Omdat het niet kan, moet het

Ik moest er een paar keer aan denken, de week voor het huwelijk van prins Maurits en Marilène van den Broek, aan wat zich in Amersfoort afspeelde, een paar jaar voor mijn geboorte. Mijn ouders woonden daar toen, aan de voet van de Amersfoortse Berg. Er kwam in die jaren nogal wat import wonen, mensen met liberalere opvattingen over geloof en kerk dan de stevig rechtzinnige gelovigen die rondom de Amersfoortse Kei geboren en getogen waren.

De 'vrijzinnigen' (zo noem ik ze maar even, in die jaren heetten ze 'de ethischen') verlangden naar een eigen gemeente, een eigen godshuis met een eredienst waarin zij hún spiritualiteit konden beleven en voeden. De gelovigen van de Kei evenwel waren onverbiddelijk in hun afwijzing. Trouw aan God en aan de vaderen weigerden zij hun dwalende broeders en zusters van de Berg de gevraagde ruimte te geven.

Mijn vader, thans 94 jaar oud, was destijds secretaris van dat Bergvolk. De groep verscheen in de kerkenraad en pleitte als Brugman om een eigen plekje onder de Amersfoortse zon van Gods genade. Tevergeefs, zij vonden geen gehoor.

In gedachten zie ik mijn vader aan de vergadertafel zitten, zwijgzaam als altijd, verbijsterd over zoveel starheid, bedroefd over zoveel liefdeloosheid en angst. “Het kan niet.” “Maar waarom kunnen wij niet met respect voor elkaar. . .?” “Nee, wij en God vinden het niet goed.” “Maar waarom kan het niet?” “Omdat het niet kan.”

Zwijgend kweet mijn vader zich van zijn taak als secretaris en schreef al die goddeloosheid op. Alleen bij de rondvraag heeft hij iets gezegd. Dat heb ik overigens niet van hemzelf, mijn vader is zoals gezegd een man van weinig woorden. Ik heb het van de zoon van de voorzitter van de Rebellenclub. “Hebt u nog iets voor de rondvraag, mijnheer Ter Linden?” vroegen ze. Mijn vader wachtte even, keek op van zijn notities en zei zachtjes “alleen dit, meneer de voorzitter: omdat het niet kan, moet het. Ik dank u wel.”

Het is vroeg in de morgen van Pinksteren wanneer ik deze regels schrijf. De dag na het huwelijk van Maurits en Marilène. Ik houd mijn hart vast voor wat er staat te gebeuren als de kardinaal en andere hoge heren deze week gaan vergaderen. Buskes heeft eens gezegd dat het grootste wonder van de Bijbel is dat de Heilige Geest in een vergádering is uitgestort. Ik zal mij in de theologische debatten niet mengen, ik zal net zo zwijgzaam zijn als mijn vader. Maar vóór de heren gaan vergaderen, wil ik graag nog even iets zeggen.

Luisterend en kijkend naar wat een hele serie commentatoren voor radio en televisie zo al te melden hadden, werd het mij vreemd te moede. Niemand had het over die twee jonge mensen die hun huwelijk voor Gods aangezicht wilden vieren en die het zó wilden vieren, samen met hun ouders die het geloof in hen hebben gezaaid, en samen met hun vrienden en met de vrienden van hun ouders. Er was alleen één troost: het stel zelf was op het moment dat al deze commentaren werden uitgesproken het middelpunt van een stralend feest. Die hoefden het gelukkig niet te horen. Kardinaal Simonis onthield zich van commentaar, dat vind ik zeer in hem te prijzen.

“Waarom niet een gewone gebedsdienst gehouden?”

De vraag is simpel en het antwoord ook: het bruidspaar wilde zo graag de Maaltijd des Heren vieren. Ik wilde dat ik u kon vertellen wat hen precies tot die vraag bewoog, maar wie dit stel heeft gadegeslagen kan er zich waarschijnlijk wel een beeld van vormen hoe gemeend en zuiver hun verlangen was. Moet pastoor Oostvogel dan zeggen: jammer, Marilène, maar wat ik bij het oecumenisch huwelijk van je zusje wel kon, kan ik bij jou niet? Moet ik zeggen: nee, Maurits, we doen het in dit land weliswaar al 25 jaar niet anders, maar jij had een voordeur verderop geboren moeten worden? Moeten wij zeggen: we laten het ervan afhangen of de televisie erbij is? (dat was nog allerminst zeker).

We moesten er niet aan denken en we hebben er verder ook niet meer over gedacht. Stel je voor: de kerken lopen leeg, jonge mensen haken massaal af, en hier zit een stralend stel, verlangend naar de verhalen en rituelen van het geloof die ze willen proberen vast te houden, en ze vragen twee dienaren van de kerk hen daarbij te helpen. Dan kun je niet gul en gastvrij genoeg zijn, toch?

“Was al die commotie niet te voorzien?” Ook zo'n vraag. Zoals gezegd: we hebben ons er eigenlijk niet mee beziggehouden. Je moet je om te beginnen niet door angst laten leiden. Je hoopt in stilte dat de pers zo barmhartig zal zijn om er niet in te gaan roeren, en je hoopt dat wanneer de pers, hardvochtig en onbeschaafd als dat volkje bij tijd en wijle is, toch gaat stoken, zij die in hoogheid zijn gezeten daarop met pastorale goedheid en bestuurlijke prudentie zullen reageren. En verder laat je je als het even kan door niets en niemand van de wijs brengen.

Wie zegt dat de pastoor en de dominee al te naïef en goed van vertrouwen zijn geweest, kan ik geen ongelijk geven. Ik zeg er wel graag meteen op persoonlijke titel bij dat ik nog een tijdje zo naïef en goed van vertrouwen hoop te blijven.

Een wellicht beschamend staaltje van onze argeloosheid biecht ik graag op: vier dagen voor de bruiloft gaf pastoor Oostvogel mij de tekst van het tafelgebed dat hij had uitgezocht. Ergens in de kantlijn stond de letter N. “Het lijkt mij mooi als jij die passage zegt”, zei Oostvogel. “Dat is goed”, zei ik.

Twee dagen later, het is avond, word ik door een journalist van de radio opgebeld, de man met de portefeuille Geestelijk Leven.

“Spreekt u het tafelgebed samen uit?”

Je vraagt je af hoe het Geestelijk Leven van zo'n man eruitziet.

“Een kleine passage zal door mij worden gelezen.”

Ik lig er niet wakker van, maar de volgende morgen na het nieuws van zeven uur is het al meteen raak: “Wanneer die woorden door een predikant worden uitgesproken, kunnen brood en wijn niet van gedaante veranderen”, klinkt het door de ether. Ik schiet er nog van in de lach ook: wat een macht heb ik! Maar het is natuurlijk te dol voor woorden. Zelfs in de hemel kunnen ze aan zulke wartaal geen touw vastknopen, laat staan dat je het op aarde aan een geseculariseerde sterveling kunt uitleggen. Toch Oostvogel maar even gebeld. “Doe dat tafelgebed maar alleen, dan geven wij zo min mogelijk aanstoot. En kies alsjeblieft een officieel goedgekeurd tafelgebed, anders krijg je daar ook nog geduvel over.”

Een tijdje later hoor ik door de radio dat ik onder het roomse juk was doorgegaan. In een volgend leven word ik buitenkerkelijk, daar kan ik mij nu al op verheugen.

Misschien vindt u het intussen aardig om te weten welk fragment van het tafelgebed de pastoor mij had toegedacht: “Roep ons op, Vader van ons allen, tot gehoorzaamheid en deemoed, doe ons luisteren, maak ons aandachtig voor uw woord Jezus Christus, die de knechtsgestalte heeft aangenomen, die gehoorzaam was tot het uiterste en daarom sinds zijn dood, verrijzenis en hemelvaart, verheerlijkt wordt door allen die zijn naam dragen.”

Je moet er inderdaad niet aan denken welk onheil zou zijn geschied wanneer die woorden uit protestantse mond hadden geklonken. Brood en wijn hadden zich van schrik niet meer kunnen transsubstantiëren. Dat ik de kelk even heb vastgehouden was voor sommigen al onverdraaglijk, hoor ik. Heer Jesu, ontferm u.

Twee uur voor de dienst begint verneem ik van de voorzitter van de kerkenraad wat voor heisa ze allemaal te verduren hebben gehad. Vergaderen tot diep in de nacht. “U hebt mij daar niets van verteld”, zeg ik.

“Wij wilden u zoveel mogelijk rust geven.”

Wat hartelijk en hoe beheerst. Terwijl die pastoor en ik toch vreemden voor hen zijn, die van elders voor een uurtje in het Apeldoornse komen inbreken. Edel. En zoals al die kerkenraadsleden daar zaten, in de banken opzij, stilletjes en bescheiden aanwezig om als goede gastvrouwen en gastheren te dienen aan de tafel des Heren. Koninklijk, dat lijkt me het passende woord. Zo zal de parochie van Oostvogel haar pastoor in bescherming nemen, voor het geval ze aan hém komen.

Het conflict is overigens niet nieuw, en dat helpt met relativeren. Altijd en overal is er spanning tussen de regels van een geloofsgemeenschap, die er natuurlijk moeten zijn, en de zorg voor mensen, die maakt dat die regels niet star maar met warmte en humor gehanteerd moeten worden. De evangelist heeft het probleem voor eens en altijd treffend onder woorden gebracht: is de sabbat er voor de mens of is de mens er voor de sabbat?

We hebben dus een oud rollenspel gespeeld, en de rollen liggen vast. De mannen met de mijters en de herders in het veld, zij zijn allebei overtuigd van hun gelijk, ze geloven allebei dat wat zij doen goed is, ze zijn allebei gehoorzaam aan wat hun heilig is. Dat alle commotie had kunnen worden voorkomen, wanneer er 'bijtijds overleg was geweest' is dan ook een illusie. Het druist bovendien in tegen de reeds decennialang vigerende en door de bisschoppen zelf gesanctioneerde praktijk dat je niet moet vragen waarvan je zeker weet dat het zal worden afgewezen.

Nog dit: mocht u ooit in Amersfoort zijn, bestijg dan ook even de Amersfoortse Berg. Daar staat de Bergkerk. Dat dat godshuis daar staat is het werk van mijn vrome vader en van zijn ongehoorzame vrienden. Die kerk, dat kon niet. Maar omdat het niet kon, moest het.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden