Omgaan met water / We pompen onszelf nog steeds omlaag

In de nacht van zaterdag op zondag, exact vijftig jaar geleden, braken de dijken door in Zuidwest-Nederland. Zeker 1835 mensen kwamen om. Het waterstaatkundig antwoord op de ramp lag voor de hand: versterking van de dijken, verkorting van de kustlijn. Maar nog tijdens de uitvoering rezen de twijfels.

door Hans Schmit

De ramp kwam in 1953 voor de deskundigen niet als een donderslag bij heldere hemel. De eilanden in het zuidwesten van Nederland waren omgeven door zevenhonderd kilometer zwakke en verwaarloosde dijken.

De in die dagen gezaghebbende waterbouwkundige ir. Johan van Veen, zegt prof.dr. Henk Saeijs, waarschuwde al vanaf de jaren dertig herhaaldelijk in woord en geschrift voor de deplorabele toestand van de dijken en voor de grote risico's die daaraan waren verbonden. Maar zijn woorden vonden in die jaren weinig gehoor. De prioriteiten lagen elders.

,,Zoals altijd'', voegt Henk Saeijs (67) er aan toe. Hij was van begin jaren zeventig tot 1982 hoofd van de milieudienst van de Deltawerken en tot zijn pensionering drie jaar terug onder meer hoofdingenieur-directeur van de directie Noordzee en daarna van de directie Zeeland van Rijkswaterstaat.

Saeijs vreest dat de Nederlanders een vergeetachtig volk zijn: ,,Steeds weer vergeten we dat zestig procent van Nederland ver beneden de zeespiegel ligt en dat absolute veiligheid niet bestaat. Een ramp herinnert ons daaraan, maar na verloop van tijd verdwijnt dat besef en weten we wel betere bestemmingen voor ons geld.''

De ramp van 1953 leidde echter direct tot grote voortvarendheid: nog in de rampmaand werd de Deltacommissie ingesteld. Ir. Van Veen kon, als secretaris van die commissie, zijn plannen voor afsluiting van de zeegaten uit zijn bureau halen. Volgens het Deltaplan zouden vijf zeegaten volledig worden afgesloten; alleen de Westerschelde en de Nieuwe Waterweg bleven ten behoeve van de scheepvaart open. In november 1957 werd de Deltawet met grote eensgezindheid in de Tweede Kamer aangenomen en kon de Deltadienst van Rijkswaterstaat aan de slag.

Met uitzondering de Zeeuwse vissers die hun oester- en mosselcultuur in de Oosterschelde dreigden te verliezen, zette vrijwel niemand vraagtekens bij de plannen. Dat veranderde echter vrij plotseling aan het eind van de jaren zestig en het begin van de jaren zeventig. In 1967 werd de studiegroep 'Open Oosterschelde' opgericht en in 1973 kondigde het kabinet-Den Uyl in de regeringsverklaring een commissie aan die zich zou buigen over eventuele aanpassingen aan de Oosterschelde-kering. Eerder al was een commissie ingesteld die moest adviseren over het wel of niet inpolderen van de Waddenzee.

Er vond in die jaren een belangrijke trendbreuk in het denken over water plaats, zegt Henk Saeijs. ,,Water werd lange tijd gezien als een exclusieve grondstof voor de mens. Om te drinken, om op te varen en in te lozen. Men benaderde water antropocentrisch, vanuit de mens. Steeds meer mensen realiseerden zich echter dat er een eind moet komen aan de ongebreidelde vervuiling, dat water niet eindeloos kan worden gebruikt als goedkope opvang, verdunner, verwerker en afvoer van afval. Het eeuwenoude uitgangspunt: bescherm de mens tegen het water, kreeg er een zusje bij: bescherm het water tegen de mens. In die jaren kwam de wetgeving tegen de watervervuiling tot stand en begon de grote schoonmaak van het oppervlaktewater.''

,,Daarnaast realiseerden steeds meer mensen zich dat de antropocentrische benadering vervangen dient te worden door een ecocentrische, waarbij het ecosysteem centraal staat en de wensen van de mens worden afgestemd op de mogelijkheden van de ecosystemen. Er groeide ook meer bewustzijn over de waarde van zoute watersystemen zoals zeearmen en kustzeeën. De Zuiderzeewerken en de Deltawerken lieten zien dat afsluiting van zoute watersystemen een even ruïneus effect kan hebben als vervuiling.''

Want wat gebeurde er? In plaats van die gezonde, biologisch rijke en hoog productieve zeearmen, kreeg Nederland in de jaren zeventig overbemeste, met giftig Rijnwater vervuilde zoetwatermeren. ,,Zeearmen zijn van grote waarde: ecologisch, sociaal, economisch en uit oogpunt van de natuur. Maar van dit kapitaal was in een eeuw tijd al zestig procent vernietigd. Dat leidde eind jaren zeventig tot het historische besluit om in de monding van de Oosterschelde een beweegbare stormvloedkering te bouwen. Dat was niet alleen een compromis tussen veiligheid en milieu. Het was een complete trendbreuk in het denken over water.''

Die trendbreuk voltrok zich niet alleen in de samenleving, maar ook binnen Rijkswaterstaat, tot die tijd vaak gezien als een staat binnen de staat. In 1974 kreeg Rijkswaterstaat een nieuwe directeur-generaal, ir. J.W. Tops, die dat jaar in een vraaggesprek in Trouw zei dat er geen behoefte meer was aan spectaculaire werken. Rijkswaterstaat zou niet langer het exclusieve domein zijn van civiele ingenieurs. Naast 350 ingenieurs werkten toen al 150 andere academici bij de dienst, onder wie biologen, geologen, economen en psychologen.

Henk Saeijs was een van die biologen. Toen eenmaal het bewustzijn was doorgebroken dat de zoutwatersystemen te waardevol waren om buiten te sluiten, werd het interessant, zegt Saeijs. ,,Er ontstond in de delta een grote verscheidenheid aan milieutypen: de Westerschelde bleef een estuarium, een zeearm. De Oosterschelde kreeg een zout gedempt getij, de Grevelingen werd een zout meer, het Veerse Meer werd brak en het Haringliet/Hollands Diep zoet.''

,,Het Grevelingenmeer zou een zoetwaterbekken voor de landbouw worden, maar halverwege de jaren zeventig brak het inzicht door dat een zoute Grevelingen waardevol kan zijn. De plannen veranderden. De Grevelingen bleef zout en de natuur kreeg binnen bepaalde grenzen de ruimte op de droogvallende platen en in de ondiepe gebieden. Dat zorgde voor verrassingen. Er ontstonden grote zeegrasvelden, het water werd zeer helder door filterende schaal- en schelpdiertjes. De Zeeuwse platte oester, die elders het loodje legde, wist in de Grevelingen te overleven.''

Het 'nieuwe' Grevelingenmeer was de eerste ervaring met een ander waterbeheer: de watersysteembenadering. ,,Je bent in dialoog met het systeem, laat de natuur haar gang gaan. Je meet en stelt bij en leert zodoende het systeem steeds beter begrijpen. Het is echter niet overal goed gegaan, zoals bijvoorbeeld in het Krammer/Volkerak, waar afgelopen jaar grote vogelsterfte optrad door blauwalgen. Dat is het gevolg van het inlaten van met fosfaat vervuild water vanuit Noord-Brabant en fosfaat dat uit de bodem vrijkomt. Zolang je dat doet, is het dweilen met de kraan open. Het enige dat helpt is er weer een zout meer van te maken.''

De abrupte overgangen van zoet naar zout, zoals bij de Afsluitdijk, de Haringvlietsluizen en het Volkerak/Zoommeer, zijn volgens de bioloog ecologisch en economisch 'oninteressant'. ,,Ik pleit er dan ook al lange tijd voor de vruchtbare, geleidelijke overgangen van zoet naar zout waar mogelijk te herstellen of te verbeteren.''

Toch heeft Nederland de oude stokpaardjes nog niet definitief in de kast gezet, zegt Saeijs. ,,We pompen onszelf nog steeds omlaag, we zien water nog steeds als een 'vijand' waartegen we 'strijd' moeten leveren. We leggen nog steeds kades aan langs rivieren en bouwen nog steeds huizen in de vloedvlaktes van de Maas en de Waal. In het stroomgebied van de Rijn zijn zo'n 480 dammen, stuwen en schutkolken aangelegd die ongecoördineerd worden bediend. Er is geen eenheid in de besluitvorming en die besluitvorming is vaak ook nog opportunistisch.''

,,Ondanks alle inspanningen zijn de meeste Nederlandse watersystemen nog zo ontregeld dat het de moeite waard zou zijn een ecologisch herstelprogramma op te zetten. Maar aan de andere kant is er veel gewonnen: het inzicht dat we anders moeten omgaan met water.''

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden