Omroepmuseum hoeft bezoeker binnenkort geen historie meer te onthouden

De bezoekers van het Omroepmuseum in Hilversum gaan over het algemeen tevreden naar huis. En dan te bedenken dat ze slechts vijf procent van de historie van radio en televisie onder ogen hebben gehad. Maar over ruim een half jaar is het depot leeggehaald en staan alle beschikbare attributen afgestofd uitgestald.

Het vroegere fabriekscomplex van Beiersdorf aan de Oude Amersfoortseweg in Hilversum, dat sinds 1980 in gebruik was als dependance van het Nederlands Omroep Produktie Bedrijf, is een ideale accommodatie om de bewogen geschiedenis van de Nederlandse radio en televisie voor een breed publiek te etaleren.

Nederland maakte negen jaar geleden kennis met het begrip Omroepmuseum. In 1983 ging de deur van Melkpad 34 open. De rustieke Hilversumse villa bood eerder enige tientallen jaren onderdak aan de Radionieuwsdienst. "We waren blij dat wij in 1983 konden beginnen, maar onze vreugde werd snel getemperd toen we werden geconfronteerd met de nadelen die aan deze lokatie zijn verbonden" , concludeert manager (ofwel museumdirecteur) drs. Jan Vos.

"De ruimte hier is volstrekt ontoereikend om de interessante zaken die we in de loop van de jaren bijeen hebben gebracht aan een groot publiek te tonen. Ik kan zonder overdrijven stellen dat 95 procent van ons museumbezit in depot is. Dat werkt frustrerend. De 20 000 bezoekers die nu jaarlijks naar ons museum komen vinden wat ze te zien krijgen heel aardig, maar wij weten wat we hen allemaal moeten onthouden. Het blijft op het ogenblik bij het aangeven van hoofdlijnen. Wie wel eens in soortgelijke musea in het buitenland heeft rondgekeken zal beamen dat wat wij laten zien een mager aftreksel is van hetgeen je mag verwachten van een museum dat pretendeert de nationale omroephistorie te belichten. Voor ons is het een schrale troost te weten dat de reden niet is dat wij in vergelijking met het buitenland zo weinig hebben. Er is in Nederland enorm veel bewaard, al zijn we pas laat met het oprichten van een omroepmuseum begonnen."

Dat was in 1976. Het duurde echter nog vele jaren voordat buitenstaanders daar iets van merkten. Nog veel eerder was een kleine groep enthousiaste omroepmedewerkers begonnen zaken met betrekking tot de ontwikkeling van de Nederlandse radio en later de televisie bijeen te brengen. Met name de toenmalige Hilversumse burgemeester J. J. G. Boot heeft zich er voor ingespannen in samenwerking met de Nederlandse Radio Unie en Philips Telecommunicatie een Omroepmuseum van de grond te krijgen.

Het plan kreeg vorm toen de bekende radioamateur J. Corver bij zijn overlijden in 1956 aan de Nederlandse Radio Unie een omvangrijke verzameling boeken, brochures, radioapparatuur en aanverwante zaken naliet. Corver gaf duidelijk aan dat hij deze schenking zag als het begin van een nationaal Omroepmuseum. Vanaf het begin van de eeuw had hij veel verzameld op dit gebied. De collectie-Corver werd opgeslagen op de zolder van de NCRV-studio aan de Schuttersweg. Tot een museum kwam het (nog) niet. Het bleef bij heel veel praten.

De NTS (voorloper van de NOS) stelde een historische commissie in, die zich vooral toelegde op de aanleg van een foto- en filmarchief. Bij de oprichting van de NOS in 1969 werd het museumdepot van de toenmalige NRU ook aan deze commissie toevertrouwd. Maar het zou nog tot 1 december 1979 duren voordat het NOS-bestuur de Stichting Nederlands Omroepmuseum in het leven riep, die als taak kreeg 'de kennis van de geschiedenis van de omroep in Nederland te bevorderen'.

Het verzamelen en exposeren van voorwerpen op het gebied van de omroephistorie vormde een belangrijk onderdeel van het werk van de stichting. Het lukte echter niet een pand te vinden waar zo'n museum onderdak zou kunnen vinden. Het leegkomende Vara-gebouw stond daarvoor op de nominatie, evenals het beroemde (inmiddels afgebroken) kerkje in Bussum waar de Nederlandse televisie van start ging, beter bekend als Studio Irene. De omroepen werden door al deze mislukte pogingen met de neus op de feiten geduwd en sloegen, voorzover dat nog niet gebeurde, zelf aan het verzamelen. Op het Omroepkwartier kwam een centraal depot voor het omroepverleden.

Sinds 11 februari 1983 is er het museum aan het Melkpad. Verdeeld over drie verdiepingen krijg je als bezoeker in kort bestek een aardig beeld van hoe het allemaal is begonnen en wat er nadien is gebeurd. Al snel kom je tot de conclusie dat we niet alleen nu rumoerige tijden meemaken. Eigenlijk is er bij de omroep altijd gekrakeel geweest. Steeds waren er conflicten en moest er met de vuist op tafel worden geslagen om de ontplooiing van het medium niet te vertragen. In de jaren twintig, toen het omroepen in Nederland begon, waren er nog geen zuilen. Wel waren er, verspreid over het land, kleine zenders die op bepaalde uren van de dag, soms maar een paar uur per week, in de lucht kwamen.

De oudste en bekendste was de PCGG-zender in Den Haag van de radiopionier ir. Henricus Schotanus a Steringa Idzerda. Hij had in de Eerste Wereldoorlog naam gemaakt door de Nederlandse defensie vertrouwd te maken met radio als communicatiemiddel. Na de oorlog zag hij brood in het propaganderen van de radio bij particulieren. In 1919 gaf hij op de Utrechtse Jaarbeurs demonstraties met het nieuwe medium. Hij richtte een eigen zender op, die op 6 november 1919 voor het eerst in de lucht kwam.

De uitzendingen, vanuit een studiootje aan de Haagse Beukstraat, bestonden hoofdzakelijk uit gevarieerde muziek. Ze waren als het meezat zelfs in Engeland te ontvangen. Vandaar dat Schotanus het voor elkaar kreeg dat de Daily Mail zijn activiteiten financieel ging steunen. Maar de radiohobby bleek zo kostbaar dat de uitzendingen moesten worden stopgezet.

De opzet van Schotanus was zeer commercieel. Hij zag brood in het aan de man brengen van radio's of de onderdelen die nodig waren om zelf een radio-ontvanger in elkaar te zetten. Datzelfde streven had de Nederlandse Seintoestellenfabriek (NSF) die in 1918 in Hilversum was opgericht. Om een markt aan te boren moest er iets te beluisteren zijn, vandaar dat de NSF ook radio-uitzendingen ging verzorgen. De eerste uitzending uit Hilversum ging 21 juli 1923 de lucht in.

Het ging de NSF voor de wind. De honderd personeelsleden waarmee in 1918 werd begonnen groeiden uit tot een personeelsbestand van 400 man in 1926. Een groepje mensen, deels afkomstig uit NSF-kringen, nam vanaf april 1924 de verantwooordelijkheid op zich voor de Hilversumse Draadloze Omroep. Daaruit kwam in 1928 de Avro voort. De belangstelling voor het medium was gewekt. Ook andere bevolkingsgroepen gingen de zender van de NSF huren om hun achterban te bedienen. Nederland kon luisteren naar de NCRV (vanaf 24 december 1924), de Vara (vanaf 7 november 1925), de KRO (vanaf 24 november 1925) en de VPRO (vanaf 30 mei 1926).

De Avro voelde zich vanaf het begin ver verheven boven de anderen die zich rond de zender verdrongen. Zij was immers een nationale omroep, vandaar dat de Avro via een handtekeningenactie bij de regering aandrong op een eigen zender. Het eerste grote omroepconflict was geboren. NCRV, KRO en vooral Vara gingen tot een tegenactie over. Hoewel de Avro uitgebreid reclame had gemaakt (compleet met meisjes in Avro-japonnetjes) kreeg zij haar zin niet.

Op 15 mei 1930 kondigde de regering het zendtijdenbesluit af. Daarin werd vastgelegd dat de vier grote omroepen elk twintig procent van de beschikbare zendtijd kregen. De kleine VPRO kreeg vijf procent, de resterende vijftien procent was voor een algemeen programma, bij toerbeurt te verzorgen door de diverse zendgemachtigden. Het betekende dat de Avro de helft van haar zendtijd moest inleveren. Ondanks een grote protestdemonstratie in Den Haag bleef de regering bij het genomen besluit.

Van dit alles is veel terug te vinden in het Omroepmuseum in de vorm van uniek fotomateriaal, oude affiches en vooral apparatuur. De eerste radiotoestellen die als bouwpakketten werden geleverd door Avro, KRO en Vara staan er opgesteld naast de radiotoestellen die je destijds in de winkel kon kopen.

Vervolg op pagina 2.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden