ONDER DE BOOMGRENS

“Dat ook Luuk verslaafd was, ontdekte mijn moeder pas in maart vorig jaar, toen haar stereo-installatie was verdwenen en verpatst.” Twee junkie-broertjes, allebei aan de heroïne. Ze zijn werkloos en ze werken wat, ze stelen, ze liegen en bedriegen, ze zwerven en ze wonen wat, ze gaan naar de kliniek en verdwijnen weer, ze hebben verkering en het gaat weer uit, ze maken deel uit van het gilde der verslaafden. “Vijf maanden geleden waren Luuk en Benny verdwenen, naar Zwitserland. Nu ja, niet helemaal verdwenen, mijn moeder bezat van Luuk een adres en een telefoonnummer. Ze had een kaartje gestuurd waarop ze had geschreven dat ze ondanks alles nog veel van de jongens hield. En een aantal nummers van Voetbal International had ze verstuurd, want die las Luuk zo graag.” (Om redenen van privacy zijn enkele namen en plaatsnamen veranderd.)

De kinderen - zes jongens en een meisje, het meisje zit precies in het midden - delen samen drie slaapkamers en twee stapelbedden. Het meisje heeft een kamertje voor zich alleen, het is tenslotte een meisje. Een gewoon, katholiek gezin, de oudste is nog een tijdje naar het klein-seminarie gegaan.

Dan - het is 1975 - overlijdt de vader, amper 55 jaar oud, na een hartaanval. De oudste zoon is 21, de twee jongsten zijn drie en negen. Ze verschillen een generatie. Bijna twintig jaar later is die oudste journalist bij een krant en schrijft artikelen over buitenlandse zaken. De twee jongsten - Benny, nu 28 en Luuk, nu 22 - zijn werkloos en aan de heroïne verslaafd. Over hen gaat dit verhaal, over mijn junkie-broertjes. Want die journalist, dat ben ik. Ik noem ze nog steeds mijn broertjes. Hun gebruik, denk ik, heeft ze klein gehouden.

Dertien jaar geleden, in het jaar '81, is het - daar in Zwolle - begonnen: Benny's eerste 'Chineesje'. Vijftien was hij toen, had de Mavo voortijdig afgebroken en gleed - aanvankelijk heel geleidelijk - uit de schoot van de familie weg. Ik studeerde al enige jaren in Amsterdam, toen ik van Benny's heroïne-gebruik hoorde. Lange gesprekken voerde ik met hem, waarvan ik me vooral herinner dat hij telkens verzuchtte hoe weinig ik van hem begreep.

Een tijdje verbleef hij bij me in Amsterdam tot hij besloot naar de Jellinek-kliniek te gaan, waar hij na twee dagen wegliep, terug naar zijn wereldje, terug naar Zwolle. Pas veel later heb ik begrepen dat hij daar wat voorstelde, dat hij een radertje was in een onoverzichtelijk apparaat, klein, maar op zijn eigen manier betekenisvol. Dat was in het midden van de jaren tachtig.

Zwolle, een paar weken geleden, op het plaatselijk kantoor van de CAD, het Centrum voor Alcohol en Drugs. “Ze zeggen dat Benny een 'pusher' is.” De woorden van de maatschappelijk werker gaan als een schok door me heen, ik kijk opzij. Benny staart naar zijn handen, zwijgt lang en zegt dan bedachtzaam: “Ik moet de eerste nog tegenkomen die ik aan de dope heb gebracht.” De toon waarop hij dat zegt, maakt me voor de zoveelste keer onzeker. Ik ken niemand die zo overtuigend een leugen in een waarheid weet om te buigen. Tussen hem en mij zit Luuk.

“Jullie zien er goed uit, jongens,” zegt de maatschappelijk werker met een zweem van verbazing in zijn stem. Hij heeft gelijk - als je even de donkerblauwe kringen onder Benny's ogen en zijn wittige tandvlees vergeet. Beiden krijgen, op eigen verzoek, een hoge dosis methadon. We regelen een 'onderduikadres' in Deventer en een plaatsje op de wachtlijst van een kliniek. Ze zijn het zat, zeggen ze, ze willen dit leven niet meer. Maar ik kan het nauwelijks geloven.

Jarenlang ben ik ze uit het oog verloren. Alleen via mijn moeder hoorde ik af en toe van Benny's lotgevallen, zijn zwerftochten door Zwolle van kamer naar kamer - hij kwam al lang niet meer thuis -, een baantje als schilder hier of als barkeeper daar, wisselende, korte verkeringen.

Dat ook Luuk verslaafd was, dat ontdekte mijn moeder pas in maart vorig jaar, toen haar stereo-installatie was verdwenen en verpatst. Dat had haar diep geschokt, vooral ook omdat juist hij die tot zijn achttiende niet had gerookt en vaak zoveel karaktersterkte had bewezen, jarenlang Benny's gedragingen had gehekeld.

Aan die van Luuk had ze weinig gemerkt, behalve dat hij achterstallig bleef met zijn kostgeld, maar goed, voor haar verjaardag had hij bij de Makro toch nog een Groot Puzzelwoordenboek en een uiensnijder gekocht. Hij werkte toen nog bij café De Roos als barkeeper. Op een dag stond hij op straat - hij zei dat ontslag had genomen omdat zijn baas hem weigerde uit te betalen. Die horeca in Zwolle was een grote mafia, dat wist mijn moeder ook wel. Wat ze niet wist, was dat Luuk was betrapt met kasgeld in zijn zak.

Toen zijn verslaving thuis bekend werd, pakte Luuk een tas en verdween. Korte tijd later pleegde hij samen met Benny nog een inbraak bij mijn moeder, stal wat geld en een paar zegelboekjes van Albert Heijn en gebruikte een sleutel die mijn moeder in beheer had, om bij de buren twintig cd's te stelen. Zulke verhalen hoorde ik met verbijstering aan, maar ik hield mijn afzijdigheid vol. Tot op een dag, begin oktober, mijn moeder bij me kwam logeren.

We spraken over Benny en Luuk. Vijf maanden geleden waren ze verdwenen, naar Zwitserland. Nu ja, niet helemaal verdwenen, mijn moeder bezat van Luuk een adres en een telefoonnummer. Gedraaid had ze het nummer nooit, wel had ze een kaartje gestuurd waarop ze had geschreven dat ze ondanks alles nog veel van de jongens hield. En een aantal nummers van Voetbal International had ze verstuurd, want die las Luuk zo graag.

In het begin was er nog contact geweest. Luuk had gebeld en haar gevraagd om kelnerkleding voor hem te kopen. Ze was daarop naar Peereboom gegaan en had twee zwarte broeken en twee witte overhemden gekocht en het pakket opgestuurd naar het Sint-Hubertushotel in Obergesteln, een gehucht in de bergen van het kanton Wallis, waar Luuk werkte. Toen hij het pakket had ontvangen, had hij mijn moeder telefonisch bedankt en dat was het laatste wat ze van hem had gehoord.

Ook Benny bleek een kelnerbroek nodig te hebben, zo één met een biesje langs de pijp, maar die was hij zelf komen halen in Zwolle. Volkomen onverwacht was hij door de achterdeur mijn moeders keuken binnen gestapt, had haar gegroet alsof er niets was gebeurd en haar vervolgens om honderd gulden gevraagd. Ook hij had in Zwitserland werk gevonden (mijn moeder had de kosten van de werkvergunning moeten overmaken) en was even in Nederland om een tegoed van de sociale dienst af te halen en zijn gebit te laten behandelen.

Dat laatste had me verbaasd: dat Benny na ruim tien jaar dope-gebruik nog iets gaf om de toestand van zijn tanden, was bijna een hoopvol teken. Mijn moeder zag hem weer snel door de achterdeur vertrekken en sinds die tijd had ze ook van hem taal noch teken vernomen.

Zal ik Luuk eens bellen, vroeg ik haar. Ze aarzelde, want elk contact met de jongens, zelfs al is het indirect, jaagt haar angst aan. Ze slaapt al tien jaar met haar portemonnee onder haar hoofdkussen. Zo vanzelfsprekend is de moederliefde niet meer. Maar Luuk, dat was toch haar jongste, dat verlies was haar zo pijnlijk. “Bel maar”, zei ze.

De beste tijd om dat te doen was tegen middernacht. Dan was het hotel-restaurant gesloten en zou Luuk gelegenheid hebben de telefoon te beantwoorden. Ik draaide het nummer. Een vrouwenstem. Nee, Luuk werkte al sinds drie weken niet meer bij haar. Op een dag had Benny gebeld om Luuk ziek te melden en sindsdien was hij niet meer verschenen. “Al zijn spullen liggen nog op zijn kamer”, zei de stem in bij vlagen onverstaanbaar Zwitser-Duits, “die moet hij maar eens komen halen.” Ze had op het punt gestaan de politie te waarschuwen want Luuk had bij haar nog flinke schulden, voorschotten op zijn loon. “Hij heeft me verteld van zijn verslaving maar zei me dat hij die nu onder controle had. Maar de laatste dagen dat hij hier werkte, was hij er steeds grauwer uit gaan zien en toen had ik kunnen vermoeden dat het mis was.” Ze gaf me het telefoonnummer van het restaurant Sankt Georg in Ernen, een dorp twintig kilometer verderop. “Daar werkt Benny, misschien treft u daar ook Luuk nog aan.”

Even na middernacht, mijn moeder was al naar bed gegaan. Ik draaide het nummer in Ernen. “Restaurant Sankt Georg. Benny.” Die stem. Hij was even verbaasd de mijne te horen.

“Is Luuk bij je?” vroeg ik hem. Ja, die was er, hij logeerde in Benny's appartement.

“Je hebt een appartement?”

“Ja, heel luxe. Met badkamer, kleuren-tv, alles d'r op en d'r an.” Het was van zijn bazin, de eigenares van het restaurant.

“Wat doe je nu?”

“Ik heb afgesloten en doe nu de kassa. God, wat goed dat je belt.”

Hij deed de kassa, bewoonde een luxe-appartement. Hij, een junkie? Even had ik de hoop dat het heel goed met hem ging, dat zich daar in de bergen een klein wonder had voltrokken, dat hij een verhouding had met zijn bazin, die hem verwende, en dat hij op weg was het restaurant over te nemen, want hij kon op zijn manier heel charmant zijn en energiek - vroeger. Maar hij was in nood. Twee uur duurde het nachtelijk telefoongesprek en met iedere minuut die verstreek, voelde ik me dieper in hun wereldje binnengezogen.

In de dagen die volgden, voerde ik meerdere telefoongesprekken met Zwitserland, nu eens met Benny, dan weer met Luuk en vrijwel voortdurend draaide het om geld. Ze staken diep in de schulden, zozeer zelfs dat ze erover dachten om in het holst van de nacht de benen te nemen en onder te duiken, ergens in Spanje of in Zürich - daar kon je als junk goed terecht. Toen ergens moet ik het besluit genomen hebben ze te gaan halen en ze naar Nederland terug te brengen. Een week na dat eerste gesprek met Ernen bevond ik me in de trein naar Bazel, Bern en Brig, onzeker over wat ik aan zou treffen, maar met drie treinkaartjes Ernen-Zwolle in mijn zak.

In Brig - de avond was al gevallen - leek een burgeroorlog gewoed te hebben. Zandzakken op het stationsplein, verwoeste, lege etalages, patrouillerende soldaten. De verwoesting was het werk van een zware overstroming, de soldaten moesten plunderaars ontmoedigen. Benny had me instructies gegeven hoe ik Ernen moest bereiken en zijn aanwijzingen bleken accuraat. Een oude bus, het was de laatste van de dag, rochelde door het wezenloze stadje de berg op, richting Ernen, ik was de enige passagier. “U treft het niet”, zei de chauffeur, “doorgaans is dit een prachtige streek, om te skiën of te wandelen.” Buiten was het donker. Niks te zien.

Even voor middernacht stopte de bus op het dorpspleintje van Ernen, pal voor restaurant Sankt Georg. Uit de kleine vensters viel wat licht naar buiten. Binnen zat een laatste groepje gasten aan een tafel. Benny, in wit overhemd en zijn kelnerbroek, haalde juist hun borden af. Zijn schoenen - zijn enige paar - waren in de breedte uitgelopen, hij had dezelfde rare, brede voeten als zijn vader.

Hij zag me pas toen ik vlak bij hem stond - en was blij. “Kom, ga ginds aan de bar zitten, wil je wat drinken?” Hij liep voor me uit, met zijn dienblad vol vuile vaat. Zijn horeca-trots: een goede bladloper te zijn.

Met vlugge, zekere bewegingen tapte hij een glas bier en beloofde me een echte, lekkere capuccino. Toen de gasten vertrokken waren, sloot Benny het restaurant, deed de kassa en zei: “Ik kan je verzekeren dat ik er sterk over gedacht heb om met het kassageld te verdwijnen.”

In Benny's appartement, op een steenworp afstand van Sankt Georg, trof ik Luuk. Hij lag op een bank, de televisie stond aan. Op zijn hoofd droeg hij een witte pet, de grote klep in zijn nek. Het was voor het eerst dat ik hem zag sinds hij uit huis was vertrokken. Ze waren beiden vrolijk - en dat stoorde me.

Ze vertelden over de dingen die uitgehaald hadden om hun dope te bemachtigen, de uitvluchten tegenover hun werkgevers, de lange, avontuurlijke lifttochten naar Zürich, de smoezen bij goedgelovige treinconducteurs. Klapstuk van behendigheid was wel die ene keer toen Benny in wanhoop een taxichauffeur uit een naburig dorp wist over te halen om hem naar Zürich en terug te rijden, alles op de pof - de rit had meer dan duizend gulden gekost. Maar niet alleen die taxichauffeur wachtte nu nog op zijn geld, ook de Zwitserse spoorwegen dreigden met de deurwaarder. En de voorschotten van hun werkgevers, ja, die zouden ze ook wel nooit terugverdienen. Ik was immers gekomen - en ik zou hen het land wel uitkrijgen.

Mijn rol was mij plotseling haarscherp duidelijk. Ik moest hen uit een benarde positie bevrijden; als tegenprestatie zouden ze in Nederland ernstig en met klinische hulp aan het bestrijden van hun verslaving gaan werken. Maar de overtuiging dat ik meer betekende dan een veilige enkele reis naar Nederland wilde maar niet opkomen - nergens bespeurde ik de werkelijke wil van dit soort leven afscheid te nemen.

Nog diezelfde nacht voerde ik in het gesloten restaurant een gesprek met Benny's werkgevers, een Zwitsers echtpaar, niet veel ouder dan ik. Dat Benny verslaafd was, ja dat hadden ze langzaam aan wel vermoed, waarom had hij anders almaar om voorschotten gevraagd? Voor zijn verslaafde broer, had hij geantwoord en dat hadden ze lang van hem aangenomen.

Op een dag hadden ze hem zelfs het geld voor een treinkaartje naar Nederland gegeven, een treinkaartje dat volgens Benny voor Luuk bedoeld was. Luuk was inderdaad verdwenen, maar naar later bleek had hij zich slechts in het appartement van Benny verstopt. Benny voorzag hem daar heimelijk van eten uit de restaurant-keuken.

's Nachts verliet Luuk het dorp voor zijn strooptochten in Zürich en zorgde ervoor ongezien terug te keren, meestal met een paar gram voor Benny op zak. Toen ze op een dag bemerkten dat Luuk nog in het dorp was, had Benny hen verzekerd dat hij zonder zijn toestemming was teruggekeerd. Luuk kon als zondebok dienen - achter die rol wist Benny zijn eigen gebruik te maskeren en zolang er geld was, voeren beiden daar wel bij.

“Nee, het is niet leuk om zo te moeten leven, om telkens maar weer iets te moeten bedenken om aan geld en aan dope te komen”, zei Benny de volgende dag met grote stelligheid. Hij moest nog tot vier uur 's middags in het restaurant werken, daarna - zo was de afspraak die ik met zijn bazin had gemaakt - kon hij na het ondertekenen van een schuldverklaring van zo'n 2 400 gulden vertrekken. Dan zouden we net de nachttrein halen die uit Bazel vertrok.

Het raam van het appartement bood uitzicht over een prachtige vallei, met een bergketen aan weerszijden. Benny had voor verse croissants gezorgd - ik had geen idee waar vandaan. Ik zei Luuk hoe verbluffend ik het landschap vond. Zijn repliek was kort. “Als je hier vier maanden gezeten hebt kan je geen berg meer zien.”

VERVOLG OP PAGINA 18

VERVOLG VAN PAGINA 17

Ik vroeg hem wat hij eigenlijk van de streek gezien had. Niet veel. Behalve dan wat hij uit autoramen en treinvensters voorbij had zien glijden op al die retours naar Zürich. Toen begon hij zijn kleren te strijken en zijn rugzak te pakken. T-shirts, overhemden, een lange broek, stapels sokken, een pak Voetbal Internationals, een boek van Robert Ludlum. En dagboekaantekeningen, in regelmatig schoolschrift. “Zodat ik het later allemaal terug kan lezen.”

Ik had een paar uur tijd en maakte een wandeling door het dorp, houten huizen met rode geraniums aan de balkonranden, stokoude schuren waar hooi uit de ruifen puilde, stenen drinkbakken waardoorheen het bergwater stroomde. Aan een huis hing een mooi, raadselachtig gedicht:

Ich lebt und weis nit wie lang ich stirb und weis nit wan ich fare fort# weis nit wohin weis nit wie kumbt# das ich so frehlich bin.#

Ik nam een kabelbaan naar boven, naar de Fiescheralp, zweefde over de boomgrens. Het gebergte was monumentaal en zo stil, voor me strekte zich de machtige gletscher van de Oberaletsch uit. Dit uitzicht hadden Benny en Luuk nooit gezien, schoot het door me heen, al die maanden waren ze onderaan de berg gebleven.

Die middag verlieten we Ernen, de jongens hadden nog wat dope gerookt 'om de reis aan te kunnen'. Op het stationnetje bestegen we de trein pas toen Benny zich ervan overtuigd had dat de conducteur hem niet kende. Toen we het gebergte langzaam achter ons lieten, maakten ze grapjes, smoesden met elkaar over zaken en mensen die alleen hen bekend waren. Op zulke momenten leken ze bijna trots op het bereikte in hun leven, als behoorden ze een heel speciaal gilde toe.

Of de heroine werkelijk overal zo gemakkelijk verkrijgbaar is, wilde ik weten. Zulke vragen deden hen plezier, ze appelleerden aan hun vakkennis. In Brig, dat door de overstroming verwoeste stadje, was Benny nog even verdwenen om bij een 'adresje' zijn laatste franken uit te geven: tevergeefs, zijn dealer had niets voorradig. Wel had hij Benny geholpen aan een adres in Bazel, voor straks, als we er op de aansluitende nachttrein moeten overstappen. “Ik herken een junk aan zijn houding, aan zijn blik”, zei Benny toen we het station van Bern binnenreden, “Kijk, die daar, dat is er één.” Ik zag niets bijzonders. “Het is de manier waarop hij om zich heen kijkt, hoe hij aan zijn sigaret trekt.” Het gilde.

Luuk vertelde over de brug in Zürich. “Vlakbij het station is een brug bij een rangeerterrein, daar staan 's avonds duizenden junks. Het is er net als op een grote markt, de politie in een wijde cirkel erom heen.” Ik wist zeker, voor Luuk was het een grootse dagboekervaring.

Op het station van Bazel was Benny - net als in Brig - op slag verdwenen. Marc en ik bleven in de hal achter. Mijn plan om de overstaptijd te benutten om de jongens op een diner te trakteren in het stationsrestaurant (ik had nog altijd de hoop dat er iets te vieren was) viel in duigen. De gedachte dat Benny daarbuiten op zoek ging naar een dealer maakte me razend. Ik ging tegen Marc tekeer, maar hij reageerde niet. Toen Benny later terugkeerde, nam hij Luuk mee naar de openbare toiletten. Ik stond in de stationshal bij hun bagage, een voorbijlopende agent wierp me een wantrouwige blik toe. Het liefst zou ik ze hebben aangegeven. In de nachttrein sprak ik geen woord meer met mijn broertjes en volhardde in mijn zwijgen tot we de volgende ochtend Arnhem binnenreden.

Mijn taak is volbracht, zeg ik tegen mezelf, tegen beter weten in, als we het CAD-kantoor verlaten. De gedachte dat Benny een 'pusher' is, dat hijzelf zonder scrupules het junkieleed onder nieuwe slachtoffers verbreidt - die gedachte had ik niet eerder toegelaten. Ik breng ze naar een pension dat de maatschappelijk werker voor ze geregeld heeft.

Niet in Zwolle, want dat wilden ze in geen geval, daar wachten teveel onbetaalde rekeningen en wraakzuchtige bedrogenen. In Deventer dus maar, al is het systeem van dealers en drugs er net zo wijd vertakt. Mij bekruipt het gevoel dat alle steden in Nederland via zo'n fijnmazig netwerk met elkaar verbonden zijn, alsof een reusachtige spin er zijn web heeft uitgespreid.

De pensionhouder in Deventer wil van de geschiedenis van de jongens niets weten. Hij wil alleen geen gedonder in de tent. Hij wijst op zijn gasten in het eetzaaltje. Ze zitten zwijgend aan formicatafels achter beugelflesjes Grolsch. “De ontdekkers van het regenwater”, spot de pensionhouder. Met een blik op de grote rugzakken van de jongens roept één van hen: “Hebben jullie soms de hele verdieping gehuurd?”

De kamertjes boven laten ruimte voor een kast en een bed, de associatie met een cel dringt zich op. “Is prima”, zeggen de jongens grootmoedig. Buiten neem ik afscheid van ze, na de eerste week pensionkosten betaald te hebben. Daarna moeten ze van hun uitkering zelf betalen voor hun logies en eten ('warm eten om kwart voor zes en geen minuut later, wie later komt hééft al gegeten', had de pensionhouder gezegd). Als ik me nog eens naar ze omdraai, zie ik ze staan, beiden met een handdoek bij wijze van sjaal om de hals geknoopt, Luuk met zijn omgekeerde witte pet. Twee bankroete junks op de stoep van een aftands pension, zoveel achter de rug en toch zo weinig geleefd.

Zo eindigde dit hoofdstuk, grofweg een half jaar geleden. Lang hebben de jongens het niet in het pension uitgehouden. Ze werden door een knokploeg uit het Zwolse horeca-milieu opgespoord en in elkaar geslagen. De wraakactie van café De Roos waar Luuk kassageld had gestolen, eindigde met een paar kneuzingen, blauwe plekken en snijwonden: ze waren door een ruit van het pension naar buiten gegooid.

Luuk doorliep daarna drie weken lang een behandeling in een verslavingskliniek, berichtte euforisch over zoveel aandacht voor zijn persoon, maar raakte nauwelijks een maand na zijn terugkeer in het 'gewone leven' weer aan de heroïne. Hij is weer bij mijn moeder opgedoken, stal haar verzameling vijf-guldenmunten en een krat met lege bierflesjes dat achter het huis stond - waarde ¿ 8,40. Naar het schijnt paste hij de wissel-truc ook bij supermarkten toe, stal achter uit het magazijn de lege kratten en incasseert bij de kassa het statiegeld. Hij moest wanhopig zijn.

De diefstallen namen toe. Het laatste dat ik over hem hoorde was dat de politie met getrokken pistool bij hem was binnengevallen, een zak over zijn hoofd had getrokken en hem geboeid had afgevoerd. Inmiddels is hij weer op vrije voeten.

Benny vond na zijn vertrek uit het pension onderdak bij een cocaine-snuivende homo die er een sex-shop en een escort-service op na hield. In ruil voor een onderkomen trad Benny op als chauffeur voor de meisjes die hij naar de klanten bracht of er vandaan haalde. Zo traf hij onder het personeel nog een klasgenote van vroeger. “Een moeder van twee kinderen,” zei hij over de telefoon tegen me, “begrijp jij hoe zoiets kan?”

Contacten wenste hij niet meer met mij, het ging hem niet zo goed, een tand was uit zijn mond gevallen. Hij was het zat om almaar het gelijk van de anderen, van mij, te moeten aanhoren. “Je weet niet wat het is om verslaafd te zijn, je weet niet wat het is.” Daar sprak het gilde weer.

Ook Benny bereikte de kliniek. De vervolg-behandeling brak hij voortijdig af. Hij woonde nog even samen met een lotgenote die net als hij de kliniek had verlaten - een vrouw die met de alcohol worstelde - maar ze troffen bij elkaar alleen hun problemen aan.

Pas geleden kreeg ik een brief van een Zwitsers taxibedrijf. Het bedrijf vroeg waar de ruim duizend gulden bleef die ik het bedrijf schuldig was: 'Uw broer heeft gezegd dat u de rekening zou voldoen.'

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden