'Onbegrijpelijk dat ik zo stom heb kunnen zijn'

Natuurlijk, de waarheid en niets dan de waarheid, ook over die vermaledijde politici. Maar klopt het beeld wel dat de media van hen oproepen? Wat vindt het 'slachtoffer' er zelf van? Waar ergens loopt de grens tussen mythe en werkelijkheid? Vandaag Ed. van Thijn (61), tot voor kort de gevierde burgemeester van Amsterdam, maar vooral ook de gedreven politicus. Ooit kroonprins, tovenaarsleerling, trouwe vazal dan wel de kwade genius van Joop den Uyl. Architect van de polarisatiestrategie, waarmee de PvdA de jaren zeventig op scherp zette. Maar liefst twee keer minister van binnenlandse zaken en in de korte maar hevige finale in 1994 toch nog met een daverende klap onderuit gegaan.

De zetten die op zo'n moment worden gedaan lijken op het eerste gezicht logisch, glashelder en zelfs voor de hand liggend, maar blijken achteraf toch de verkeerde te zijn geweest. Zo onherroepelijk verkeerd en met zulke verbijsterende gevolgen, dat zelfs de pijnlijk nauwkeurige reconstructie van alle gebeurtenissen in de aanloop er naar toe, en ook daarna in de uitvoerige dagboekvorm die Van Thijn daarvoor koos, toch nog ontoereikend blijkt te zijn om de nieuwsgierige lezer een bevredigende verklaring te bieden. Op één of andere manier is er in dat niemandsland iets gebeurd wat ongrijpbaar is.

Zo'n niemandsland diende zich aan toen Wim Kok de Amsterdamse burgemeester Ed. van Thijn in januari 1994 tijdens diens vakantie op de Canarische eilanden overrompelde met het verzoek of hij de kort daarvoor overleden minister van binnenlandse zaken, Ien Dales, wilde opvolgen: 'We hebben je nodig, Ed', aldus Koks korte en bondige toelichting. Van Thijn ervoer het als een indringend persoonlijk beroep in een situatie van alles of niets. In de aanloop naar de verkiezingen gold voor de PvdA erop of eronder. Van Thijn stemde toe.

Maar hij had wel een 'angstig voorgevoel'. Vandaar dat Van Thijn besloot een dagboek bij te houden, zoals hij ook gedaan had tijdens die spannende kabinetsformatie van 1977. Gewoon een voorzorgsmaatregel. Dan zou hij tenminste op iets terug kunnen vallen, op een reeks nauwgezette aantekeningen waaruit hij zou kunnen opmaken hoe het 'zwarte gat' zich kon aandienen en waarom hij daar bij al zijn scherpzinnigheid en ruime politieke ervaring toch nog in kon vallen. Het uitschrijven van dagboeknotities in boekvorm uit “een soort zelfrechtvaardiging en ook vanwege de therapeutische werking, maar bovenal toch om voor mezelf vast te kunnen stellen waarom ik zo gek heb kunnen doen, waarom ik zo verstrikt kon raken in een reeks onvoorzienbare gebeurtenissen”, zegt hij nu.

Goeie vraag die u zichzelf stelt. Hoe kon u zo stom zijn? Hoe kon zo'n ervaren politieke rot zo hopeloos in een niemandsland verdwalen? Naïviteit?

“Ik was me inderdaad niet hàlf bewust in wat voor wereld ik in Den Haag was terechtgekomen. Afijn, je hebt het allemaal kunnen lezen in het dagboek waarin ik, met gepast respect voor de vertrouwelijkheid van de ministerraad, een beeld heb geschetst van de ontreddering waarin de coalitie terecht was gekomen. Het dreigement van Lubbers om het kabinet op de valreep toch nog op te blazen. De druk van Kok om dit ten koste van alles te willen voorkomen. En temidden van die sfeer de eerste verwikkelingen van wat later zou uitgroeien tot de IRT-affaire, uitmondend in een parlementaire enquête.”

“Je zou het inderdaad naïef kunnen noemen, dat ik er onder die omstandigheden mee heb ingestemd dat het geheime deel van het rapport-Wierenga ook geheim is gebleven. In dat geheime deel stond precies beschreven van welke methoden politie en justitie gebruik maakten. Inmiddels weten we allemaal wat dit inhield. Maar toen niet. Toen moest het zo nodig geheim blijven, nota bene inclusief de kwalificatie dat het om verantwoorde methoden zou gaan. Ergo: dat Amsterdam het IRT-team van de ene op de andere dag opblies moest daarom wel aan het onvermogen van politiekorpsen liggen om samen te kunnen werken. Stom. Ik had nooit met de geheimhouding akkoord moeten gaan. Ik had moeten aandringen op een passende vorm van openbaarheid en zo niet, dan had ik toen af moeten treden.”

Waarom deed u dat dan niet?

“Het blijft nakaarten. Wat je kunt zeggen is dat we de zaak onvoldoende uitgepraat hebben. Ik van mijn kant zat te veel op de toer van: waarom zou ik Kok en Lubbers met mijn sores lastig vallen? Ze hebben al zoveel problemen aan hun hoofd. Omgekeerd was er van hun kant al evenzeer sprake van terughoudendheid. Ze zagen in mij een ouwe rot, die het misschien wel beter zag dan zijzelf. Onder die omstandigheden heb ik me tevreden gesteld met de verzekering van Lubbers dat er geen koppen hoefden te rollen. De kritiek op personen is niet mals, constateerde de premier. Maar dat mocht volgens hem geen reden zijn om iemand de laan uit te sturen. Amsterdam kon gerust zijn en ik dacht dat ik het verder ook wel zo redden. Ten onrechte, naar later bleek.”

“Pas veel later, toen men mijn boek had gelezen, kreeg ik van de hoofdrolspelers te horen hoe zij op de gebeurtenissen van toen terugkeken. Dat gevoelen laat zich in één woord samenvatten: gêne. Zo had het niet mogen gebeuren. Het zou ook niet nodig zijn geweest.”

Toch verklaart dat niet alles. Want als ervaren politicus moet u toch ingeschat hebben dat u het met het geheim houden van het rapport ook wel gered zou hebben. U was weliswaar gedoemd het parlement met een slot op de mond tegemoet te treden, maar kennelijk optimistisch genoeg om te denken dat het zo ook wel zou lukken.

“Beeldvorming, meneer. Pet af voor de media. Was er vroeger nog sprake van een gezonde wisselwerking tussen media en politiek, zoiets als een interactief proces, tegenwoordig dicteren de media de politiek en die beeldvorming kan soms dodelijk zijn, zo heb ik inmiddels aan den lijve ondervonden. Het rapport-Wieringa lag nog niet op tafel of de strijdvraag spitste zich toe op de positie van Nordholt. Had de commissaris nu wel of niet het gelijk aan zijn kant? En in het verlengde daarvan kwam mijn positie ook in het geding. Want in de beeldvorming kwam al gauw vast te staan dat Amsterdam er een zootje van had gemaakt, en dus wapperde iedereen in Den Haag mij om de oren dat er krachtig moest worden opgetreden tegen de Amsterdamse driehoek. Onder geen beding mocht het idee postvatten dat wij, politici, de hoge heren de hand boven het hoofd zouden houden. Er moest een daad worden gesteld en toen ik weigerde kostte dat prompt m'n kop.”

Duidelijk, het rapport van de commissie-Van Traa heeft u en Nordholt althans op dit punt gerehabiliteerd met het overduidelijke bewijs dat de 'methode' inderdaad niet deugde. Maar dat was nog geen reden het IRT-team zo abrupt op te heffen. En bleek uit het rapport-Van Traa ook niet dat de politiecommissarissen zich al te zeer als eigenwijze baasjes gedroegen, die zich niets van hun superieuren aan trokken? Van Thijn, als de lakei van Nordholt?

“Dat is ook zo'n hardnekkige mythe. Ik zou aan het handje van Nordholt door het leven zijn gegaan. Ik zou als korpsbeheerder de greep op het politiebeleid verloren hebben. Ik kan dat niet krachtig genoeg tegenspreken. Het leven van een Amsterdamse burgemeester valt of staat met het politiebeleid. Tien jaar lang heb ik op scherp gestaan. Heb ik het politiebeleid in al zijn aspecten intensief begeleid en uitvoerig verantwoord in de gemeenteraad, tot volle tevredenheid mag ik wel zeggen. En geloof maar niet dat raadsleden als Annemarie Grewel en Annelize van der Stoel met zich lieten sollen. Keer op keer ging ik op het hakblok.”

“Punt was wel dat Nordholt in de publiciteit keer op keer de kwaaie pier uithing en tegen Den Haag aanschopte. Hij wond zich publiekelijk op over het tekort aan mankracht, over tekort ook aan cellen. Hij vroeg er aandacht voor dat we hier in Amsterdam, bij wijze van spreken, met de rug tegen de muur gedwongen werden de oprukkende criminaliteit een halt toe te roepen. Ik daarentegen hield me naar buiten toe rustig. Die rolverdeling hadden we zo afgesproken. Dat leek me tactvoller. Maar ofschoon ik me in de binnenkamer minstens zo geducht heb geweerd als Nordholt en wij het samen meestal ook eens waren, vrees ik dat de mythe als zou ik een lakei zijn niet meer terug te draaien valt.”

“Je kunt zeggen wat je wilt, maar die hoofdcommissarissen waar nu zo tegenaan geschopt wordt, dat waren alle vier toppers. Ze waren het onderling wel eens niet eens. Maar jonge, wat een klasse. Wat hebben die een voortreffelijk werk verricht. Dankzij hun inspanning voelen burgers zich weer een stuk veiliger op straat. Maar zoals dat gaat, iedere kracht schept ook zijn zwakheid. Het is waar, het recherchewerk was niet hun sterkste punt en juist daarop spitste de IRT-affaire zich toe. Zo loopt ieder tijdsgewricht tegen zijn eigen zwakte op.”

“Wat me echt geschokt heeft in het rapport van de commissie-Van Traa is dat alles gewoon doorging, ook nadat de bom gebarsten was. Het ministerie van justitie bleek met geen kanon wakker te krijgen. Het non-interventiebeginsel bleef de gang van zaken dicteren. Onvoorstelbaar.”

Zo belandde Ed. van Thijn in een politiek niemandsland, waar hij zich overigens als interim-manager bij de BCG-groep (de club waar ook KNVB-topman en eveneens oud-burgemeester Jos Staatsen deel van uitmaakt) uitstekend amuseert. Maar een niemandsland blijft het. Van Thijn zal het ongetwijfeld hebben herkend, want zo'n moment waarop de dingen onherroepelijk fout lijken te gaan had hij al eens eerder meegemaakt. Op maandag 3 oktober 1977 tekende zich ook een niemandsland af. Het was de dag waarop de eerste man van het CDA, Dries van Agt, de pijp aan Maarten gaf. Hij zag het niet meer zitten, toen na maanden onderhandelen over het regeringsprogramma in de slotfase onoverkomelijke barrières opgeworpen werden over de zetelverdeling in het nieuw te vormen tweede kabinet-Den Uyl. In de ene variant, waarin de PvdA met een verdeelsleutel van 8-7-1 de meeste ministers zou mogen leveren, zou Van Agt wèl als minister van justitie terug kunnen komen en in de andere van 7-7-2 (PvdA en CDA gelijk) juist weer niet.

Anno 1996 lijkt dit futiele getallenmystiek, maar toen waren het zaken van leven of dood. Een reden voor Van Agt om plechtig aan te kondigen niet meer beschikbaar te zijn voor dit kabinet. Evenmin zou hij aanblijven als fractievoorzitter van zijn partij in de Tweede Kamer. “Ik ga het politieke bos in. Dat lijkt me voor iedereen het beste”, aldus Van Agt.

Wat te doen op zo'n moment? Van Thijn, zo lezen we in zijn dagboek van toen, was sprakeloos. Wist niet wat hij moest zeggen. Informeerde nog wel nadrukkelijk of Van Agt toch geen fractievoorzitter wil worden, maar liet het er op diens antwoord 'daar niet voor te deugen' verder bij zitten. Het leek logisch en het leek ook gunstig voor de PvdA uit te zullen pakken, want in die eerste dagen van oktober 1977 kwamen de kranten woorden tekort om het optreden van de eerste man van het CDA te laken. Zoals het dagblad Trouw in een geharnast commentaar concludeerde: 'vaandelvlucht'.

Maar bij alle opwinding over het optreden van Van Agt ontging het iedereen dat hiermee de formatie ook een onherroepelijke wending had genomen. Want het resultaat was dat Van Agt in zijn eigen fractie (toen nog een CDA in wording met veel eigen baasjes) een onaantastbare positie kreeg. Die fractie was collectief verontwaardigd. Een onredelijke, overvragende PvdA had hun eerste man gemangeld. En hoewel de formatie zich daarna nog anderhalve maand zou voortslepen en het in de onuitroeibare mythevorming vooral de partijraad van de PvdA onder leiding van Piet Rekman is geweest die het tweede kabinet-Den Uyl zou hebben getorpedeerd, was de kogel in feite in die eerste week van oktober al door de kerk gegaan.

Van Thijn, bijna twintig jaar later: “Dat was inderdaad zo'n moment waarop veel meer gebeurt dan je je op dat moment bewust bent. De verschillen zijn echter niet onbelangrijk. In 1994 was er het misverstand dat Lubbers en Kok de zaak bij mij in vertrouwde handen dachten en ik hen van mijn kant niet al te zeer lastig wilde vallen. Zoals gezegd, stom. Toen echter was ik een aanzienlijk jongere politicus en zat ik in een onderhandelingspositie met Joop den Uyl. Ik overvroeg, dat wist ik. Het CDA, Van Agt, zou onze eisen nooit kunnen inwilligen. Ik dacht: Joop is zoveel ouder en ervarener dan ik. Hij moet het machtswoord maar spreken. Ik doe het niet. Maar dat gebeurde niet. Wanneer komt 'ie nou, vroeg ik me af. Maar er kwam niks en omdat ik veronderstelde dat Joop wel wist waar 'ie aan begon, bleef het 8-7-1 met Van Agt of 7-7-2 zonder Van Agt. Een taxatiefout van formaat.”

“Later heeft Den Uyl mij uitgelegd, dat hij mijn argumenten overtuigend vond. Kennelijk was ik een sterk onderhandelaar. Maar het is waar, we hebben de formatie sindsdien niet meer kunnen redden. Overigens ben ik er inmiddels van overtuigd, dat Van Agt van meet af aan niet heeft gewild en ik kan dat zelfs bewijzen, zwart op wit. Een vriend van Van Agt, de Nijmeegse hoogleraar Duynstee, schreef me kort na de publicatie van mijn dagboek een brief, vanuit een hotel in Parijs. Hij vertelde me dat hij het boek wel twee keer achter elkaar gelezen had. Eén ding had hem echter verrast. Mijn naïviteit. Hij vond het onbegrijpelijk dat ik niet wist dat het tweede kabinet-Den Uyl er nooit zou komen. Van Agt zou, al was het door desnoods een conflict te creëren over de laatste staatssecretaris, domweg verhinderen dat het kabinet ooit tot stand zou komen. En dat alles omdat de minister van justitie zich tijdens het Menten-debat door de PvdA diep vernederd had gevoeld. Dat Den Uyl toen verzuimd had hem passend te begeleiden heeft hij hem nooit kunnen of willen vergeven.”

“Van Agt stond toen nog niet zo sterk dat hij het CDA naar zijn hand zou kunnen zetten. Dat veranderde echter op die maandag in oktober, toen hij aankondigde het politieke bos in te zullen gaan. Toen schaarde de fractie zich als één man achter hem. Nou, dat hebben we geweten.”

En zo torpedeert Van Thijn bijna twintig jaar na dato één van de hardnekkigste mythes in de mediawereld, namelijk dat de partijraad van de PvdA de totstandkoming van het tweede kabinet-Den Uyl zou hebben verhinderd. Die partijraad verwierp weliswaar op een dramatische bijeenkomst in het congresgebouw te Utrecht het onderhandelingsresultaat van de formatie, maar Den Uyl noch Van Thijn heeft er ook maar één seconde aan getwijfeld of het volgende congres zou zich met overweldigende meerderheid wel degelijk achter de fractie hebben geschaard. De avond vóór het congres gaf Den Uyl de pijp echter aan Maarten. Hij gaf zijn formatie-opdracht terug, omdat hij, zoals Van Thijn het uitdrukt, 'zelf het geloof in het nieuwe kabinet had verloren'.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden