Ondanks alles de allermooiste stem

Pavarotti bracht velen in tweestrijd. Enerzijds wekte hij afschuw met de dolgedraaide commercie rondom zijn megaoptredens, maar anderzijds was er altijd weer die fenomenale stem.

Door alle gedoe rondom zijn persoon, alle hysterie rondom zijn exorbitante omvang, zijn vermeende onkunde van het notenschrift, zijn grote witte zakdoeken, de breed uitgemeten belastingfraude, de huwelijksperikelen, het overduidelijk geverfde haar, de steeds talrijker wordende afzeggingen en de voortschrijdende plankenkoorts, zou je bijna vergeten dat Luciano Pavarotti in eerste instantie gewoon een hele goeie operazanger was. Al is dat woordje ’gewoon’ in dit geval wel wat misplaatst. Niets was namelijk gewoon aan Pavarotti, die vanwege zijn omvang en lengte de bijnaam big P kreeg.

Pavarotti is in de jaren sinds zijn debuut in 1961 uitgegroeid tot een megaster, een zanger die buiten zijn eigen proporties groeide, die de hoge muren rondom het operabedrijf afbrak en naar buiten trad met een ontwapenende naïviteit – én met een fenomenale stem.

In de nacht van woensdag op donderdag overleed Pavarotti in zijn woonplaats Modena op 71-jarige leeftijd. Vorig jaar werd de Italiaanse tenor, die bezig was met een internationale afscheidstournee, geopereerd aan kanker in de alvleesklier. Vorige maand werd Pavarotti opnieuw in het ziekenhuis opgenomen, maar mocht op 25 augustus jongstleden weer naar huis. Kennelijk konden de artsen niets meer voor hem doen, want zijn gezondheidstoestand verslechterde de laatste weken in rap tempo. Woensdagavond was de familie samengekomen in Pavarotti’s huis in Modena om afscheid van hem te nemen. Volgens Italiaanse persbureaus raakte hij toen al buiten bewustzijn en hielden zijn nieren op met werken. Een paar uur later overleed hij.

Pavarotti was een van de grootste zangers van de tweede helft van de vorige eeuw, ook een van de beroemdste. Als lyrische tenor beschikte hij over het mooiste geluid van zijn generatie. Hij maakte grote furore met zijn debuutrol, Rodolfo in Puccini’s ’La bohème’ en groeide als een van The Three Tenors uit tot een internationale ster door de optredens tijdens verschillende wereldkampioenschappen voetbal. Plácido Domingo en José Carreras waren zijn collega’s in dat megasucces. Door Pavarotti’s toedoen veranderde de aria ’Nessun dorma’ uit Puccini’s ’Turandot’ tijdens de wereldkampioenschappen van 1990 in Engeland in een voetbalmegahit. Vooral door het laatste woord van die aria, gezongen in een overweldigende orkestrale climax. ’Vincerò’ – ik zal overwinnen.

Pavarotti maakte in Hollywood enkele geflopte films, maar had veel meer succes met zijn project Pavarotti & Friends, waarin hij met grootheden uit de popwereld concerten gaf ten behoeve van War Child, de organisatie die zich inzet voor kinderen die lijden in oorlogssituaties.

Na de Napolitaanse Enrico Caruso (1873-1921), die een grote carrière in New York had, was Pavarotti in de vorige eeuw beslist dé operatenor die de meeste media-aandacht op zich gericht wist, die de meeste liefhebbers aantrok, die het grootste enthousiasme genereerde, die het vaakst afzegde en die – zeker in de eerste vijftien jaar van zijn carrière – het mooist denkbare geluid produceerde. Hij was jarenlang de geliefde operapartner van de Australische Joan Sutherland, met wie hij de lange lichaamslengte deelde, van de Spaanse Montserrat Caballé, met wie hij het exorbitante lichaamsgewicht deelde en van de Italiaanse Mirella Freni, met wie hij in hun beider woonplaats Modena dezelfde min deelde. Deze Modenese voedster, die Pavarotti en Freni zoogde moet over wondermelk hebben beschikt. In het lyrische vak waren er geen mooiere stemmen dan die van Freni en Pavarotti.

Pavarotti debuteerde in het theater van Reggio Emilia op 29 april 1961 als Rodolfo in ’La bohème’. De rol werd in die eerste jaren zijn visitekaartje. Hij maakte er in alle belangrijke operahuizen zijn debuut mee en nam de opera met collega Freni bij zijn platenmaatschappij Decca op onder leiding van Herbert von Karajan. Von Karajan stelde dat hij Pavarotti beter vond dan Caruso, tot grote woede van de Caruso-fans.

Toen Puccini’s ’La bohème’ in 1996 honderd jaar oud werd, was er op de plek van de wereldpremière, het Teatro Regio in Turijn, een eeuwfeest-voorstelling. Pavarotti en Freni zongen er de hoofdrollen, weliswaar beiden wat ouder dan de jeugdige personages die ze moesten uitbeelden, maar nog steeds jong van stem.

Het was een hele eer voor Pavarotti, zoals hij zich ook afgelopen woensdagochtend nog geroerd had gevoeld door een nieuwe Italiaanse staatsprijs die ter ere van hem is ingesteld en die hij als eerste ontving. Het is een onderscheiding voor personen die blijk hebben gegeven van culturele uitmuntendheid. De burgemeester van Modena maakte bovendien bekend dat hij het plaatselijke theater naar de tenor wil vernoemen.

In lyrische rollen als die van Rodolfo was Pavarotti waarlijk ongeëvenaard. Je kunt nog zo vaak naar zijn ’Bohème’-opname met Von Karajan luisteren, maar elke keer word je weer geroerd. En als je technischer luistert, blijft de verbazing over de kwaliteit van het geluid, de ademcontrole en het fantastische legato. Legato is de kunst van het aan elkaar plakken van woorden en noten waardoor een constante en gave melodische lijn ontstaat. Pavarotti was er een meester in en je hoort het al op de liveopname die van zijn debuut in Reggio Emilia bewaard is gebleven. En hoe zijn stem in de laatste jaren ook achteruitging, de techniek van het legato is Pavarotti nooit verloren.

Ook zijn hoogte bleef redelijk intact. Het gemak waarmee hij een hoge c kon zingen, legde hem geen windeieren. In 1972 vielen de New Yorkse operaliefhebbers massaal voor de Italiaan toen hij in de Metropolitan Opera de rol van Tonio in Donizetti’s ’La fille du régiment’ zong. De negen hoge c’s die hij in aria zong, bezorgde hem de bijnaam King of the high C’s.

Pavarotti was lang en dik, en beantwoordde daarmee voor de helft aan het clichébeeld dat mensen van Italiaanse tenoren hebben: kort en dik. Zijn omvang speelde hem overigens wel parten en op het laatst bewoog hij zich op het operatoneel nog nauwelijks en konden regisseurs niets met hem aanvangen. In Parijs gebeurde het onvermijdelijke toen een sopraan niet haar hoofd op de schoot van de zittende Pavarotti legde, zoals gerepeteerd, maar bovenop hem ging zitten. Dat extra gewicht kon de stoel niet aan en beide zangers zakten met veel kabaal door de zitting. Maar ondanks alle spot en leedvermaak, Pavarotti had een strot van goud, die ook letterlijk goud waard was. Daarmee begonnen de problemen.

’Luciano’s zorgen om soldi, geld, verdrongen zijn aandacht voor andere zaken zoals het instuderen van muziek, of het leren van nieuwe rollen, of het vernieuwen van zijn repertoire dat hoegenaamd niet veranderde sinds hij met het geven van concerten begon. Wat er gebeurt als er dergelijke honoraria in beeld komen, is dat je gaat geloven dat je echt een heel bijzonder iemand bent. Je gaat je eigen publiciteit geloven. En je krijgt het gevoel dat je werkelijk zó goed bent, je dan ook niet meer zo hard hoeft te werken.’

De kwalificatie staat in het boek ’The King & I’ dat in 2004 verscheen. Het boek is geschreven door Herbert Breslin, voormalig manager van Pavarotti. Het is niet helemaal vrij van rancune: Breslin werd door Pavarotti aan de dijk gezet toen de Hongaar Tibor Rudas hogere honoraria voor de zanger bleek te kunnen regelen. Rudas was de bedenker van The Three Tenors, het concept leverde miljarden op. Maar Breslin is in zijn boek grootmoedig genoeg om toe te geven dat de stem van Pavarotti de mooiste is die hij ooit hoorde.

Het is een spagaat waarin ook serieuze musicografen terechtkomen als ze over het fenomeen Pavarotti willen schrijven. Je proeft de worsteling die ze hebben met enerzijds de afschuw voor de dolgedraaide commercie rondom de stadion- en casino-optredens én anderzijds de bewondering voor dat unieke geluid.

Overigens heeft Breslin niet helemaal gelijk als hij beweert dat Pavarotti zich niet vernieuwde. Het klopt dat hij de laatste jaren op het toneel bijna alleen nog maar Cavaradossi in Puccini’s opera ’Tosca’ zong. Het was ook met die rol dat hij op 13 maart 2004 in New York voorgoed afscheid nam van het operatoneel. Maar Pavarotti durfde het wel aan om laat in zijn carrière de zware titelrol in Verdi’s ’Otello’ op het repertoire te nemen, hét vocale territorium van zijn collega Domingo. Hij zong de rol concertant in Chicago met Georg Solti als dirigent en kreeg er in de kritieken genadeloos van langs. De opname die ervan gemaakt werd, laat echter horen dat Pavarotti wel degelijk in de huid van deze geweldenaar kon kruipen, een geweldenaar die eindelijk eens een keertje hemels legato zong.

In Nederland trad Pavarotti al in 1963, twee jaar na zijn debuut, bij de Nederlandse Opera op. Hij zong er in ’Lucia di Lammermoor’ en in ’La bohème’. Drie jaar later kwam hij met dirigent Claudio Abbado naar het Holland Festival voor Bellini’s ’I Capuleti ed i Montecchi’. Impresario Pieter Alferink haalde Pavarotti in 1985 naar Nederland voor een solo-optreden. Daarna was hij nog slechts in commerciële megaoptredens te zien, in 1997 in de Amsterdam Arena en in 2005 in Ahoy’. Treurige aangelegenheden met meer merchandising (verkoop van Pavarotti-sjaals, -paraplu’s en -sleutelhangers) dan artistieke waarde. Pavarotti mocht dan niet zo veelzijdig zijn als Domingo en niet zo dramatisch overtuigend als Carreras, van de nu bijna uitgezongen generatie van ’de drie tenoren’ had hij het allermooiste geluid. Daar veranderden matte, elektronisch versterkte stadionoptredens niets aan.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden