Onaanraakbaren van Japan willen geen aalmoes

De economische crisis begon ruim een jaar geleden in Thailand en kreeg daarna via Zuid-Korea, Indonesië en Japan vat op de rest van de wereld. In een serie beschrijft Trouw de gevolgen van de crises in de verschillende werelddelen. Vandaag deel 9: Japan.

OSAKA - Een omheining is er niet. Niettemin is hier in het zuiden van Osaka precies te zien waar het getto der verschoppelingen ophoudt. Waar geen wielloze auto wrakken meer staan, waar de kleur terugkeert in het straatbeeld. Twee ouden van dagen parkeren hun aftandse Honda-brommertje tegen een bewoond kaartenhuis dat de wet van de zwaartekracht trotseert. Vlak ernaast roest een hoop schroot, restanten van vijf vorkhefvoertuigen uit een tijdperk waarin de vrouw haar gebit nog moet hebben gehad.

Argwanend bezien de man en de vrouw de buitenlandse journalist, die zich in hun krottenwijk waagt. Waarom zijn zij niet verhuisd naar een van de aanpalende betonnen wooncomplexen die toch bestemd zijn voor de burakumin, de Japanse verstotelingen? “Hier wonen we al meer dan vijftig jaar”, antwoordt de grijsaard. “Dit is onze wijk.” Hij wijst naar boven, naar twee autosnelwegen die elkaar boven zijn huisje kruisen. “Wij horen hier.”

Een straat verderop snijdt een leerbewerker broekriemen. Hij werkt op de stoep, voor zijn werkplaats. Een zurige walm tocht uit de zaak. “Het gaat rot”, klaagt de man. “We vangen steeds minder voor onze riemen. Maar de recessie krijgt ons er niet onder. Hulp van de regering? We believen geen aalmoezen van de overheid.” Onverdroten ritst hij het leer langs een vlijmscherp mes.

“Nee, van vooroordelen hebben we hier geen last. We komen voor onszelf op. Hier wonen we bij elkaar. Wat hier buiten gaande is, dat weet ik niet eens.” De leersnijder woont in een goedkope flat, een tweekamerwoninkje, met zijn vrouw en twee schoolgaande kinderen. “Het is hier geen paradijs, begrijp me goed. Maar ik ben mijn eigen baas. En dat is meer dan de meeste Japanners kunnen zeggen. Als het slecht met me gaat, komt dat omdat ik niet hard genoeg werk. Hoeveel dagen per week ik werk? Zeven.”

De burakumin, de 'bevolking der gehuchten', de onaanraakbaren van het keizerrijk. Het zijn de leerlooiers van weleer, de slachters, kadaver-verbranders, schoenmakers. Iedereen die in vroeger tijden te maken had met de dood, met dode beesten, met dode mensen. En hun nazaten. Naar schatting tussen de twee en drie miljoen Japanners behoren bij deze groep. Vroeger denigrerend 'eta' genoemd, vrij vertaald de goorlappen, de smeerkezen, de tot op het merg onreinen.

Toen het keizerrijk nog een strak kastenstelsel had van samoerai, boeren, handwerkslieden en handelaren, werden de 'eta' zelfs lager gerangschikt dan non-personen zoals hoeren, misdadigers en bedelaars. Japan is sinds 130 jaar een klassenloze maatschappij. Het keizerrijk riep zich uit tot een meritocratie, waar iedereen op eigen kracht kan stijgen op de sociale ladder.

Officieel is ook de discriminatie afgeschaft van de voormalige eta. De groep zou inmiddels ruimschoots moeten zijn opgelost in de Japanse bevolking. Niets is minder waar. Bij edict laat haat zich niet omzetten in liefde. Aan het einde van de twintigste eeuw voelen de burakumin zich nog steeds met de nek aangekeken. Daarom koesteren de meesten zich in de beschermende omgeving van eigen wijken en dorpen.

Burakumin zijn uiterlijk niet te onderscheiden van hun landgenoten. Met schedelmetingen hebben wetenschappelijk onderzoekers voor de oorlog gepoogd bewijzen te vinden voor een buitenlandse origine van de verstotelingen. Maar niemand slaagde daar in. Burakumin zijn zo Japans als ze maar kunnen zijn. Ze wonen vrijwel overal in Japan, maar hun duidelijkste concentraties bevinden zich in steden in het midden en westen van het land, zoals Osaka, Himeiji, Okayama en Hiroshima.

Met het verstrijken der jaren ontwikkelden de verschoppelingen een groeiend zelfbewustzijn en zelfs een zekere groepstrots. Een krachtig georganiseerde lobby behartigt hun belangen. Op hun hoofdkantoor, gevestigd aan de rand van een grote getto in Osaka, krijgt de bezoeker een treurig verhaal te horen. Osamu Shimono, een van de directeuren van de 'bevrijdingsbeweging', vertelt over de problemen die burakumin ondervinden op de arbeidsmarkt. Bedrijven ronselen privé-detectives om na te gaan of sollicitanten van burakumin-komaf zijn. Shimono toont fotokopieën van rapporten, opgemaakt door privé-detectives. 'Niet voor sollicitatiegesprek uitnodigen!', luidt het dringende advies, gevolgd door een merkteken dat aangeeft dat het gaat om burakumin. “En dit zijn geen geïsoleerde gevallen. Naarmate de economische recessie verergert, lijkt de discriminatie toe te nemen.”

Burakumin kampen met structurele achterstanden. Minder burakumin-kinderen gaan naar goede scholen dan gemiddelde Japanners, meer van hen verlaten vroegtijdig school. Slechts 20 procent van de burakumin-jeugd gaat naar de universiteit, tegen meer dan 40 procent van de gewone Japanners. “Omdat ze dikwijls niet goed opgeleid zijn, lijden onze mensen meer onder de malaise”, zegt Shimono. Over de burakumin houdt de eigen lobby noch de overheid cijfers bij. Schattingen bestaan wel. Zo wordt de werkloosheid onder burakumin geraamd op ruim twee maal het landelijke gemiddelde van 4,5 procent.

Toch kunnen de burakumin niet alleen als probleemgroep worden beschouwd. De zelfredzaamheid is hoog, evenals de onderlinge solidariteit. Waar de overheid niet voor een vangnet zorgt (werklozen ontvangen in veel gevallen geen uitkering) helpen burakumin elkaar. In de talloze eigen, kleine ondernemingen vinden de meesten emplooi.

In Nishinariku, een andere burakumin-wijk van Osaka, drijft de olijke Masami Yokouchi (43) zijn fabriekje 'Sunny Side Shoes'. Vijftigers en zestigers werken in lijm- en leerlucht tussen oude Duitse en Italiaanse machines. Onverstoorbaar snijden, plakken, naaien en hameren ze. “Ik heb de baas nog gekend toen hij in de luiers lag”, grinnikt een van Yokouchi's schoenmakers. Op zijn tong drijven spijkertjes waarmee hij straks hakken van 'Italiaanse' dameschoenen vasttikt. “Ik maak per dag 25 tot 50 paar. Zes dagen per week. Van 's ochtends half zeven tot 's avonds zeven.”

Geen van de arbeiders is in vaste dienst. Een tot twee maanden per jaar zitten ze thuis, legt de eigenaar uit, meestal in de winter, wanneer Sunny Side Shoes onvoldoende opdrachten krijgt. Maar tien maanden lang verdienen de oude heren in zijn bedrijf zo'n achtduizend gulden bruto per maand. Daar blijft uiteindelijk ruim zesduizend gulden van over. In het topseizoen werken er bij Sunny Side Shoes dertig mannen.

Het is nauwelijks voorstelbaar dat er zoveel mannen in deze bedompte pijpenla terecht kunnen. Yokouchi lacht. “Ja, de wet van de afnemende meeropbrengst geldt dan. Iedereen werkt heel gedisciplineerd, iedereen kent zijn taak, niemand loopt een ander voor de voeten.” Het schoenenfabriekje is een typisch burakumin-familiebedrijf. Yokouchi nam het een aantal jaren geleden over van zijn vader, die jong stierf. Zijn broer (39), die de schoenen ontwerpt, zit boven de werkplaats in het kantoor. Hij naait een paar schoenen voor een vriendin. “Kost me een halfurtje”, zegt hij, terwijl hij met onbeschrijflijke behendigheid fijne, curvende bandjes snijdt voor de voorvoet.

De hele familie Yokouchi woont in een paar kamertjes boven kantoor: de twee broers, de vrouw van de baas en twee kinderen. In het kantoor staat een bakbeest van een computer, het hart van de onderneming. “Ik heb het bedrijf wat gemoderniseerd”, zegt de eigenaar. “Het loopt goed. Natuurlijk laat die vermaledijde recessie niemand onberoerd.” Er woedt een ware prijzenoorlog. Aan een paar schoenen verdient het fabriekje omgerekend een tientje, dat wil zeggen in theorie. Yokouchi: “Helaas blijven steeds meer van onze afnemers in gebreke bij betaling. We zien dat er in de tussenhandel steeds meer klappen vallen. Groothandels gaan bankroet. Dus dan kunnen we soms naar ons geld fluiten.” Hij zou goedkoop leer uit Italië, Spanje of Frankrijk kunnen gaan gebruiken. “Maar dat vertik ik. Daarmee zou ik de mensen hier in de buurt schaden. We houden elkaar op de been. Ik heb toch een verplichting tegenover andere burakumin.”

Masami Yokouchi was 25 jaar geleden een uitzondering. Als enige van een groepje burakumin-schoolvrienden ging hij studeren aan de universiteit. Toegepaste scheikunde. “Ik heb er nooit wat mee gedaan. Mijn broer heeft het slimmer aangepakt. Die heeft niet doorgeleerd. Hij is naar Italië gegaan om te kijken hoe zij het aanpakken. Daar zag hij hoe apetrots de Italiaanse leerbewerkers zijn. Die staan daar bovenaan de piramide van prestige. En wij burakumin gelden in Japan nog steeds als gajes. Natuurlijk zijn wij burakumin net zo trots als die Italiaanse schoenenontwerpers. Wij doen voor niemand onder. Alleen een gewone Japanner zal dat van ons nooit kunnen begrijpen.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden