Omtrent de regels voor het mensenpark

Nu de kruitdamp van de filosofenstrijd in Duitsland een beetje is opgetrokken, lijkt de discussie zich verplaatst te hebben: of de gedachtenspinsels van Peter Sloterdijk fascistoïde zijn of niet, is inmiddels van minder belang dan de vraag hoe de filosofie zich moet verhouden tot de meest opwindende wetenschap van deze tijd: die van de biotechnologie en de genetica. Vorige week publiceerde Die Zeit de integrale versie van de rede van Sloterdijk, vijf krantenpagina's lang, een fascinerende dribbel door de geschiedenis, van de oudheid via Heidegger en Nietzsche tot kankergenen, met typisch Sloterdijkse eigenzinnigheden: 'de verhuisdiering van de mens als voorbedacht werk van een pastoraal kwekersverbond'. Letter & Geest las de rede en publiceert een reactie op de discussie.

Een schandalige, levensgevaarlijke rede is deze zomer ergens in Beieren gehouden. Uitgerekend Beieren. De redenaar was dit keer echter geen volksmenner, maar een filosoof met halflang haar, een snor en een neiging tot zwaarlijvigheid, een gemoedelijk type met een hekel aan stropdassen. De locatie was ook geen rokerige bierhal of circustent, maar een kasteeltje met een select publiek van academici. En toch. Als in Duitsland in een context als deze het woord levensgevaarlijk valt, dan weten we zeker dat de gruwelen van '33-'45 op enigerlei wijze herleven. En in dit geval, de rede van Peter Sloterdijk onder de titel 'Regels voor het mensenpark', luidt het trefwoord, ja het scheldwoord: eugenetica.

Er is inmiddels veel geschreven en gezegd (zie ook Letter & Geest van vorige week) over de kritiek op Sloterdijks lezing en de Duitse filosoof heeft zich ook tegen zijn critici geweerd, vooral in die opvallende open brief aan zijn collega Jürgen Habermas, die het woord levensgevaarlijk bezigde. Het leespubliek moest vooralsnog genoegen nemen met enkele verdacht uitziende citaten uit de rede, totdat het weekblad Die Zeit vorige week de complete tekst ervan afdrukte in een door de schrijver geautoriseerde versie.

Sindsdien lijkt de discussie zich verplaatst te hebben: of de gedachtenspinsels van Sloterdijk fascistoïde zijn of niet, is inmiddels van minder belang dan de vraag hoe de filosofie zich moet verhouden tot de meest opwindende wetenschap van deze tijd: die van de biotechnologie en de genetica.

Sloterdijk bewandelt in zijn rede een lange weg om tot dit punt te komen en misschien is het goed om hem wat uitvoeriger in de opbouw van zijn betoog te volgen. In het eerste deel ervan werkt hij zijn kritiek op het humanisme uit, in losse schetsen door de Europese geschiedenis wandelend. Voor degenen die het humanisme opvatten als een geestesstroming die opkwam in de late middeleeuwen en - teruggrijpend op idealen uit de klassieke oudheid - de mens en zijn rede weer een centrale plaats gaf, is het nu oppassen geblazen. En ook is met Sloterdijks humanisme niet de moderne wereldbeschouwing bedoeld die geen ervaring met het goddelijke kent en zich organiseert in verbonden, leerstoelen en gironummers. Sloterdijks humanisme is bijna op te vatten als een woordspeling: bij hem gaat het om het brede proces van het 'humaan worden', van beschaven, of in zijn terminologie: van 'temmen'.

Humanisme is in zijn ogen een voortvloeisel van de opkomst van een schriftelijke cultuur in de Griekse oudheid. Daarin werden boeken geschreven die, om met de dichter Jean Paul te spreken, niets anders zijn dan dikkere brieven aan vrienden. Humanisme, zegt Sloterdijk, is in de kern precies dat: vriendschap-stichtende telecommunicatie in het medium van het schrift. Er ontstaat hier een wil tot humaniteit, wie schrijft zoekt vriendschap, geestverwantschap. Zo groeien kringen van mensen die elkaar teksten doorgeven. De geschreven filosofie is voor Sloterdijk als een kettingbrief dwars door de generaties heen, met als belangrijkste schakel de ontvangst van het Griekse poststuk door de Romeinen, want het waren de Romeinen die de Griekse teksten voor de latere Europese culturen toegankelijk maakten.

Maar juist in de Romeinse tijd trad een conflict op. Had het humanisme als 'latent thema' de verwildering van de mens tegen te gaan - onder het motto 'goede lectuur maakt tam' -, in de Romeinse tijd trad een andere, tegengestelde tendens naar voren, die van de bestialisering. Sloterdijk omschrift deze tegenstelling als het grondconflict tussen letter en amfi-theater, tussen humanisme en amusementsindustrie. ,,De Romeinen hadden met hun amfi-theaters, hun dierenophitsingen, hun gevechten op leven en dood en hun executie-spektakels het meest succesvolle massa-mediale net van de oude wereld geïnstalleerd.''

Moeiteloos ziet Sloterdijk dit grondconflict terugkeren in onze moderne massa-cultuur, de tegenstelling tussen scholing en verwildering, tussen humanisering en bestialisering. In zijn ogen is de temmende werking van het humanisme niet meer opgewassen tegen de realiteiten van de 20ste eeuw. Die opvatting mondt in zijn rede uit in de vraag: 'wie temt nog de mens als het humanisme als school van de mensentemming faalt?'

Wat nu precies die zwakte van het humanisme uitmaakt, poogt Sloterdijk te verduidelijken aan de hand van de humanisme-kritiek die de verguisde Martin Heidegger in 1946 formuleerde in een brief aan een van de laatste mensen die in die jaren nog contact met hem had onderhouden, de Fransman Jean Beaufret. Beaufret had Heidegger 'in die diepste duisternis van de Europese geschiedenis' (Sloterdijk) de vraag voorgelegd hoe men aan het woord humanisme nog een zin zou kunnen teruggeven. Heideggers repliek luidde: ,,Deze vraag komt voort uit de intentie aan het woord 'humanisme' vast te houden. Ik vraag me af of dat nodig is. Of is het onheil dat al dit soort betitelingen aanricht, nog niet duidelijk genoeg?''

Sloterdijk vestigt er de aandacht op dat Heidegger met dit antwoord de drie courante hoofdgeneesmiddelen van na 1945 - het christendom, het marxisme en het existentialisme - als drie verschillende speelwijzen van datzelfde humanisme karakteriseert, die zich alleen oppervlakkig van elkaar onderscheiden. Heideggeriaans geformuleerd: ,,als drie manieren om de laatste radicaliteit van de vraag naar het wezen van de mens te ontlopen.''

Aan het niet-stellen van die vraag wil Heidegger een einde maken: het humanisme krijgt te horen dat het een agent van tweeduizend jaar niet-denken is geweest. Heidegger verlangt afstand te nemen van de 'oudste, hardnekkigste en verderfelijkste oefening van de Europese metafysica', namelijk de definitie van de mens als 'animal rationale'.

Er bestaat, zegt Sloterdijk, in Heideggers visie geen ontologische samenhang tussen mens en dier, want 'de mens heeft wereld en is in de wereld, terwijl gewas en gedierte alleen in hun respectievelijke omgevingen vastgezet zijn'. Nu we in de Heideggeriaanse gedachtenwereld binnendringen, zo verbonden met het Zijn en het Zijnde, laten we Sloterdijk nog even uit Heideggers brief citeren. ,,Zo komt het er bij de bestemming van de menselijkheid van de mens als existentie op aan, dat niet de mens het wezenlijke is, maar het Zijn als de dimensie van het extatische van de existentie.''

Een hermetische formulering, moet ook Sloterdijk toegeven, maar belangrijker is dat men bij goed luisteren kan begrijpen waarom Heidegger niet hoefde vrezen dat zijn humanisme-kritiek in een in-humanisme zou moeten uitmonden. Want Heidegger ziet de mens als hoeder van het Zijn, als herder.

Om Heidegger te verstaan moet men toch al meer luisteren dan begrijpen, want de verhouding van de mens tot het Zijn is een heel erg stille, een zich inhouden. Sloterdijk spreekt van een luisteren met gespitste oren, waarbij de mens nog stiller en 'getemder' moet worden dan de humanist bij het lezen van een klassiek werk.

Sloterdijk lijkt hier weg te zinken in esoterie, maar dan slaat de toon van de rede alweer om. Want hoe, vraagt hij zich af, moet zo'n post-humanistische samenleving van stille herders van het Zijn eruit zien? Moet ze opgevat worden als een onzichtbare kerk van verstrooide eenlingen? Sloterdijk begint Heidegger af te stoten, spot over 'het crypto-katholieke karakter van Heideggers meditatie-figuren', maar blijft waarderen dat hij in zijn humanisme-kritiek de mens een houding wil geven die ver boven de humanistische opvoedingsidealen uit reikt naar een vorm van beschouwelijke ascese.

De geschiedenis van Europa is voor Heidegger een theater van militante humanismen, van varianten van het antropocentrische geweld. Daartoe behoorde ook het fascisme, voor Sloterdijk de metafysica van de ontgrendeling, voor Heidegger een synthese uit humanisme en bestialisme. Wie dus temt de mens, als het humanisme daarin heeft gefaald?

Sloterdijk wijst op 'twee grote verhalen' in de geschiedenis van de mens. Het eerste handelt over de wording van de homo sapiens, die Sloterdijk de antropogenetische revolutie noemt. Hij ziet hoe het levenbarende zoogdier mens tot een soort wordt van te vroeg geboren wezens die paradoxaal genoeg met een groeiend overschot aan animalistische onvolkomenheid uit hun milieu naar buiten treden. 'Men zou zover kunnen gaan de mens te karakteriseren als het wezen dat in zijn dier-zijn en dier-blijven gefaald heeft'. Hier begint de mens ontologisch de wereld te verwerven. Maar deze ontwikkeling zou alleen maar een psychotische diersoort opleveren als er niet een tweede verhaal was.

Dat is het verhaal van de huizenbouwers, van de domesticatie. Die ontwikkeling heeft het tam maken van de mens sterk bevorderd en tegelijkertijd de verhouding tussen mens en dier een nieuwe betekenis gegeven: 'Met het temmen van de mens door het huis begint tevens het epos van de huisdieren'. In het voorbijgaan wijst Sloterdijk er ook op dat theorievorming een vorm van huisvlijt is. Ook Heideggers beruchte denk-wandelingen langs veldwegen en bergpaden 'zijn typische bewegingen van iemand die een huis in zijn rug heeft'.

Maar het 'mens worden in huizen' is niet zomaar het onschadelijke voorspel op de huiselijkheid. Want waar huizen staan, moet ook beslist worden welke mensen ze kunnen bewonen. Uitgedrukt in termen van macht gaat het hier om de vraag welk soort van huizenbouwers de hegemonie zal verwerven. Hier neemt Sloterdijk zijn toevlucht tot een meester van het gevaarlijk denken: Friedrich Nietzsche. In zijn boek Also sprach Zarathustra confronteert Nietzsche zijn hoofdpersonage met een rijtje nieuwe huizen. Zarathustra verbaast zich over de kleinheid ervan. Steeds kleiner wordt de mens, stelt hij vast, en het is de deugd die hem klein, bescheiden en tam maakt: ,,Daarmee maken ze van de wolf een hond en van de mens zelf zijn beste huisdier''.

Voor Zarathustra is de huidige mens vooral een succesvolle kweker, die erin geslaagd is uit de wilde mens de laatste mens te maken. Achter de temmende, africhtende, opvoedende werking van het humanisme neemt Nietzsche een tweede, donkere horizon waar: een ruimte waar met succes en onomstreden een politiek van mensen-telen wordt bedreven. De mens is er met behulp van een geschikte verbinding van 'ethica en genetica' in geslaagd de mensen 'klein te kweken'. In priesters en leraren ziet hij de houders van dit telings-monopolie.

Sloterdijk vindt zo'n 'verhuisdiering van de mens als voorbedacht werk van een pastoraal kwekersverbond' een wat overspannen theorie, maar hij ziet wel een onderscheid tussen mensen die telen en zij die geteeld worden. In ieder geval is sprake van een selectie in die 'duizendjarige processen' van kweken, temmen en opvoeden. En met het oog op de enorme technische vooruitgang in dit tijdperk van de 'antropotechniek' (Sloterdijks voor genetica) is het van groot belang aan die selectiemacht deel te nemen. Hier komt Sloterdijk met één van die onder verdenking geraakte zinnen als hij de denkers en filosofen oproept 'het spel actief mee te spelen en een codex van antropotechnieken te formuleren'. Wie niet meedoet, gaat aan zijn eigen steriliteit ten onder.

Met zorg vraagt Sloterdijk zich af of de mensheid in staat zal zijn een effectief proces van zelf-temming op gang te brengen in een tijd waarin 'zich een titanenstrijd afspeelt tussen temmende en bestialiserende impulsen en hun respectievelijke media'. Hij ziet een nooit eerder vertoonde golf van ontgrendeling, van het losmaken van remmen, op ons afkomen.

In een voetnoot verwijst hij hier onder andere naar de golf van geweld op de scholen, vooral in de Verenigde Staten, waar leerlingen hun geweren leegschieten en leraren beginnen beveiligingssystemen tegen de leerlingen op te bouwen. 'Zoals in de antieke oudheid het boek de strijd tegen het theater verloor, zo zou vandaag de school de strijd tegen de indirecte vormingsmachten, de televisie, de geweldscinema en andere ontgrendelingsmedia, kunnen verliezen'.

In interviews die volgden op de controverse rond zijn rede heeft Sloterdijk verduidelijkt wat hij onder een 'codex van antropotechnieken' wil verstaan. In het Oostenrijkse weekblad Profil drukte hij het zo uit: ,,Ik beschouw een individuele genetische verbetering op het vlak van de geneeskunde als absoluut legitiem. Als het onderzoekers lukt om kankergenen te identificeren, die veroorzaken dat mensen van 25, 30 of 40 jaar oud sterven, en als het ze lukt om zo'n aanleg met een soort gentherapie op te heffen, zou ik wel eens willen weten, welk moreel argument men tegen zo'n therapie kan inbrengen. Vanzelfsprekend mag dat vervolgens niet betekenen dat men een genetische elite kweekt.''

Zo geformuleerd heeft Sloterdijks denken bijna weer iets huiselijks, iets 'humanistisch'. Zijn rede heeft intussen een groot probleem van onze tijd aangeroerd en spitst zich toe op de vraag hoe de ontketening van technologische krachten moreel beheersbaar zal zijn. .

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden