ONDER NACHTGEWOLKTEN VERWARD TREURSPEL

Het Nationaal Monument op de Dam wordt gerestaureerd. Er gaan stemmen op om het monument ingrijpend te veranderen. Het is lelijk, het past niet op de Dam, de pyloon doet aan iets anders denken en de tekst op de urnenmuur is onbegrijpelijk. Afbreken, zegt de kunstenaar Jan Dibbets. Reden om het werk van Rüdecker en Oud van dichtbij te bekijken. En aanleiding om de tekst van Roland Holst weer eens te lezen. “Moet een monument wel prachtig zijn? Is niet juist een monument de plaats waar je je even verlost mag voelen van de twee vragen waar onze hele samenleving de rest van de dag op draait: wat wil ik en wat vind ik?”

MARTIN REINTS

Voor de zoveelste maal is er een soort debat over het monument aangezwengeld. In een opvallend artikel in NRC Handelsblad van 27 februari stelt de beeldend kunstenaar Jan Dibbets een ingrijpende verandering van het monument voor. 'Haal de halfronde muur maar weg, verwijder de top van de zuil en maak het beeld van moeder en kind vrijstaand,' oppert Dibbets, die onder andere faam verwierf met zijn zogeheten perspectiefcorrecties en een ontwerp voor nieuwe glas-in-loodramen voor de kathedraal van Blois. Met zijn voorstel zou je, meent hij, twee vliegen in één klap slaan. Want niet alleen past het huidige monument niet op de Dam, het is ook niet menselijk genoeg. Hij lanceert dit voorstel nadat Rudi Fuchs, directeur van het Amsterdamse Stedelijk Museum, eind december en begin februari alvast een paar voorzetjes had gegeven in zijn rubriek in Het Parool. En als twee zulke belangrijke figuren uit de kunstwereld met een idee komen, dan wordt dat serieus genomen. Dus dan volgen er een hele serie columns en ingezonden brieven en heb je een nationaal debat.

'Er is vast geen normaal mens in Nederland die dit een prachtig monument vindt,' zegt Dibbets. Dat stemt tot nadenken. Vind ik het een prachtig monument? Ik merk dat ik me dat nooit heb afgevraagd en besef dat ik het monument inderdaad niet prachtig vind. Gelukkig! Anders was ik geen normaal mens geweest. Maar vind ik het lelijk? Vind ik het niet menselijk genoeg? Als ik over deze opgedrongen vragen probeer na te denken, blijk ik geen antwoord te hebben. Moet een monument wel prachtig zijn? vraag ik me vervolgens af. Onttrekt een goed monument zich niet aan een schoonheidsoordeel? Is niet juist een monument de plaats waar je je even verlost mag voelen van de twee vragen waar onze hele samenleving de rest van de dag op draait: wat wil ik en wat vind ik?

Maar wat vindt Dibbets dan? 'Het mist waardigheid. Sterker nog, er kunnen grappen over gemaakt worden. De hoofdvorm deugt niet: de zuil, die pik, is toch hopeloos.' De beelden van John Rüdecker, een van de grootste beeldhouwers van zijn tijd, vinden in Dibbets ogen nog wel genade: 'De beelden zijn door symboliek en uitvoering misschien wat ouderwets, maar in hun soort heel geslaagd. Vooral het beeld van de moeder is erg mooi. Door de zuil is het nu bijna onzichtbaar.' Het redeneert altijd prettig, de twee-vliegen-in-één-klap-oplossing. Want met het afzagen van de pyloon ben je van die hopeloze pik af èn je hebt een platformpje voor het beeld van de moeder met het kind. Dat het afzagen van een pik moeilijk enige waardigheid kan geven aan wat er vervolgens van overblijft, dat is misschien net te veel doorgedacht.

De af te zagen pyloon is ontworpen door J. J. P. Oud, de architect die in de jaren twintig naam maakte met de Kiefhoek en café restaurant De Unie in Rotterdam. De pyloon is 22 meter hoog en hij staat in het middelpunt van zes brede cirkeltreden. Oud heeft daarover gezegd: 'Ik heb die treden rondom de pyloon ontworpen om een waardige overgang te vormen van het gewone leven naar de meditatieve stemming.'

De beeldengroepen van Rüdecker zijn tegen deze zuil geplaatst: de vier mannenfiguren die de oorlog symboliseren, links en rechts daarvan twee mannenfiguren met huilende honden, het verzet, en de vrouw met het kind, net als de omhoog vliegende duiven zinnebeeld van de vrede. Op de dag dat de vrouw met kind tegen de pyloon werd aangebracht, stierf Rüdecker. De twee leeuwen voor het monument werden door zijn zoon Jan Willem gemaakt.

Achter de zuil staat een halfronde wand, waarin elf urnen zijn geplaatst met aarde uit de provincies en een met aarde uit Indonesië. Deze urnenmuur is eigenlijk een voortzetting van het Voorlopige Nationaal Monument dat op die plaats werd ingewijd op 13 december 1947, een bakstenen colonnade van architect A. Komter en ingenieur B. J. van der Steur. Net als de pyloon heeft de urnenmuur veel kritiek opgeroepen. Direct na de onthulling op 4 mei 1956, zo schrijft Jan Wolkers in zijn Zwarte bevrijding (1995), werd er op de academie stevig over gediscussieerd. De kritiek van Wolkers: 'De vrij plompe halfronde muur (...) beperkt de ruimte van het plein, en dat is het slechtste dat een beeldhouwer kan doen.'

Van Dibbets moet ook de urnenmuur weg. De muur is 'beeldend gezien (...) een dodelijke gedachte' en niemand zal volgens hem de 'idiote tekst' missen die in de urnenmuur is gebeiteld. Die 'idiote tekst', in een prachtige letter van Jan van Krimpen, is van A. Roland Holst - de dichter die toentertijd uitsluitend met eerbied en ontzag werd tegemoetgetreden, maar wiens 'Tekst voor het nationaal monument op de Dam' ook al sinds de onthulling tot heftige reacties leidt. Er zijn twee soorten kritiek: op de veronderstelde onbegrijpelijkheid en op de inhoud, voor zover men die dan meende te begrijpen.

Willem Frederik Hermans sprak van 'zeeslangentaal': 'Dit taaleigen, dat met geen enkele soort Nederlands uit geen enkel tijdperk verband houdt, zou men buitentijdelijk mogen noemen, wanneer het niet de gewoonte was aan het buitentijdelijke eeuwigheidswaarde toe te kennen. Heeft deze tekst van A. Roland Holst eeuwigheidswaarde? Ik hoop het niet.'

Bovendien vroeg de eertijds gevreesde Hermans zich af: 'Wat heeft A. Roland Holst's afgesabbelde metafysische vrijheid te maken met het verzet tegen bloeddorstige indringers waaraan het monument gewijd is? Niets. Ik pink een traan weg, als ik constateer dat er op dit monument geen rekening gehouden is met degenen die, zonder aan een boven de wereld heersende geest te geloven, toch tegen het nationaal-socialisme hebben gestreden.'

Harry Mulisch ging er prat op dat hij de enige was die de tekst op het monument ooit in zijn geheel had gelezen. Hij sprak van 'hautaine, van verachting getuigende onzin'. Victor van Vriesland meende: 'Hier had geen litteratuur moeten staan die in de eerste plaats litteratuur is, maar een voor ieder begrijpelijk, diep menselijk woord. Dat de dichter Roland Holst zo weinig gevoel voor de voorbijganger heeft gehad, dat hij heeft geweigerd, voor één keer - goed, uit zijn erkende en bewonderenswaardige hoogte, maar dan toch tót hen, dus zo begrijpelijk mogelijk voor de eenvoudigen, - te spreken, is rondweg harteloos te noemen en een treurig blijk van de versplintering van onze cultuur.' Prof. dr. S.U. Zuidema van de Vrije Universiteit vond dat Roland Holst de calvinistische verzetsstrijders miskende: de tekst getuigt van een atheïstisch humanisme en behelst een beknopte catechismus van de moderne mens, die zijn leven in deze zinloze wereld een zin wil geven door in zichzelf te geloven.

Wolkers heeft er wel een zwak voor: 'Die tekst (...) kende ik indertijd uit mijn hoofd en ik ken hem nog steeds uit mijn hoofd. Over die tekst is toen nogal wat beroering ontstaan. Uit de tobbe der domheid werden er emmers benedenmaatse kritiek over uitgegoten. Men vond het wartaal, onbegrijpelijk.' En in een reactie op het soort kritiek als van Zuidema wijst hij erop dat 'er nota bene sprake van is dat GEEN MENS VRIJ IS DAN ONTBODEN VAN BOVEN ZIJN DAK, GEEN VOLK DAN BEHEERST VAN BOVEN ZIJN TORENS. Het lijkt me toch onweerlegbaar dat hier sprake is van een goddelijke of bovenaardse macht.' Dat die God 'geen weet heeft van het huisadres van Calvijn' ligt volgens Wolkers voor de hand: het gaat in de Bijbel om een wezen of oerkracht die een verterend vuur is voor degenen die Hem van aangezicht tot aangezicht aanschouwen.

Een door zijn onverhulde enthousiasme bijna ontroerende verdediging en uitleg voor middelbare scholieren schreef dr. H. G. van den Doel in zijn Creatief gedichten lezen (1968). Hij geeft een demonstratie van de toen in zwang geraakte close-reading: een poging tot tekstinterpretatie waarbij het alleen om de tekst en niet om iets anders gaat. Daarbij gaat hij naar mijn idee wel wat ver als hij in het woord ERTS de mogelijkheid van een toespeling ziet op de oorlogsfabriek van Krupp en in AREND op het symbool van het Derde Rijk, de adelaar - maar het is zeker een kwaliteit van Roland Holst dat zijn tekst zich niet verzet tegen zulke interpretaties. Hoe dan ook, het is een verademing iemand aan het werk te zien die de tekst gewoon eens leest, met het toch niet zo heel krankzinnige uitgangspunt dat je die tekst serieus zou kunnen nemen.

Een belangrijke sleutel tot het denken van Roland Holst zoals zich dat na de oorlog ontwikkelde, wordt geboden door twee taaie maar belangwekkende beschouwingen: 'De twee planeten' uit 1947 en 'Van erst tot arend' uit 1948. Roland Holst meent dat de mens, al maakt hij deel uit van de natuur, van het begin af ook buiten de natuur stond. Wat de mens wezenlijk onderscheidt van de dieren, de planten en de delfstoffen, is 'het persoonlijk bewustzijn, het persoonlijk en bewust deel hebben aan het leven van den geest'. Daarin is de mens anders dan erts, al kan hij even ondoorgrondelijk en ingekeerd zijn. En daarin is hij anders dan de arend, al kan hij daar zijn drift gemeen mee hebben.

In de loop der jaren is Roland Holst naar eigen zeggen tot de overtuiging gekomen 'dat de geest in het menselijk wezen streeft naar de vervulling van een andere planeet, een geheime planeet, waarin de planeet, die wij lichamelijk bewonen, zou zijn herhaald, doch bovennatuurlijk herhaald, verheerlijkt tot wat men in een bovennatuurlijken zin van dat woord dan inderdaad een hemellichaam zou kunnen noemen'. Een glimp van die verheerlijkte planeet vang je op als je je aandacht schenkt aan de Griekse cultuur, waarvan de hoogste voortbrengselen het verhevene herbergen. Mij lijkt dat het in het slot van de tekst voor het monument over die andere planeet gaat. De andere planeet ontbiedt het individu VAN BOVEN ZIJN DAK en beheerst de samenleving VAN BOVEN ZIJN TORENS.

De tekst van het monument komt neer op een waarschuwing dat de mens moet blijven streven naar de vervulling van iets wat hier bovennatuurlijk heet, wil hij niet zo vastzitten aan de aardse beperkingen als erts en arend, ofwel als de rest van de natuur. De mens kan dat doordat de geest hem die vrijheid geeft. Het middenstuk van de tekst is een beschrijving van wat er gebeurt wanneer de mens die vrijheid niet neemt: dan onderwerpen de individuen zich aan de wetten waaraan het gesteente en het gedierte ook zijn onderworpen, en gaan ze op in volkeren die elkaar naar het leven staan.

Roland Holst legt in deze beschouwingen ook uit hoe het naar zijn inzicht komt dat de volkeren elkaar naar het leven staan. De geest streeft naar de verheerlijkte herschepping van de natuur, maar daarnaast ook naar een beheersing van die natuur. De resultaten van dit streven wakkeren de gevaarlijkste eigenschap van de mens aan, namelijk de begeerte naar macht. Een belangrijke rol in deze twee beschouwingen van zo kort na de oorlog speelt het pessimisme dat wordt ingegeven door de ontwikkeling van de atoombom: 'Het einde (...) dat thans velen, bevangen door de wereldangst, in zicht krijgen, betekent niet een verlossing van den Mens uit de historische wereld, doch zijn vernietiging mèt die wereld.' In de tekst op het monument wordt dan ook meer herdacht dan de oorlog en de bevrijding.

Wat Roland Holst met zijn tekst eigenlijk heeft te zeggen is op zichzelf misschien niet opzienbarend. Het stelt mogelijk teleur wanneer je achter de wat cryptische formuleringen een verrassende kijk op de werkelijkheid had vermoed. Die teleurstelling blijkt uit de woorden waarmee Hermans de tekst samenvat: 'Ontdaan van zeeslangidioom, komt de boodschap hierop neer: geest is iets anders dan stof, geest is vrij, stof niet. Dieren en mineralen hebben geen deel aan de geest. De mens kan slechts vrij zijn door zich te onderwerpen aan de geest. (Let op de paradox, vrienden!) Deze geest bevindt zich boven de wereld, hij heerst boven uw dak, en boven uw torens. Daarmee uit.'

Ja, misschien is het afgesabbelde metafysica, maar toch geen onbegrijpelijke onzin. De kracht van de tekst ligt natuurlijk in zijn formulering. De taal van Roland Holst is formidabel. Alleen al de openingszin: het grootse gebaar waarmee Roland Holst eerst wijst naar het gesteente dat in de aarde verborgen is, vervolgens naar de adelaar die onder de zon vliegt, dan naar de zon zelf, en dan naar de kosmos - de zin zelf is al een monument. En dan de onvergetelijke uitdrukking ONDER NACHTGEWOLKTEN VERWARD TREURSPEL DAT WERELD HEET. De bevrijding uit de Tweede Wereldoorlog die Roland Holst de verlossing noemt UIT HET SCHRIKBEWIND VAN EEN ONDERWERELD.

De literatuur van onze tijd is geen verdere uitwerking van wat Roland Holst heeft ontwikkeld. Daardoor bestaat de neiging hem terzijde te schuiven. Voor ons zijn Nijhoff en Van Ostaijen belangrijker. Maar misschien ligt daarin juist ook wel de bekoring die van de tekst op het monument en van het monument zelf uitgaat. Het zijn wonderlijke tekens uit een andere tijd, toen de schok van de oorlog nog volop voelbaar was en de angst voor de Bom de hele wereld beheerste. Mij stoort hun aanwezigheid op de Dam niet, omdat hun aanwezigheid vanzelfsprekend is geworden.

Het verbaast me dat iemand zich druk maakt over het monument als iets wat niet zou passen op de Dam. Wat op de Dam niet past, zijn de potsierlijke, meer dan levensgrote kitschbeelden waarmee Madame Tussaud de gevel van het Peek & Cloppenburg-gebouw kapot maakt - maar daar hoor je niemand over. En wat niet op de Dam past zijn die grote reclamelappen die het Paleis en de Nieuwe Kerk ontsieren en de namaak-lantaarnpalen die de blik op het Damrak en het Rokin verstoren. Ik las dat D66 in ernst het idee oppert om een gigantisch terras op de Dam te zetten. Voeg daar de kermissen, de jaarlijkse beach-volleyballparty en het AIDS-diner aan toe, en vraag je dan nog eens af of het monument menselijk genoeg is.

Dibbets zegt: 'Al 25 jaar denk ik als ik er langs loop: pik eraf, beeld erop, muurtje weg en klaar is kees.' Voor de goede orde voegt hij daaraan toe: 'Misschien maak ik me belachelijk door me hier over op te winden. Maar als kunstenaar ben je verplicht je mond open te doen.' Nu zijn het niet de allergrootste kunstenaars die zichzelf kunstenaar noemen, en mensen die het als hun plicht zien zich belachelijk te maken, nemen zichzelf wel wat al te serieus. Maar het moet gezegd dat Dibbets niet op de cent is: hij biedt volgens het opmerkelijke artikel zijn plan belangeloos aan de gemeente aan.

Ik geloof dat de gemeente dit idee van Dibbets niet moet overnemen, ook al is het gratis. Met gelijke belangeloosheid adviseer ik: haal die malle beelden van Madame Tussaud van de gevel, verwijder die reclamevaandels, sloop die lantaarnpalen en hou de Dam vrij voor het gewone verkeer en de voetgangers. En inderdaad, onderhoudt het monument.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden