Onder een hemels baldakijn

Pieter Bruegel de Oude (ca.1520-1569), 'De volkstelling te Bethlehem', 1566. (RIJKSMUSEUM, AMSTERDAM) Beeld
Pieter Bruegel de Oude (ca.1520-1569), 'De volkstelling te Bethlehem', 1566. (RIJKSMUSEUM, AMSTERDAM)

Het protestantisme als een kaal, intellectualistisch, moralistisch geloof – kan dat niet anders? Jawel, schrijft Lodewijk Dros, voor wie de orthodoxie te stellig, en de vrijzinnigheid te mager is. Protestantse mystiek bestaat.

Lodewijk Dros

Wie zeggen de mensen dat ik ben? De vraag is van Jezus, gesteld aan zijn discipelen. Voor het antwoord kun je de passage erop naslaan – en dan kom je tot een verrassend inzicht. In de oudste tekst, die van Marcus, zegt Petrus: „U bent de Christus.” In zijn taal zal dat wel ’Messias’ geweest zijn. In het evangelie van Lucas, een paar jaar later geschreven, is het antwoord al minder compact. Daar voegt Petrus eraan toe: „U bent de Messias van God.” En evangelist Mattëus doet het nog uitgebreider: „U bent de Messias, de zoon van de levende God.”

In een paar jaar tijd is de tekst in omvang verdubbeld. En nu, twee millennia verder, heb je hele bibliotheken nodig om de gegeven antwoorden te herbergen.

Mij gaat het nu niet om die antwoorden, maar om de vraag. Wie zeggen de mensen dat ik ben? Jezus’ vraag lijkt op het eerste gezicht een zoektocht naar zijn identiteit – typisch modern, natuurlijk. Maar als je ziet hoe de antwoorden zijn vermiljoenvoudigd, dan kun je de vraag ook anders lezen: wie zijn die mensen die Jezus’ vraag beantwoord hebben?

Het mooie is dat ieder antwoord onthult wie zij zijn.

Mij lukt het niet een simpel antwoord te formuleren. Maar ernaar zoeken, dat kan wel, liefst in de directe omgeving – voor mij is dat het protestantisme. Dat is nooit zuinig geweest in het leveren van antwoorden, maar mij kunnen de meeste niet bekoren. De orthodoxie is me te stellig, de vrijzinnigheid te mager en de alom als uitweg gewezen ervaring verdampt zodra het zoveelste event voorbij is.

Er moet een alternatief zijn: mystiek. Maar dat is buiten de veste gebleven die protestantisme heet. Zou het kunnen, protestantse mystiek?

Helemaal onontgonnen terrein is het niet. Om het wat verder in kaart te brengen, moet ik eerst op zoek naar het geboorte-uur van het protestantisme – en dus naar het katholicisme waaruit het is ontstaan.

„Wie zeggen de mensen dat ik ben?”, was ook wat Pieter Bruegel de Oude zich eeuwen geleden afvroeg. Hij schilderde ’De volkstelling te Bethlehem’ in 1566, het jaar dat de confrontatie tussen katholieken en ketterse calvinisten een hoogtepunt bereikte. Het was het jaar van de Beeldenstorm, maar in dit schilderij heerst de geest van de Middeleeuwen nog ongeschokt.

De schilder stond bij zijn tijdgenoten niet hoog aangeschreven. ’Vieze Pieter’ noemden ze hem, ’Peer den Drol’. Hij schilderde het alledaagse leven in een Brabants dorp, een herberg met het wapen van Karel de Vijfde erop, en met Spaanse belastinginners. Wie wat wil weten over het Vlaanderen van die dagen heeft hier een goudmijn. Maar waar is Jezus? Die is er niet. Nog niet. Zijn vader staat ergens in het midden, een schrijnwerkerszaag bij zich, want dan kon hij onderweg klussen, zijn moeder zit op een ezel.

Over Jezus’ tijd zegt het schilderij niets, over de mensen die over hem nadachten alles: Jezus hoort bij ons, hij is een van ons, en wij gaan net zo onder in de massa als de vrucht van de schoot van de heilige Maagd. Geloven is iets voor ons allemaal, naar de kerk ga je niet vaak – de onkerksheid van toen doet in zekere zin denken aan die van nu – en het wij staat voorop. Wij leven in de schoot van de moederkerk.

Dit was het alledaagse leven in een Brabants dorp anno 1566. Het was de normale mystiek van die dagen: mensen woonden in een door geesten en krachten, door bovennatuurlijkheid bepaalde, betoverde wereld, onder een hemels en ongescheurd baldakijn.

Even onbedoeld als onvermijdelijk beukte de Reformatie barsten in dat gewelf.

„Hier sta ik, ik kan niet anders”, moet Maarten Luther hebben gezegd. De augustijner monnik wilde de rooms-katholieke kerk hervormen, maar vond zichzelf na jaren terug als aanstichter van een scheuring. Ook het rijk van Karel de Vijfde, zoals dat bij Bruegel nog te zien was, begon scheuren te vertonen. De kerk versplinterde, de staat versplinterde, en er was nog iets wat versplinterde: het ’wij’.

De Reformatie was een beweging die van de gelovigen individuen maakte – en het was de tijdgeest die dat ingaf. Renaissance en Reformatie hingen samen. De Renaissance greep terug op de klassieken, Luther deed hetzelfde met zijn bijbelvertaling. Zélf lezen, niet gehinderd door een kerk die dat voor je doet. Zelf geloven, niet via een instantie, een priester die dat namens jou doet. Jij staat alleen voor God. Zelfreflectie kwam op – het is iets wat Calvijn heeft benadrukt: hoe staat het met míjn verhouding tot God? De Reformatie was de emancipatie van het ik.

Neem de grote componist Johann Sebastian Bach. Hij schreef in de achttiende eeuw zijn beroemd geworden cantates, met als een van de hoogtepunten de Matthüuspassion. Het bekende verhaal van het lijden en sterven wordt onderbroken door recitatieven, aria’s en koralen. Daarin reflecteert de componist op de geschiedenis met teksten van de mystieke auteur Picander. Bach schreef zo zijn luisteraars, schreef zichzelf de tekst in. Een verhaal uit oeroude tijden maakte hij actueel door er middenin te gaan staan.

Dat is een mystieke trek: dat je, al is een tekst eeuwenoud, de tekst, de gebeurtenis, de emotie op jezelf betrekt. In de Nederlandse traditie bestaat dit ook. Jacob Revius dichtte: ’t En zijn de Joden niet, Heer Jesu, die U kruisten, [...] Ik ben ’t, o Heer, ik ben ’t die U dit heb gedaan.

Wat bij Revius de kruisiging is, is bij Bach de graflegging. We weten uit de evangelieteksten dat Jozef van Arimathea Jezus heeft helpen begraven, dat diens lichaam werd verzorgd. Maar Bach schuift zichzelf tussen die treurende personages en laat zingen: Ich will Jesum selbst begraben. Ik. Zelf.

Ook bij Jezus’ geboorteverhaal wringt Bach zich tussen herders en wijzen uit het Oosten, als een extra, misschien zelfs het beslissende personage. ’Ik kniel aan uwe kribbe neer’, kennen wij. Het Duitse orgineel (’Ich steh an deiner Krippe hier’) gaat veel verder. Bach schreef de muziek op een tekst van Paul Gerhardt (1607-1676). De tekst heeft het niet integraal gehaald in het Nederlandse Liedboek. Wij kennen die in soberder vorm, alsof Mondriaan een romantisch schilderijtje onder handen heeft genomen. Het oorspronkelijke gedicht was, las ik in een toelichting, ’teder en innig’, maar voor een hedendaags kerkelijk gezangboek zou het ’storen’. Wij kunnen niet meer zo goed tegen dat poëtische piëtisme.

Nu vind ook ik de oude tekst mierzoet, maar door de al te nuchtere bewerking die het Liedboek heeft gehaald ontgaat ons wél iets intens mystieks. Gerhardt dichtte over de kribbe van Jezus: So lass mich doch dein Kripplein sein; komm, komm und lege bei mir ein. Ofwel: Ik ben je zachte kerstnachtwieg; kom liggen diep in mij, kom, lief.

Hier komen veel mystieke lijnen samen. De ware betekenis van een bijbelverhaal, of van een dogma, ligt niet in de historische juistheid, in de letterlijkheid, maar in de rol die het voor mij speelt, of, beter gezegd, voor de rol die ik er zelf in speel. Ik wil Jezus zelf begraven. Ik wil zelfs Jezus’ kribbe zijn. Zo intiem, zo direct.

Het mystieke verlangen wordt bijna lichamelijk en scheert rakelings langs de seksuele begeerte. De mystiek, ook de protestantse, draagt dat gewaagde karakter al eeuwen in zich mee. Dat is niet zo vreemd, want mystiek en erotiek zijn halfzusters.

In zijn megaseller ’Knielen op een bed violen’ beschrijft Jan Siebelink hoe zijn vader in de ban komt van een predikant – in werkelijkheid ds. J. P. Paauwe. Het verhaal speelt zich af in de twintigste eeuw, maar het had ook rond 1650 kunnen zijn. In de roman is sprake van een soort mystiek die we tegenwoordig gek vinden, ziek zelfs. Siebelink senior was geraakt door wat we de Nadere Reformatie zijn gaan noemen, een stroming die we nu kennen binnen de zwartekousenkerken. Het ’ik’ speelt er een grote rol in, want dat moet gered worden. Angst is ook een wezenskenmerk. Niet ten onrechte, want maar een paar mensen zijn door God uitgekozen en gaan naar de hemel.

Ik, angst en uitverkiezing – en de meeste van deze is de uitverkiezing. Tot op de huidige dag is de innigheid, de vroomheid die daarbij hoort, voelbaar. ’Bevindelijk gereformeerd’ noemen de gelovigen het zelf, het draait om de ervaring. En dan niet op z’n EO’s, maar via een soort goddelijk stappenplan. Als je daar niet aan voldoet, dan ben je niet bekeerd – al wil je nog zo graag. Dan wacht je de hel, het geween en het knersen der tanden.

Orthodox-protestantisme en mystiek zijn vaak water en vuur geweest. Het naderen van het goddelijke was voor de mens niet weggelegd. Die was immers geneigd tot alle kwaad en niet in staat tot enig goed. Mystiek was iets voor katholieken, en dat was dan weer geen aanbeveling. Wat protestantisme en het officiële katholicisme gemeen hadden, was argwaan jegens mystici. En terecht: mystici zijn onafhankelijk van autoriteit en leergezag, ze vallen niet onder Rome of Dordt, niet onder katholieke of Heidelbergse catechismus.

Maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Zelfs in de rechtzinnigste kringen zochten mensen de verborgen omgang met God. Wie nu de teksten leest van de gereformeerde Gerhard Tersteegen, of van populaire bevindelijke auteurs, kan niet anders concluderen dan dat het mystiek bevlogen geesten waren. Het eigenlijke hoofddoel van God, schrijft Tersteegen in de achttiende eeuw, is dat Hij ons „naar Zichzelf toeleidt, zodat we in Jezus Christus innig met hem gemeenschap hebben”.

Dergelijke mystici hadden het overigens wel zwaar te verduren. Mensen die in het protestantisme voedsel zochten voor een mystiek verlangen, werd het niet eenvoudig gemaakt. Neem de gewezen evangelist en gesjeesd theologiestudent te Nuenen, die het later ver zou schoppen als schilder. Vincent van Gogh schrijft ergens: „Je hebt een groot vuur in je ziel, maar niemand komt zich er ooit aan warmen en de voorbijgangers zien alleen wat rook boven uit de schoorsteen komen en lopen door.” Voor mystici als Van Gogh was nauwelijks plaats.

Abraham Kuyper heeft daar niet weinig toe bijgedragen. Hij bracht het intellect terug in de kerk, en maakte van het gereformeerde calvinisme een compleet doctrinair systeem: zorgvuldig opgebouwd, een geheel van ideeën en beschouwingen. Ik vind dat nog steeds imponerend, het is rationeel en erudiet. Maar het bleek in zijn grootsheid ook eenzijdig.

Aanvankelijk stond het systeem als een huis. Kuyper hielp de kleine luyden aan een universiteit, een krant, een kerk, een partij, een overzichtelijke waarheid. Hij gaf ze de schoonheid van een gedeeld geloof, met vragen en antwoorden die je uit het hoofd kon leren, met een vanzelfsprekendheid als leefden ze nog in de dagen van Pieter Bruegel de Oude.

Kuypers zuil is als een kaartenhuis ingestort. Het was een kwetsbaar en inmiddels uitgewoond gebouw. Hij had de ratio op de troon gezet, al dacht hij daar zelf anders over, maar met de secularisatie is het cement geleidelijk uit de muren van zijn neocalvinistische paleis weggespoeld.

Willem Keuning, de grootste dichter op het protestantse erf uit het interbellum, koos voor zijn poëzie een pseudoniem – Willem de Mérode. Dat was een succesvol merk, dat de drager niet wilde schaden. Zodoende koos hij voor zijn mystieke werk een andere vermomming – Joost van Keppel, een naam die hij hardnekkig bewaakte. Hij wist dat hij grensoverschrijdend gedrag vertoonde, want mystiek is niet eenkennig. Protestante mystici putten graag uit katholieke bronnen, al zullen ze sommige roomse gerechten laten staan. Ook Joost van Keppel wist dat zijn mystieke aandriften duidelijk rooms-katholiek gekleurd waren. (Voor één aandrift vond de gereformeerde onderwijzer Keuning geen schuilnaam: zijn jongensliefde. Die onderdrukte hij niet. Het kostte hem uiteindelijk als veroordeeld knapenschender maatschappelijk de kop.)

Willem de Mérode was een uitzondering. In de duizend pagina’s ’Encyclopedie van de Mystiek’ (2003) en ook in ’Christelijke mystici’ (2009) vind je nauwelijks protestanten, laat staan lévende protestantse mystici. De Duits-Amerikaanse theoloog Paul Tillich had gelijk toen hij zei dat het protestantisme „een antimystiek systeem van morele geboden werd waarvan de specifieke religieuze basis, de aanwezigheid van de Geest van God in onze geest, werd veronachtzaamd”.

Protestantisme als een kaal, intellectualistisch, moralistisch geloof – kan dat niet anders? Jawel. Ik kan twee voorbeelden geven uit eigen land. Levende zelfs.

Jean-Jacques Suurmond is therapeut, predikant, en columnist van deze krant. En mysticus. Wat doet een mysticus? Die verlangt naar eenwording met God, schrijft hij doodleuk in een van zijn columns. Hij portretteert dat als een algemeen menselijke mogelijkheid. „Niet de bevlogen atheïst is ver van God, maar de persoon die altijd aan de kant blijft staan, die alle dingen kritisch beoordeelt en analyseert maar zichzelf niet kan geven. Zo iemand blijft op zichzelf en zal nooit echt kennen, noch liefhebben. Zijn ziel verdroogt, hij mist het sap van het leven.” Hoe een mystiek inzicht inwerkt op hemzelf, beschrijft Suurmond in een column over de kanker die hem te grazen nam, over de angst, en de rust die erop volgde. „God was er, als een onverklaarbare goedheid die geen last heeft van ziekte of vergankelijkheid. Dat gaf me een metapositie, een soort grond om op te staan terwijl de golven om en over me heensloegen. Het leek wel of dat duidelijker werd naarmate mijn leven verder werd ontmanteld.”

Het tweede voorbeeld komt uit een artikel van Frits de Lange, hoogleraar ethiek te Kampen, in Letter & Geest van 29 augustus. Hij beschrijft hoe hij een veellezer is geworden – te beginnen met de Bijbel. „Wie de grondtekst echt probeert te doorgronden, merkt al snel dat hij op minder stevige bodem staat dan gedacht. Na amper een jaartje noest Hebreeuws besefte ik al dat er eigenlijk nooit staat wat er staat. Er is geen beslissende betekenis. De werkelijke dogmatische sluier, drong gaandeweg tot mij door, is die van de eenduidigheid. Dat maakt de tekst van de Schrift ook heilig. Niet dat hij onaantastbaar is, maar onuitputtelijk. Hij geeft ons niet de waarheid op een briefje, maar verwijst naar een laatste Woord dat we niet kunnen uitspreken.”

Voilà: moderne protestantse mystiek. Een katholiek zou niet zo naar de Bijbel verwijzen, een orthodox-protestant houdt vol dat er één waarheid is. Een ’dogmatische sluier’ noemt De Lange dat. Ik zeg het hem graag na.

Wat me evenwel nog méér treft, is dat er wel degelijk een antwoord blijkt te zijn op de vraag: ’Wie zeggen de mensen dat ik ben’. We kunnen het alleen niet uitspreken.

Pieter Bruegel de Oude (ca.1520-1569), 'De volkstelling te Bethlehem', 1566. Beeld
Pieter Bruegel de Oude (ca.1520-1569), 'De volkstelling te Bethlehem', 1566.
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden