereldoorlog een beetje pijn aan de ogen doet, maar er staat ook heel veel moois en erudiets tussen. Zóveel dat Spengler onbedoeld laat zien dat geleerdheid inderdaad niet meer is wat het geweest is.

Daarna, vanaf 1800, brak de vervalperiode aan die door Spengler als Zivilisation aangeduid wordt. Met civilisatie doelt hij op onechtheid, louter vorm, lege theorie, decadentie en op nog veel meer holle versieringen van het leven. Zijn beschrijvingen van de civilisatie-fase laten zich lezen als felle cultuurkritiek; en waar hij ontwikkelingen doortrekt treft die kritiek ook onze tijd pijnlijk onder de gordel.

Terwijl de expansiedrift alle grenzen overschrijdt, verstart de faustische cultuur van binnenuit. Alles is gedaan, alles is gedacht, alles is beleefd. Het geciviliseerde leven is louter nog een Ausdrück des Fertigseins. Omdat de westerse cultuur geen kracht meer in zichzelf heeft, zoekt zij haar overleving in uitbreiding over de hele wereld. Spengler zag schepen, vliegtuigen, telegrafische communicatie, genealogie en internationaal geldverkeer als bewijzen van deze drang naar uitbreiding in ruimte en tijd. Massaal gedrukte boeken hadden als faustisch Fernwaffen de gedachten van dode, toekomstige en vreemde mensen al met elkaar te verbinden. Kranten drongen tot nog meer mensen door.

Het is duidelijk dat de werkelijkheid van nu de verbeelding van Spengler overtreft. Vliegtuigen hebben de afstanden opgeheven en verplaatsen dagelijks hele volksstammen met hun air miles. Raketten spuwden de faustische ziel de ruimte in en brachten mensen op de maan. De telefoon maakte van de wereld een huiskamer. Via fax en computer-mailing ligt de post onmiddellijk in de brievenbus van de geadresseerde.

CNN en andere televisiestations leggen een verstikkende deken van onsamenhangende feiten around the globe en brengen via de satelliet life reportages over de eerste hamburgerconsumptie in post-communistisch Moskou. Naar het wereldkampioenschap voetbal keek de hele wereldbevolking. Het geldverkeer is met automatische giro-afschrijvingen, credit-cards en pincodes een abstracte onderneming in de ruimte geworden. Wie wel eens een archief heeft bezocht, treft daar louter vrijgestelden aan die via stamboomonderzoek hun persoon tot ver in het verleden wortels proberen te geven. Virtual reality en interactieve nieuwigheden dreigen de hele werkelijkheid tot boetseerklei te maken. Met cybersex kun je zelfs geen blauwtje meer lopen. Bij deze groteske uitvergroting van ondergangsverschijnselen vraag je je af of Spengler zich niet op de faustische zielskracht verkeken heeft. Want als dit kan, wat kan er dan nog meer en komt daar ooit wel een eind aan? Heeft de stervende ziel zichzelf in Taiwan bijtijds gecloond? Spengler toont lichte tekenen van een gebrek aan visioniare precisie bij zijn beschouwingen over wetenschap en techniek in het ondergaande avondland. Hij meende dat in 1900 de fysica al zijn hoogtepunt had bereikt! Daartegenover staat zijn juiste voorspelling van een kolossaal uitbreidend machinepark (Spengler dacht nog vooral aan stoommachines en niet aan de computergestuurde massaproduktie van vol-automatische wasmachines, grasmaaiers, cirkelzagen, vibrators), dat geheel gehoorzaamt aan de faustische wil. Sie zwangen der Gottheit ihr Geheimnis ab, um selber Gott zu sein. Techniek en medische wetenschap doen, zo voorzag Spengler, de wereldbevolking ongekend snel stijgen en de natuurlijke bronnen worden opgebruikt. De aarde bezwijkt onder de faustische consumptiezucht.

Treffend is ook de voorspelde Tyrannei des Verstandes, die in de faustische cultuur tot uiting komt in de cultus rond de exacte wetenschappen en de neiging alles causaal te verklaren en te voorspellen, ook wat zich daar geheel niet toe leent. Wie onlangs een achter zijn PC kromgetrokken 'psycholoog' arrogant hoorde verklaren dat de natuurwetenschappelijke methode ook de geheimen van de menselijke ziel zal ontsluiten voor de wetenschap, begrijpt waar Spengler het over had. Of denk eens aan de idioot precieze voorspellingen van het Centraal Planbureau en top-economen waar iedereen in blijft geloven terwijl ze altijd bijgesteld moeten worden.

Tegelijkertijd voorzag Spengler dat noch in diesem Jahrhundert de exacte wetenschap aan zijn eigen methode ten onder zou gaan. De kritische, nuchtere, wetenschappelijke houding roept uiteindelijk een onweerstaanbare religieuze tegenstemming op die het einde van de cultuur betekent.

Wetenschap en techniek (lees computer, robot, machines, kernenergie, medische wetenschap) worden meer en meer als slecht en duivels ervaren. De cultuur valt terug in een primitieve vroomheid die Spengler als Zweite Religiositüt typeert, ter onderscheiding van de oorspronkelijke, religieuze bron van onze cultuur. Daarna is het voorbij. De avondlandse wetenschap keert moegestreden in haar seelische Heimat terug. Het leven gaat zijn gangetje, het gras groeit, demonen heersen, bloemkoolblaadjes genezen kanker.

Anno 1995. De agressieve opmars van religieus fundamentalisme, de massaal aangehangen healing-rim-ram van Jomanda's en natuurgenezers, het virulente anti-intellectualisme in kringen van astrologen, paragnosten en handlezers, de Amerikaanse reli-industrie, de wereldwijde New Age-beweging, de groene afkeer van technologie en de afbraak van universiteiten als centra van kritisch, onafhankelijk denken: je zou zeggen, het kan niet lang meer duren of de nieuwe middeleeuwen breken inderdaad aan.

Een vast element in de civilisatiefase van elke cultuur is volgens Spengler de opkomst van wereldsteden. In de wereldsteden zingt de cultuur zich definitief los van de biologische basis op het platteland; alles wordt daar kunstmatig, louter vorm, abstract en van steen. In de wereldsteden heerst de macht van Geist und Geld. Op den duur zien ze er allemaal hetzelfde uit. De met miljoenen samengepakte inwoners die als los zand aan elkaar hangen, gaan er aan stress, amusement, zedelijke verwildering, individualisering en relatie-getob (mede door das emanzipierte Ibsen-Weib) ten onder. Je kunt er een adequate schets van het huidige grote-stadsleven in lezen, maar Spengler schiet ook een paar aardige bokken. Hij voorspelde onvruchtbaarheid in de grote decadente steden. Dat homosexualiteit, vrouwenemancipatie en voorbehoedsmiddelen tot kinderloosheid op grote schaal hebben geleid, bevestigt dat enigszins. Maar dat uitgestorven wereldsteden als lege steenmassa's boven het na-faustische landschap uit zouden torenen, was een grote misser. Alleen wereldwijde gif- en kernrampen kunnen hem nog gelijk geven, want Spengler voorzag niet dat de auto en een gigantisch wegennet het mogelijk zouden maken op het land te leven en in steden te werken. Hij voorzag geen massale immigratie vanuit de derde wereld en al helemaal niet de multiculturele smeltkroes die elke overbevolkte westerse wereldstad nu is.

In de wereldsteden komt het geciviliseerde politieke leven tot een laatste faustisch hoogtepunt. In de 19e eeuw had daar de burgerstand, in Spenglers termen de Nichtstand, al de adel en zijn mooie tradities verdrongen. Zwevende wereldverbeteraars, wereldvreemde socialisten en dromerige pacifisten kraaiden er hun theoretische onzin rond. Spengler overlaadt ze met hoon, maar vitriool bewaart hij voor zijn schets van de amorfe massa die in zijn tijd merkbaar aan invloed wint. De massa beschouwde hij qua stand als das Ende, das radikale Nichts. Het geld zou in de wereldsteden via de democratie een perfide macht uitoefenen over die kneedbare massa. Algememe verkiezingen, persvrijheid, de publieke opinie zag hij als evenzoveel instrumenten in dienst van het geld. De pers zou als geistige Artillerie de massa elke gewenste overtuiging weten aan te praten. Was sie will, ist wahr. De pers zegt de publieke opinie te verspreiden, maar in feite vormt zij die op agressieve wijze. Enorme verkiezingscampagnes laten die massa achter elke gewenste partij aanlopen.

Het parlement zag Spengler als het voorstadium van een terugkeer naar de strijd tussen belangengroepen, die met geld, economische druk en stakingen de beslissingen proberen af te dwingen. Het parlement zou verworden tot een democratische façade waarachter in kapitaalkrachtige privé-kringen de echte beslissingen worden genomen. En nu wist Spengler nog niet eens wat multinationals, electorale televisiecampagnes, opiniepeilingen, pressiegroepen en hoog georganiseerde belangengroepen waren. Hij kende Reagan en Berlusconi niet. Watergate moest nog komen.

Spengler was natuurlijk een erudiete, verbitterde conservatief die een republiek louter als een Nichtmonarchie wenste te zien. Je kunt zijn opvattingen gemakkelijk van de hand wijzen en de huidige situatie bij voorbeeld als een fase in de vervolmaking van de democratie zien, die al door de Grieken werd ingezet. Zijn zeer omstreden organische geschiedenisopvatting is zo bezien weinig meer dan een poging het eigen reactionaire gelijk als een historische noodzakelijkheid voor te stellen. Maar toch: welke democraat voelt zich niet ongemakkelijk bij zijn voorspelling van de parlementaire en politieke verwording? Ik wel, want het is waar en je kunt er niets aan doen.

Spengler voorspelde dat op de puinhopen van de Eerste Wereldoorlog de partijdemocratieën door dictaturen vervangen zouden worden. Hij voorzag het uiteenvallen van statenbonden en een ontlading van de faustisch opgevoerde spanning in botte, ideologieloze machtsoorlogen tussen nationale beroepslegers. Sie sind für den Krieg da und sie wollen ihn. Wetenschap en techniek komen volledig in dienst van het oorlogvoeren te staan en de massamedia fungeren als grote aanjagers. Het geloof in welke sociale theorie of ideologie dan ook zou verdwijnen. Het recht van de sterkste keert terug. Hij voorzag, zelfs met enige trots, dat Duitsland bij de definitieve ondergang een leidende rol zou spelen. Het lijkt alsof Spengler de Tweede Wereldoorlog inderdaad scherp zag aankomen, zij het dat die oorlog bepaald niet ideologie-loos was. Hij voorzag niet (maar wie wel?) dat er in plaats van eeuwen cultuurloos vegeteren na de oorlog juist een tweede Gouden Eeuwtje zou aanbreken. Toch zijn er in onze tijd weer veel ontwikkelingen die Spengler alsnog lijken te ondersteunen. De val van ideologieën, de high-tech CNN-oorlog in De Golf, de wilde machtsoorlogen in Joegoslavië en Rusland, de terugkeer van eng nationalisme, het wankelen van de statenbonden (VN, Navo, EG, USSR, GOS), de opkomst van beroepslegers. Het is 'de zwaarste periode' in de geschiedenis van een hoge cultuur. Dat schreef Spengler over onze tijd. Zo hoor je het ook eens van een ander.

Maar wat somber allemaal! Gelukkig hebben we de kunst nog als troost. De kunst? De kunst had in de visie van Spengler al in de l9e eeuw zijn laatste hoogtepunten gekend. Kunst maken is daarna een gewoon beroep geworden. Wat in de civilisatiefase overbleef waren volgens hem maniertjes, stijltjes, loze vorm, mode. De ziel is eruit. Die innere Notwendigkeit fehlt. De kunstenaar van tegenwoordig 'ontwerpt' wat vroeger gewoon uit het hart kwam. Literatuur verwordt tot oppervlakkig Feuilletonismus en Weltliteratur die iedereen smaakt en daarom geen smaak meer uitdrukt.

Gelukkig schrijf ikzelf nog mooie, warme, inhoudsrijke boeken. Maar dat kon Spengler niet weten.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden