Omgaan met het nieuwe weer

(Foto Jörgen Caris, trouw)

Nederland wordt de komende eeuw warmer en natter. Maar wat zijn de gevolgen van de klimaatverandering voor de natuur of de landbouw? In Groningen of in Zeeland? De klimaatatlas helpt beleidsmakers om Nederland beter bestand te maken tegen extremere weertypes.

De plassen aan de Vecht in de provincie Utrecht zijn zomer en winter wonderschoon. Nu draaien schaatsers er snorrend van plezier hun rondjes tussen de kale, besneeuwde bomen, ’s zomers kun je in dit uitgebreide watergebied op de fiets of vanaf de boot genieten van uitbundige flora en fauna. De roerdomp, de zwarte stern en de watersnip komen er in lente en zomer volop voor. Nog wel.

Klimaatverandering zorgt voor meer warmere en drogere perioden. Eens in de twee jaar zal er een hittegolf optreden, aan zoet water zal regelmatig een tekort zijn. Dat zorgt onder meer voor een andere vegetatie waardoor de voedselbronnen van deze vogels veranderen. Dat alles zadelt de roerdomp met een probleem op, de koudeminnende watersnip heeft het dan ook lastig. De grauwe gans krijgt juist meer kansen, omdat zijn voedselvoorraad zal stijgen. De natuur verandert. Maar hoe weet je als natuurbeheerder nou wat er op je afkomt?

Die vraag geldt ook de landbouw. Klimaatverandering geeft naast verdroging ook meer en heftiger neerslag. Voor een belangrijk landbouwgewas als de aardappel –Nederland is een van de grootste aardappeltelers ter wereld– heeft dat consequenties. Door droogte is de grond moeilijker te bewerken, meer warmte levert veel kleine knollen op terwijl het de teler juist om die mooie grote aardappels te doen is.

Grotere vochtigheid zorgt daarentegen voor meer uitlopers aan de knol en is het lastiger oogsten. Tevens zal het risico van ziekten en plagen –phytophtera, luizen en aaltjes– toenemen.

Hoe krijg je als bestuurder nou inzicht in al die veranderingen in jouw gebied? Investeringen in landbouw, woningbouw en natuur bestrijken vaak perioden van 40 tot 50 jaar. Maar hoe overzie je, in een tijd van voortdurende klimaatverandering, zo’n lange periode? En hoe maak je vervolgens de juiste beslissingen?

Met die dilemma’s in het achterhoofd ontwikkelde het ingenieurs- en adviesbureau DHV samen met onderzoeksinstituut Alterra (onderdeel van de Wageningen Universiteit) en het KNMI de klimaatadaptatiescan. Deze scan inventariseert op grond van een aantal klimaatscenario’s welke functies in een gebied –landbouw, natuurbeheer, woningbouw bijvoorbeeld– kwetsbaar zijn of juist goed bestand zijn tegen de extremere weertypes die in de komende decennia op ons afkomen.

„Het beleid is tot nu toe vooral gericht op het tegengaan van de verandering –bijvoorbeeld door het verkleinen van de CO2-uitstoot”, zegt Monique de Groot van DHV. „Aanpassing aan klimaatverandering is echter minstens zo nodig, want ook al lukt het de CO2-uitstoot terug te dringen, het klimaat reageert daar zo traag op dat aanpassing aan het nieuwe weer onvermijdelijk is. Met de klimaatscan kun je per gebied inzicht geven in de belangrijkste effecten.”

De plannen om te bouwen in de Zuidplaspolder in Zuid-Holland –een discussie die weer oplaaide in 2006– vormden het begin van een project dat later zou uitmonden in de klimaatscan. Bij die Zuidplaspolder was ook Hasse Goosen, nu werkzaam bij Alterra, betrokken. „Toen de plannen om te bouwen in de Zuidplaspolder bekend werden, stak er een storm van kritiek op. Woningbouw op de laagste plek van Europa met een veel natter klimaat op komst vond men absurd. In opdracht van de provincie onderzochten Monique de Groot en ik de klimaateffecten. Nadat we alle beschikbare gegevens bij elkaar hadden – een uiterst moeizame onderneming– zijn we met voorstellen gekomen waarmee de woningbouw in de Zuidplaspolder beter bestand is tegen perioden van te veel en te weinig water. De polder heeft voldoende watergangen om veel regen te kunnen bergen en de dijken die het water uit de polder moeten houden zijn hoog genoeg.”

Met de ervaringen over de Zuidplaspolder in het achterhoofd probeerden DHV en Alterra meer provincies geïnteresseerd te krijgen in het idee om voor heel Nederland een klimaateffectatlas samen te stellen. „Deelname van alle provincies is belangrijk omdat er plaatselijke verschillen zijn”, zegt De Groot. „Ambtenaren weten dat er klimaatverandering op til is, maar ze kunnen dat niet altijd vertalen naar hun gebied. Zo’n atlas met alle beschikbare informatie in kaart gebracht brengt dan uitkomst.”

Alle provincies deden uiteindelijk mee, en ook grote kennisinstituten als Deltares, KNMI en Wageningen Universiteit sloten zich aan. „Die bundeling van krachten is al opvallend”, zegt Goosen, „maar de koppeling aan beleidsmakers maakt het echt uniek. We zagen dat er bij bestuurders grote behoefte is aan informatie over klimaatverandering en de effecten daarvan op het beleid.”

Uitgangspunt van de atlas zijn de vier klimaatscenario’s (Gematigd, Gematigd+, Warm en Warm+) die het KNMI in 2006 heeft ontwikkeld. Daarin staan de waarschijnlijkste weersveranderingen in Nederland op de langere termijn. De klimaatatlas brengt in beeld wat de effecten van elk van die vier scenario’s zijn rond 2020, 2050 en 2100. Het weer wordt extremer, blijkt uit de kaarten. De winters worden zachter en de zomers warmer. De hittegolf van 2003 met drie weken tropische temperaturen zal zich gemiddeld eens in de twee jaar voordoen. Het aantal zomerse regendagen neemt af, maar áls het regent, regent het hard. Die extreme neerslaghoeveelheden zullen ook in de winter te merken zijn.

De vraag is hoe betrouwbaar die scenario’s zijn. Bestuurders moeten er ten slotte hun beleid op bouwen. Het jaar 2100 ligt dan wel erg ver weg. „Zeker”, zegt Goosen. „En hoe verder weg, hoe breder de marge met onzekerheden. Ik schat dat de KNMI-scenario’s tachtig procent afdekken. Dat is dan de bestuurlijke werkelijkheid, dichterbij kun je niet komen.”

De Groot: „Voor de klimaatscan maken we gebruik van de atlaskaarten die uitgaan van het meest extreme KNMI-scenario, het ergste dat ons kan overkomen. Bestuurders kunnen hun beslissingen voor de langere termijn op het gebied van woningbouw, landbouw en natuurbeheer daar op afstemmen. Die beslissingen toetsen we vervolgens wel aan meerdere scenario’s om te voorkomen dat je overinvesteringen doet.”

Goosen geeft het voorbeeld van de Haarlemmermeer. „Van dat gebied –met het economisch belangrijke Schiphol– is een scan gemaakt. Toekomstige situaties zijn in beeld gebracht, zodat te zien is welke functies van dat gebied, in een oplopende schaal, gevoelig zijn voor de klimaateffecten. Het is geen keihard oordeel, maar het brengt wel in kaart waarmee je als bestuurder aan de slag moet of waar extra onderzoek nodig is. Zo is in de Haarlemmermeer te zien dat zelfs in de meest extreme situatie blijkt dat het overstromingsrisico niet veel groter is dan nu. Zeker wanneer je ervan uitgaat dat de vastgestelde veiligheidsnormen van onze dijken worden gehandhaafd. Er is natuurlijk altijd een restrisico. Het is aan de politiek om te beslissen of dat restrisico kleiner moet worden.”

Gerda Zijm en Conny Raijmaekers werken als strategisch planologen van de provincie Utrecht met de klimaatscan. In 2012 wil het provinciebestuur een nieuwe integrale structuurvisie vaststellen. De klimaatscan helpt daarbij. „Door de KNMI-scenario’s weten we dat het steeds warmer, soms natter en soms droger gaat worden”, vertelt Zijm. „Met die scan kunnen we de gevolgen voor de verschillende ruimtelijke functies in de provincie bekijken. Zo is een deel van het stedelijk gebied erg kwetsbaar voor overstromingen. Wil je daar toch gaan bouwen, dan moet je voorzieningen treffen. Wellicht is het dan verstandig geen kruipruimtes onder woningen te plannen. Een verplicht dakraam is dan uit oogpunt van veiligheid aan te bevelen.”

„De landbouw moet zich ook aanpassen”, zegt Raijmaekers, „maar die heeft een eigen logica. Boeren passen zich aan als het probleem zich voordoet. De rol van de scan is in dit geval vooral informatievoorziening. De scan wijst met name op zoetwatertekorten. Dat heeft gevolgen voor de fruitteelt in de provincie Utrecht. Moeten we een maximum stellen aan het aantal fruitbomen, zoals het waterschap stelt, of kiezen de boeren ervoor hun eigen waterbehoeften te regelen? Dat heeft dan weer invloed op de keuze welke fruitsoorten ze gaan telen.”

Hittestress in steden zal meer voorkomen, stelt Raijmaekers. „De meeste temperatuurmetingen worden op het platteland gedaan. In steden is het 3 tot 8 graden warmer. Als je weet dat het warmer wordt, kun je als gemeentebestuur besluiten tot extra bomen in de stad, meer waterpartijen, of groene daken.”

De natuur is een verhaal apart. Zijm: „Het EU-programma Natura 2000 kent strenge regels. Ik kan me voorstellen dat de daarin voorgeschreven doelen door de klimaatverandering niet altijd gehaald kunnen worden. We zijn nu bezig om uit te zoeken hoe je zo’n gebied zo klimaatbestendig mogelijk kunt beheren. Soorten kunnen weg blijven vanwege de temperatuurstijging of komen juist onze kant op. De eikenprocessierups is daar nu al een voorbeeld van.”

De klimaatscan voorziet echt in een behoefte, vinden de Utrechtse planologen. Zijm: „Er is een oerwoud aan onderzoek. Dat is nu allemaal in kaart gebracht en mooi gebundeld. Het geeft geen absolute zekerheden, maar is nuttig voor de discussie. Ik zie dat bij bestuurders ook. Die worden zich steeds bewuster van het klimaatprobleem, veel meer dan pakweg drie jaar geleden. Die KNMI-scenario’s zijn dan nogal abstract. Die scan maakt het voor jouw gebied een stuk concreter.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden