Omroepbestel: niet de weg van de minste weerstand kiezen

De auteur is bestuurder media bij de Dienstenbond CNV.

Wie alle marktaandelen die deze aanbieders zeggen na te streven bij elkaar optelt komt uit op 111 procent. Als bovendien rekening wordt gehouden met het aandeel van de videogebruikers en de liefhebbers van BBC, BRT enzovoort (volgens conservatieve schattingen 15 procent van de kijkers) wordt duidelijk dat de aanbieders veel meer willen dan de markt te bieden heeft.

'Concurrentie'

Staatssecretaris Nuis heeft de publieke omroepen een concessie voor 5 jaar verleend. Voorwaarden daarbij waren dat zij beter zouden gaan samenwerken en zich concurrerend zouden opstellen tegen de commerciële aanbieders. Aan de eerste eis wordt thans door de omroepen in mindere of meerdere mate voldaan, zij het per tv-net op een verschillende wijze. Aan de tweede eis kunnen zij veel moeilijker voldoen.

Door de dubbele financieringsbron waaruit de omroepen putten, zijn zij, anders dan toen zij de enige aanbieders waren, in een volstrekt onmogelijke positie terecht gekomen. Deze financieringsvorm dwingt hen als het ware tot een spagaat. Allereerst is er de financiering door middel van de omroepbijdrage. De overheid heeft hierdoor de terechte mogelijkheid om te eisen dat een substantieel deel van de zendtijd wordt besteed aan cultuur en educatie, onderwerpen die per definitie garant staan voor een bescheiden kijkdichtheid. De tweede geldstroom is afkomstig van de Ster; de reclameopbrengsten. Hierdoor worden de omroepen in toenemende mate gedwongen programma's uit te zenden die risicoloos een hoge kijkdichtheid garanderen.

De twee financiers, overheid en commercie, stellen dus tegengestelde eisen. Hoe moeten de publieke omroepen nu de door de politiek geëiste 'concurrentie' met de commerciële zenders aangaan? Daarover worden zowel binnen als buiten de politiek uitspraken gedaan die nu en dan verbazing wekken en kennelijk niet altijd zijn gestoeld op kennis en een redelijk inzicht.

Vaak lijkt het erop of de commentatoren publiek en commercieel als gelijkwaardige grootheden beschouwen. Dit nu is niet het geval. Men mag profit- en non-profitorganisaties niet klakkeloos vergelijken. De commerciële omroepen hebben slechts één doel: voldoende winst maken. Het liefst zou RTL gedurende 24 uur per etmaal reclamespots uitzenden. Geen mens is echter bereid om daar naar te kijken. Daarom worden de reclameboodschappen afgewisseld met programma's. Programma's die zo goedkoop mogelijk moeten zijn met, voorzover mogelijk, het liefst gesponsorde produktinformatie en die tevens veel kijkers trekken.

De publieke omroepen moeten natuurlijk ook streven naar een hoge kijkdichtheid. Alleen: de kijkcijfers kunnen en mogen geen doel op zich zijn. De publieke omroep dient ook het platform te zijn voor de meningen die in de samenleving voorkomen, ook voor de tegendraadse. Er moet sprake zijn van een maatschappelijke en culturele diversiteit.

Het laagst

De omroepbijdrage in Nederland is bijkans de laagste van Europa. De gemiddelde omroepbijdrage in Noord- en (Zuid-) West-Europa bedraagt 363 gulden per jaar. Nederland is, op Italië na, met 184 gulden de hekkesluiter. Onze oosterburen betalen 319 en onze zuiderburen 431 gulden.

De publieke omroepen zijn nu nog in staat om kwalitatief onderscheidende programma's te maken. Gelet op het programma-aanbod en de hoogte van de omroepbijdrage, kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een uitstekende prijs/kwaliteit verhouding. Indien de opbrengsten van de Ster echter gaan dalen, zal die kwaliteit echter niet lang meer te handhaven zijn.

Gelet op de omroepbijdrage in de ons omringende landen, kun je je afvragen of er geen rechtvaardigingsgrond bestaat om de luister- en kijkgelden in Nederland te verhogen, en wel zodanig dat het publieke omroepbestel niet langer afhankelijk is van reclame-inkomsten. Volgens berekeningen van het ministerie van OCW is een verhoging met 75 gulden per jaar voldoende om die situatie te bereiken.

Is het echter verstandig om het publieke bestel volkomen reclamevrij te maken? Ik kan mij voorstellen dat een besluit daartoe bij de directie van de Holland Media Groep met gejuich zal worden ontvangen. Het reclamevrij maken van het publieke bestel betekent volledig ruim baan voor de commerciële aanbieders. De daaruit voortvloeiende versterking van de commerciële omroepen levert uiteindelijk een navenant verzwakt publiek bestel op. Een dergelijke ontwikkeling zou zelfs een gevaar kunnen inhouden voor de vrije meningsuiting. Wie de programma's van RTL 4 en 5 bekijkt zal tot de conclusie komen dat de grens tussen voorlichting en fictie vloeiend is geworden. De commerciële omroep is bij uitstek de schepper van een schijnwerkelijkheid.

Andere constructie

Er is dus een andere constructie nodig. Die zou er als volgt uit kunnen zien:

A. Het in stand houden van de reclame-inkomsten. De zendtijd besteed aan reclame dient of gelijk te blijven of, door een reductie van de zendtijd, zodanig geprogrammeerd dat de hoeveelheid reclame onder de irritatiedrempel zakt.

B. Een verhoging van de omroepbijdrage tot 262 gulden per jaar.

C. Een (voor inflatie gecorrigeerd) budget gelijk aan het huidige.

Het doel van deze constructie is drieërlei. Ten eerste zorgt de verhoging van de omroepbijdrage, gekoppeld aan een van tevoren vastgelegd budget, ervoor dat de publieke omroepen bij teruglopende reclame-inkomsten niet hoeven te worden gekort op hun budget, waardoor wordt voorkomen dat zij terecht komen in de neerwaartse spiraal van een lager budget met als gevolg slechtere programma's gevolgd door weer een lager budget.

Ten tweede: als gevolg van de verhoogde inkomsten uit de luister- en kijkgelden ontstaat de mogelijkheid tot het creëren van een financieel stuwmeer (een paritair, zowel door de omroepen als de overheid te beheren fonds). Dit stuwmeer kan worden aangewend bij onverwacht teruglopende reclameinkomsten en ter bekostiging van uitzonderlijke programma's, dure series en dure dramaprodukties.

Ten derde: zoals hiervoor al gezegd, ter voorkoming van een volstrekte commerciële dominantie.

De verhoging van de omroepbijdrage zal de nodige politieke en maatschappelijke weerstand oproepen. De voorzitter van de PvdA, Felix Rottenberg, heeft tijdens eens CNV-symposium over de toekomst van het publieke bestel reeds aangegeven een verhoging van de luister- en kijkgelden in het licht van nog komende bezuinigingen onverantwoord te vinden. (Terzijde: tegen andere, door de overheid op te leggen verhogingen bleek zijn weerstand aanzienlijk zwakker.) Het is wellicht ook niet te verantwoorden dat mensen met een zeer bescheiden inkomen worden geconfronteerd met een verhoging van de omroepbijdrage. Wellicht dat een inkomensafhankelijke heffing, die technisch uitvoerbaar is door een bestandskoppeling, hier soelaas kan bieden.

Huiver

Thans wordt in brede kring gepleit voor een Nationale Omroep. Niet alleen politici van PvdA, VVD en D66 omarmen deze gedachte, ook de FNV en de NVJ zien geen heil in een op lange termijn blijven voortbestaan van de omroepverenigingen. Staatssecretaris Nuis heeft, vooruitlopend op de discussie in het parlement, geopperd om na afloop van de concessieperiode deze niet te verlengen en in plaats daarvan te komen tot een nationale omroep.

De roep daarom vervult mij altijd met enige huiver. De praktijk over de hele wereld wijst uit dat overheid en media niet samengaan. De verleiding is te groot. Waar een overheid, direct of indirect, zeggenschap heeft over de media, daar zal ze die zeggenschap op enig moment, en in welke vorm dan ook, gebruiken. En dan is er per definitie sprake van misbruik.

Een nationale omroep zal ten koste gaan van het democratisch gehalte van de samenleving. Stel dat de overheid de schrijvende pers zou willen nationaliseren en de kranten onder de bestuurlijke verantwoordelijkheid van kroonleden zou willen brengen. Geen politicus zou een dergelijk idee willen steunen. Waarom dan wel in die richting gedacht als het om omroep gaat?

Ik pleit er dan ook voor om de publieke omroeptaak uit te laten voeren door private organisaties. Organisaties die binding hebben met de stromingen die in onze samenleving voorkomen. Het tijdperk van de verzuiling is voorbij, maar er is nog steeds sprake van stromingen. Stromingen zijn diffuser dan zuilen maar vaak veel taaier.

In het toekomstige publieke bestel moeten alle stromingen (ook de tegendraadse) hun mening publiekelijk kunnen uiten. Dat kan het beste verlopen via private organisaties die een verenigingsvorm kennen waardoor de invloed van het publiek op de publieke taak kan worden versterkt. Kortom, omroepverengingen. En die hoeven we niet meer op te richten, ze bestaan al.

Waarom een ander bestel dan door middel van de omroepverenigingen? Deze verenigingen weten tegen de maatschappelijke ontwikkelingen in hun leden nog altijd aan zich te binden. De politieke partijen lopen leeg, maar nog altijd zijn ruim 4 miljoen Nederlanders lid van een van de zeven publieke omroepen. Is het overigens niet vreemd dat niemand deze 4 miljoen mensen naar hun mening heeft gevraagd?

Iets waardevols afbreken is vaak eenvoudiger dan het in stand te houden en te verbeteren. Laten we daarom niet kiezen voor de weg van de minste weerstand.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden