Onbespied kijken

"Mijn machine maakt mogelijk wat nu nog niet kan", schreef Karel van het Reve in 1983, aan de vooravond van de digitale revolutie. Hoe staan we er anno 2011 voor? Kunstenaar Stefany Anne Golberg: "Nog een paar updates en Facebook kan ons privéleven euthanaseren."

We zijn onze privacy kwijt. Dat is wat ons wordt verteld en we voelen het ook. Natuurlijk is het opwindend, om meer verbonden met elkaar en de wereld te zijn dan we ons ooit hadden kunnen voorstellen, om te corresponderen met de snelheid van het licht. Schijnbaar oneindige hoeveelheden informatie zijn elk uur van de dag beschikbaar, ook dat wat eerder verborgen bleef: geheimen van de geneeskunde, vreemde historische documenten, songteksten van R.E.M...

En dan de informatie die je over anderen kunt vinden. Ooit wisten we misschien nog net in welke stad een beroemdheid woonde of hoe hij of zij ontbijtte. Nu kunnen we hun zuchten en steunen horen, hebben we al hun vouwen en rimpels gezien. Beroemdheden worden niet tentoongesteld, ze stellen zichzelf tentoon. De filmcriticus Roger Ebert, lijdend aan schildklierkanker, gebruikt zijn bekendheid om de intiemste details van zijn aftakeling te onthullen. Schrijver Tony Judt deed hetzelfde voor zijn dood, Christopher Hitchens doet het nu. In het verleden hadden we het voorrecht om overpeinzingen over dood en ziekte van deze beroemdheden in hun eigen eloquente bewoordingen te horen, nu beleven we het stokken van hun adem via YouTube mee en worden onmiddellijk bijgepraat over chirurgische ingrepen en infecties via tweets en pings.

Maar helemaal interessant is wat wij, de niet-beroemdheden, over onszelf moeten vertellen. We maken onszelf steeds beschikbaarder, en raken zo de controle kwijt over de informatie die we als ons eigendom beschouwen. We hebben het gemak van internetbankieren en vergeten wat we daarvoor allemaal aan creditcardmaatschappijen hebben toevertrouwd. We winkelen online, de webshops blíjven ons achtervolgen met reclame. We onderhouden contacten met mensen met wie we vroeger het contact allang verloren hadden - kennissen opgedaan tijdens een vakantie of op straat, mensen die we alleen als kinderen kenden. En dus posten we saaie, nikserige weetjes over onze werkdag of onze maaltijd - informatie die vroeger gewoon verdween - in de hoop dat dit het gigantische netwerk van mensen dichter bij ons saaie dagelijkse bestaan brengt. Maar de saaie informatie begint ons te definiëren: we kunnen er niet vanaf. De creditcardmaatschappijen, de sociale netwerk-sites, de online-winkels praten met elkaar over ons. En soms denken wij dat we misschien wel gevaar lopen.

We willen toegang tot informatie, maar niet toegankelijk zijn. "Verdedig je privacy - voor hij verdwenen is", schreef The Chicago Sun-Times onlangs. De politie kan binnenkort zonder machtiging een GPS-apparaatje aan je auto vastmaken, zo waarschuwde de krant. En een ziekenhuis had de namen plus diagnoses van 20.000 patiënten op een commerciële website neergezet. En dan zijn er nog de technieken voor gezichtsherkenning, waarmee je gezichten op foto's kunt scannen en identificeren.

"Facebook is nog maar een paar updates verwijderd van het euthanaseren van het hele idee van privacy", waarschuwde Ben Parr onlangs op de site Mashable. In Amerika worden regels aangescherpt die het volwassenen moeilijker moeten maken om kinderen te benaderen, om misbruik te voorkomen. Van Hong Kong tot Nieuw Zeeland stellen regeringen privacy-commissies in. Individuele burgers richten waakhond-groepen op en leggen firewalls rond hun kinderen aan. Bedrijven die hun klanten willen sussen bedenken steeds gekkere methoden om een wachtwoord aan te maken. Het is een wat wanhopige worsteling om de perfecte balans te vinden tussen totale alwetendheid en totale privacy.

Zijn er nog dingen die we alleen in de privésfeer doen en niet in het openbaar? Privacy is zelf een publiek goed geworden. Hoe zit het met de ware privacy, de manier waarop we ons tot onszelf verhouden? Kunnen we nog in afzondering nadenken over wat we doen? Weten we überhaupt wel wat we doen? We weten al hoe nieuwe technologieën ons sociaal beïnvloeden, maar hoe zit het met onze persoonlijke, innerlijke wereld? Misschien hebben de angsten over onze privacy minder te maken met gestolen creditcardgegevens en meer met een verlangen dat al heel oud is. We willen kennen, en we willen gekend worden. Maar tegelijkertijd voelen we ons in al deze transparantie tentoongesteld. We willen ons verstoppen. Kan dat nog ergens?

Stel je een straat voor in Frankrijk, in de negentiende eeuw. Voorbij slentert de man van de grote menigte bij uitstek, de Franse dichter Charles Baudelaire. Baudelaire wijdde zich aan de studie van het stadsleven, dat toen de vorm kreeg zoals we het nu kennen. Je kunt veel leren over Baudelaire's gedachten uit een proza-gedicht met als titel 'Mensenmenigten'

Het is niet aan iedereen gegeven zich onder te dompelen in de massa: van de menigte genieten is een kunst. Alleen hij kan aan de menselijke soort een orgie van vitaliteit beleven aan wiens wieg een fee stond die hem de lust tot zich verkleden en vermommen, de afkeer voor eigen huis en haard en de hartstocht om te reizen heeft ingefluisterd. Met velen zijn/alleen zijn: termen die voor de creatieve en vruchtbare dichter gelijk zijn.

Volgens Baudelaire geniet de dichter het onvergelijkbare voorrecht om zichzelf of iemand anders te zijn. Zoals dolende zielen op zoek gaan naar een lichaam, zo treedt hij naar believen in iedere persoon. Baudelaire houdt van het gemak waarmee hij zichzelf kan verliezen in het labyrint van winkels, hij houdt van de voorspelbare afleiding van de straat. In de menigte kun je volledig vrij observeren. Daar is iedereen hetzelfde. Dat is het genot van anonimiteit, het genot van de flaneur.

Toch moet je voorzichtig zijn: de toeschouwer kan worden bekeken. Als je kijkt, maakt je jezelf kwetsbaar. Daarom moet je ook maskers hebben waarachter je je kunt verschuilen, als je volop van de menigte wilt genieten (zoals Baudelaire hierboven schreef). Op straat hult Baudelaire zich in sjieke dandyeske kostuums, en omringt zich met vrienden. Hij meet zich een minachtende blik aan: ik ben een walgelijke man en ik walg. Om plezier te scheppen in de menigte, moet je alles en iedereen als beschikbaar beschouwen. Maar de flaneur moet een wapenschild van distantie dragen.

In zijn boek over Baudelaire beschreef Jean-Paul Sartre de angstige relatie van de dichter met de straat, de spanning tussen zijn verlangen naar toegang en zijn eigen ontoegankelijkheid. "Baudelaire, de man van de menigten", schreef Sartre, "was ook de man met een enorme angst voor massa's." Baudelaire wist dat echte anonimiteit niet mogelijk was in het moderne stadsleven. Zijn liefde voor het observeren lag steeds overhoop met zijn angst om gezien te worden. En dus moest hij zorgvuldig een identiteit construeren die de 'echte' Baudelaire zou beschermen. Zijn publieke persoon was een fictieve, maar het was meer dan dat. Het was een wapen. Hoe schandelijker de verlegen dichter zijn publieke persoonlijkheid kon maken, hoe beter hij de vezels van zijn persoonlijke wereld kon beschermen.

Baudelaire werd uiteindelijk de publieke persoon die hij creeërde. Zo raakte de 'echte' Baudelaire uit zicht, zelfs voor Baudelaire. Wie was de privé Baudelaire en wie de publieke? De dichter voelde zich op zijn gemak in de menigte, omdat hij zich daar, af en toe, alleen kon voelen. Maar Baudelaire had ook een hekel aan deze toestand, en was er ook bang voor

In de 'Urban Dictionary' staat het lemma 'Publieke privacy'. De definitie luidt: "De illusie die mensen met een mobieltje of bluetooth binnen gehoorbereik van anderen wordt voorgespiegeld. Ze denken dat niemand iets hoort over het anale onderzoek van een echtgenoot, of de poging van hun moeder om brood te roosteren in de magnetron."

Iedere stedeling waar ook wereld heeft zoiets wel eens meegemaakt. Hebben ze niet in de gaten dat ik meeluister? Denken ze dat het toch niemand wat kan schelen?

De illusie van publieke privacy hebben we samen gecreëerd, we spelen er allemaal in mee, en dat is ook logisch. We zijn als Baudelaire ondergedompeld in de massa en hebben privé-privacy omgesmeed tot iets publieks.

Stel je jezelf voor in een bus in een grote stad, die vastzit in de ochtendlijke file. Je luistert net als de anderen naar muziek uit je eigen afspeelapparaatje, of je checkt je e-mail op je smartphone. Een enkeling leest een e- of papieren boek. Een paar passagiers voeren een luidruchtig, veel te intiem telefoon gesprek, vind jij, meeluisteraar. Je probeert de medepassagiers niet aan te kijken en maakt je klein. Wanneer we alleen zijn, en dat zijn we meestal, gaan we op in een heel ander verhaal dan dat van onze omgeving - de bus. We verkeren in een sociale ruimte, laten ons opslokken door de digitale massa en doen ons best om alleen te blijven.

's Avonds komen we thuis maar maken nog steeds deel uit van de massa - snel naar de laptop, informatie ophalen. Je kunt op Facebook honderden vrienden in een klap spreken en jezelf zo van een nieuw imago voorzien. Wat wil ik vandaag vertellen, hoe wil ik er uitzien, hoe kan ik mijn bereik vergroten? We kijken, observeren en hopen onszelf in die massa terug te vinden, net als Baudelaire. Het lijkt misschien een beetje gek om juist op dat internet op de een of andere manier ons privéleven te ontdekken.

De angst is niet nieuw. Of je nu door een negentiende-eeuwse drukke Franse winkelstraat loopt, in een Bejings internetcafé zit of in een afgeladen stadsbus, of thuis, het moderne sociale leven gaat deels tegen je gevoel in: je leeft in de openbaarheid omdat je thuis geen privéleven hebt. Moderne steden beloofden ooit een alternatief voor het eenzame plattelandsbestaan, gemeenschappen zouden maatschappijen vormen.

De negentiende-eeuwse maatschappij bracht ons fysiek dichterbij elkaar. Nu klitten we bij elkaar over grenzen van tijd en ruimte heen. Zo hebben we de afstand tussen mensen gewist en daar iets onverwachts voor teruggekregen: de angst dat we ons van onszelf hebben vervreemd.

Nieuwe technieken hebben van ons Baudelaires gemaakt. We vinden ons privéleven in de massa en schermen ons 'echte' zelf af in een publieke persona. Blogs en sociale media lijken op dagboeken met een kapot slotje, persoonlijke bekentenissen worden publiek. Het lijkt alsof we een eigen wereld creëren die we helemaal naar onze hand kunnen zetten. Luisteren muziek die niemand anders kan horen om in een volle bus privacy te ervaren. Baudelaire gebruikte hier poëzie en mode voor, wij doen het met mobieltjes en internet. Zo bekijken we de hele wereld. Maar het lukt ons niet om zelf niet bekeken te worden. En dan vragen we ons af hoe het toch komt dat we ons zo gekoesterde privéleven nergens kunnen vinden - niet thuis, niet in de publieke ruimte of in de virtuele wereld.

Stefany Anne Golberg is kunstenaar, schrijver en musicus, en medeoprichter van het kunstcollectief Flux Factory. Ze woont in New York. Dit artikel verscheen op online-magazine The Smart Set. Het prozagedicht van Baudelaire stamt uit 'De melancholie van Parijs: kleine gedichten in proza' (1995, Ambo) vertaald door Thérèse Fisscher en Kees Diekstra.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden