Omtrent de kunst van het trefzeker tokkelen

Tegenwoordig zijn plectrums uitsluitend in gebruik bij musici die op gitaar of (versterkte) bas spelen. Het nietige attribuutje is meestal driehoekig van vorm of lijkt op een druppel. Als een kunststoffen gebruiksvoorwerp heeft het nooit aanzien verdiend en wordt dan ook zelden of niet door musea verzameld. Zelfs in het beroemde EMP-museum in het Amerikaanse Seattle waar instrumenten die door popmusici zijn bespeeld, worden geëxposeerd, ontbreken de plectrums.

Cees Straus

Zo niet in het Allard Pierson Museum in Amsterdam. Daar blijkt dat het plectrum al in de tijd van de Antieken voorkwam en dan zeker niet in de huidige driehoekige vorm. Het Allard Pierson kwam, mede door steun van de vriendenkring van het museum, in het bezit van een benen plectrum dat 600 voor Christus in Etrurië (het oorspronkelijke woongebied van de Etrusken in Italië) gemaakt moet zijn.

Been was in die tijd geen ongebruikelijk materiaal. De meeste plectrums in de Oudheid waren er van gemaakt, naast hout, hoorn en ivoor, soms ook metaal.

Met dit plectrum moet ongetwijfeld de lier zijn bespeeld, een instrument dat in de ogen van de Antieken door de god Hermes is uitgevonden. Volgens de schrijver Apollodorus die in de tweede eeuw voor Christus leefde, zou ook het plectrum door Hermes zijn bedacht. Volgens andere bronnen zou het plectrum evenwel door de godin Sappho zijn uitgevonden. Dat is trouwens niet heel waarschijnlijk, omdat het attribuutje al voor haar tijd opduikt.

Het nieuw verworven plectrum in het archeologische museum heeft waarschijnlijk vastgezeten aan een koord. Daarvoor diende althans de ovale opening in het midden van het 23 centimeter lange voorwerp. Oppervlakkig bekeken, zo vindt het museum, lijkt het plectrum op een lepel. Het handvat loopt uit op twee opengewerkte driehoekjes die op hun beurt weer uitmonden in het lepeldeel. Daarmee kon dan worden getokkeld. Aan de bovenzijde is een prachtig gestileerd handje uitgesneden die het voorwerp mede de forse lengte geeft.

Er zijn in het museum tal van beschilderde vazen te zien waarop zangers staan afgebeeld die een snaarinstrument bespelen met behulp van een plectrum. Snaarinstrumenten waren in de Oudheid de meest voorkomende soort muziekinstrumenten, in tegenstelling tot de categorie strijkinstrumenten die tot de Middeleeuwen nagenoeg was. Bij snaarinstrumenten moet je voor wat de Antieken betreft, vooral aan de lier denken. Die bestaat uit een klankkast, gevormd uit het schild van een schildpad waarover een runderhuid was gespannen.

Aan de klankkast waren twee koeienhoorns vastgestoken die onderling met snaren werden verbonden. Meestal gaat het om zeven snaren die allemaal dezelfde lengte hadden.

Door wisselende spanning konden ze op verschillende toonhoogten worden gebracht. De bespeler van de lier (of de latere variant de kithara) hield zijn instrument links voor zijn lichaam en sloeg een draagband om de linkerpols om het instrument in evenwicht te houden. Getokkeld werd er met diezelfde linkerhand, met de rechterhand werd het plectrum vastgehouden.

Van de noodzaak om tot het gebruik van het plectrum te komen, weten we weinig. Onderzoek heeft uitgewezen dat de snaren bij het aantokkelen met een plectrum een veel scheller geluid voortbrengen dan zonder het attribuutje. Maar of dat een doorslaggevende reden is geweest om het te gebruiken, moet nog maar bezien worden.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden