Om je leven denken

Wij allen denken over ons leven na. Soms. Dat deed ook Friedrich Nietzsche, maar anders dan de meesten van ons. Want Nietzsche zag zijn leven als een kunstwerk, als een roman. In het eerste deel van een beschouwing over de Duitse filosoof schrijft Rüdiger Safranski: Er zijn nauwelijks filosofen - wellicht met uitzondering van Montaigne - die zo vaak 'ik' hebben gezegd als hij. De reden daarvoor is dat Nietzsche wist dat hij Nietzsche is.' Maar een Ãœbermensch was hij niet: daarvoor was zijn 'dwang tot medelijden' te groot. Graag had hij afstand genomen van de verstikkende invloed van zijn moeder en zijn zuster, maar dan kwamen uit Naumburg de sokken en de worsten weer...

Om je leven denken - wat kan dat betekenen? Het kan betekenen dat je om je leven denkt zoals je om je leven dobbelt of om je leven strijdt. Het denken is dan van levensbelang in een ongewone, dramatische zin van het woord.

Het kan betekenen dat je om je leven heen denkt. Je vermijdt, zo goed en zo kwaad als het gaat, het contact met het werkelijke leven. Of omdat je te weinig contact hebt, verval je tot het denken. Dus in zekere zin: denken in plaats van leven.

Nietzsche heeft om zijn leven gedacht - in beide betekenissen. Laten we beginnen met de laatstgenoemde betekenis: denken in plaats van leven. Augustus 1883. De hachelijke liefdesaffaire met Lou Salomé is voorbij. Een echte, stevige liefdesverhouding was het immers niet. Nietzsche heeft de jonge, hoogbegaafde Russin, die later de muze van Rilke en de medewerkster van Sigmund Freud werd, twee huwelijksaanzoeken gedaan. Lou had ze van de hand gewezen. Zij was niet verliefd, ze was alleen maar buitengewoon nieuwsgierig naar Nietzsche, naar dat wonderlijke cerebrale dier. Zij wilde een werkrelatie. Paul Rée, Nietzsches vriend en eveneens verliefd op Lou, moest ook van de partij zijn. Het idee van een driemanschap werd opgevat. Je huurt een woning in Wenen of Parijs: afzonderlijke slaapkamers, in het midden een werkruimte waar je elkaar treft, niet om te doorgronden wat deze drie mensen maar wat de wereld samenbindt. Daar kwam niets van terecht. Lou en Rée trekken zich terug, Nietzsche wacht, in groeiende vertwijfeling. Want hij is er werkelijk van overtuigd in Lou een mens met grenzeloos begrip voor zijn geestelijke obsessie te hebben gevonden. Lichamelijk was er tussen hen beiden vermoedelijk niets gebeurd, wellicht een tedere kus op de Monte Sacro, in de Italiaanse Alpen aan het meer van Orta. Eind augustus 1883 is alles dus voorbij, en Nietzsche schrijft, terugblikkend in een brief aan Ida Overbeck: ,,Ik was vorig voorjaar als iemand die vele, vele jaren van buitenaf niets meer had beleefd; mijn ziel had geen vel meer, om zo te zeggen, en ontbeerde alle natuurlijke maatregelen die haar konden beschermen' (14-8-1883).

Nietzsche merkt dus dat hij zich uit de werkelijkheid weg had gedacht en nu, onervaren en zonder levenskennis, heeft rondgetast op een onbekend terrein en alles verkeerd heeft begrepen en misverstaan. Nog duidelijker beschrijft hij deze nadelige omstandigheid, namelijk dat hij alleen maar heeft gedacht maar niet heeft geleefd, in een brief aan Franz Overbeck, eveneens uit de tijd na de teleurstellende ervaring met Lou: ,,Ik ben door uitsluitend samen te zijn met idealistische beelden en gebeurtenissen zo gevoelig geworden dat ik in de omgang met de mensen van nu ongelooflijk pijn en gebrek lijd' (22-8-1883).

Dus: Nietzsche merkt dat hij heeft gedacht in plaats van te leven en dat hij daarom niet zijn draai in het leven weet te vinden. Hij heeft om zijn leven heen gedacht, hij is het leven uit de weg gegaan. Zo luidt het depressieve inzicht uit de zomer van 1883.

Maar laten we niet vergeten dat Nietzsche op dat tijdstip al prachtige boeken heeft geschreven: 'De geboorte van de tragedie', de 'Oneigentijdse beschouwingen', 'Menselijk, al te menselijk', 'Morgenrood' en 'De vrolijke wetenschap', en hij is net bezig met de 'Zarathoestra'.

In de brief aan Ida Overbeck van augustus 1883 lezen we nog een andere zin die ons tot de andere betekenis van 'om je leven denken' brengt. Tot de betekenis dat Nietzsche om zijn leven heeft gedacht zoals je om je leven strijdt, strijdt om in leven te blijven; dat hij denkend zijn eigenlijke leven heeft gevonden. In die depressieve brief dus staat ook de euforische zin over zijn werk aan 'Zarathoestra': in al die jaren heb ik nog nooit dit toppunt van gevoel bereikt en waarschijnlijk ben ik daarom de benijdenswaardigste van alle stervelingen (14-8-1883).

Nietzsche heeft in zijn denken (en schrijven) een ander, tweede leven voor zich geschapen. Alleen zo heeft hij kennelijk zijn eerste leven kunnen uithouden, zolang en voor zover hij het uitzat en doorijlde, denkend, schrijvend, in zijn kamer of tijdens zijn lange wandelingen. Door deze twee levens, deze twee naturen van Friedrich Nietzsche - daardoor lag hij met zichzelf overhoop. Maar de anderen, die zo braaf zijn om maar één leven te leiden, hebben er nog meer mee overhoop gelegen. Deze mensen hebben, meestal op boosaardige wijze, uitvoerig en graag bij dit contrast stilgestaan: aan de ene kant Nietzsche zoals die zich uitgeeft voor krachtmens, voor vrije geest, voor Ãœbermensch, voor Zarathoestra, puttend uit een overmaat aan levenskracht en levenslust, zich beroemend op zijn grote gezondheid, met een fijnontwikkelde zin voor de genietingen van het lichaam en met een rijke woordenschat daarvoor, iemand die de 'grote middag' van het leven bezingt, in trotse eenzaamheid en voor een imaginair publiek, dat in vervoering naar hem luistert... Aan de andere kan de ziekelijke Nietzsche, alleen, vaak onder een grijze hemel met laaghangende wolken, in onvrijwillige ascese, schuw en onbeholpen tegenover vrouwen, angstig omkijkend naar de kleinburgerlijke moraal van Naumburg; opgescheept met een intrigante zuster, tegen wie hij zich niet kan verweren; zijn moeder stuurt haar 'Fritz' worsten en warme sokken, naar Sils Maria waar de zoon tweespraak houdt met Zarathoestra; zij keurt zijn handelwijze af, wat de zoon weer bovenmatig verdriet doet; want hij blijft een moederszoon, hij blijft ook de ietwat stijve, al te waardige 'kleine dominee', zoals men de twaalfjarige schertsend had genoemd toen hij een keer op plechtstatige wijze, zoals het schoolreglement verlangde, in de stortregen over het marktplein kwam aanlopen.

Ongetwijfeld, dit contrast was aanwezig. Nietzsche heeft eronder geleden. Aan Hans von Bülow schreef hij eind 1882: ,,Wat gaat het mij aan als mijn vrienden beweren dat mijn tegenwoordige 'vrijgeesterij' een excentriek besluit is, op mijn tanden genomen, geheel in weerwil van mijn eigen natuur? Goed, het mag dan een 'tweede natuur' zijn: maar ik wil nu eens bewijzen dat ik pas met deze tweede natuur in het eigenlijke bezit van mijn eerste natuur ben gekomen.' Zonder deze tweede natuur, schrijft Nietzsche in een andere brief uit dezelfde tijd, had hij zijn eerste natuur volstrekt niet kunnen verdragen, en was hij daaraan te gronde gegaan.

De eerste natuur draagt voor hem het stempel van de christelijke moraal, meer in het bijzonder van het milieu waaruit hij voortkwam, het leven in Naumburg. De verstikkende, kleinburgerlijke, van 'moraline' doordrenkte lucht daar, die hem stijf, hypercorrect, braaf, preuts en ook vroom heeft gemaakt. Ik ben een plant geboren nabij de godsakker, schrijft de negentienjarige in een autobiografische schets. Hij is de typische modelscholier, die zich, zoals hij zelf bekent, altijd al beter in de leraren kon inleven dan in zijn medescholieren. Maar de eerste natuur is ook reeds dat vermogen en die dwang tot een haast osmotisch medelijden. Nietzsche kan niet wreed, niet hard, niet meedogenloos zijn, zoals het een Ãœbermensch wel zou betamen. Hij is niet alleen gevoelig voor invloeden van het weer maar ook voor die van mensen. Dat leidt tot onaangename verwikkelingen. Hoewel zijn moeder en zijn zuster hem vaak vernederen, klein maken, simpelweg omdat ze hem niet kunnen begrijpen, moet hij toch met hen meevoelen. Hij lijdt aan zijn overmatige bereidheid tot vergeving. Hij kan maar moeilijk voet bij stuk houden. Nog maar net heeft hij zich vast voorgenomen zijn moeder geen brief meer te schrijven, of de sokken en worsten uit Naumburg arriveren weer, en 'Fritz' bedankt op beleefde toon en gehoorzaamt zijn moeder, die van hem verlangt dat hij zich weer met zijn zuster verzoent... Hij is, anders dan hij zou wensen, een genie van het hart, de dwang tot medelijden behoort blijkbaar tot zijn eerste natuur, tot zijn instinct; medelijden is niet een van Schopenhauer overgenomen dogma, zoals hij zichzelf soms wijsmaakt.

Zijn medelijden stelt hij er ook voor aansprakelijk dat hij al te lang heeft vastgehouden aan de relatie met Lou Salomé, zo lang dat Paul Rée en Lou de spot met hem konden drijven, naar hij meent. Volgens eigen zeggen heeft hij zich al te zeer ingeleefd in beider zwakheden, en daarbij zijn eigen belangen uit het oog verloren. Aan Malwida von Meysenbug, die getuige was van de affaire, schrijft hij in juli 1883: ,,Maar het Schopenhaueriaanse 'medelijden' heeft in mijn leven tot nog toe altijd de grootste schade aangericht. Dit is namelijk niet alleen maar een vorm van slapheid waar iedere grootgezinde Helleen om zou hebben gelachen - maar ook een ernstig praktisch gevaar. Men moet zijn ideaal van de mens doordrijven, men moet met zijn ideaal zijn medemensen en zichzelf dwingen en overweldigen: en dus scheppend werkzaam zijn! Daar hoort bij dat men zijn medelijden flink in toom houdt, en dat men datgene wat tegen ons ideaal indruist, zoals bijvoorbeeld zulk gespuis als L(ou) en R(ée), ook als vijanden behandelt. - U hoort hoe ik mijzelf 'de les lees': maar om tot deze 'wijsheid' te komen heeft mij bijna het leven gekost.'

Zijn eerste natuur mist kennelijk het talent voor wantrouwen en vijanden maken. Met zijn tweede natuur moet hij dat eerst voor zichzelf uitdenken en zich door zelfopvoeding eigen maken. Dan zal hij als psychologische ontmaskeringskunstenaar zijn wantrouwen, en als filosoof van de wil tot macht het vijanden-maken, evenwel tot grote proporties opvoeren. Het is wel opmerkelijk dat hier iemand, alleen omdat hij het bij zichzelf slecht kan uithouden, uiteindelijk een hele cultuur in de beklaagdenbank moet zetten. Zijn bezwaren tegen de cultuur, tegen onze cultuur, zijn bekend. Ik geef slechts een paar trefwoorden. Nietzsches diagnose draait erop uit dat we in onze tijd, op een hoog en steeds hoger technisch niveau, de terugweg naar het dierenrijk inslaan: de bestialiteit en de stompzinnigheid nemen toe, tegelijk met de groei van het civilisatiecomfort. Ik wil daar nu niet dieper op ingaan, ik wilde het alleen maar vermelden opdat we niet vergeten dat Nietzsche een hoogst actuele filosoof is.

Voor Nietzsche althans stond vast dat je het leven alleen maar kunt verduren als je het gebruikt om er je gedachten over te laten gaan. Het hoofd beschouwde hij immers als ons edelste lichaamsdeel.

In het vierde boek van 'De vrolijke wetenschap' staat in aforisme nr. 324: ,,Nee! Het leven heeft mij niet teleurgesteld! Van jaar tot jaar vind ik het begerenswaardiger en geheimzinniger worden, - sinds de dag waarop die grote bevrijdster zich van mij meester maakte, de gedachte dat het leven een experiment van de kennende mag zijn.' Deze grondstelling, dat het leven een experiment van de kennende mag zijn, verbindt Nietzsche met zijn oude droom: wij echter willen de dichters van ons leven zijn.

Wie de dichter van zijn leven is, maakt aanspraak op auteursrechten op zijn werk. Ten aanzien van zijn beslissende, karakteristieke trekken wil hij aan zichzelf te danken hebben wat hij is en waartoe hij zich heeft gemaakt. Zo is het ook niet verwonderlijk dat Nietzsche vanaf zijn prille jeugd zijn leven heeft beschouwd als een biografie in de zin van een literair werk. Reeds als jongeling vertelt hij zichzelf de roman van zijn leven, natuurlijk is het een Bildungsroman volgens het patroon: 'hoe ik ben geworden wat ik ben'. Tot kunstwerk wordt het leven hier echter alleen in de sfeer van de voorstelling, in de formulering en vormgeving achteraf. Maar dat is voor Nietzsche niet voldoende. Het leven moet als kunstwerk niet alleen worden voorgesteld maar ook worden geleefd. Dat betekent: het huidige ogenblik beleven vanuit het perspectief van zijn toekomstige betekenis. Het leven zo leiden dat het de moeite loont erover na te denken en te schrijven. Voor Nietzsche is het niet voldoende over zijn leven na te denken. Dat doet iedereen. Hij echter wil zijn leven zo inrichten dat hij door dit leven iets te denken krijgt. Het leven als een ondergrond waaruit kan worden geciteerd, het eigen leven als een ordening waarmee het denken kan experimenteren, essayisme als levensvorm.

Nietzsche denkt uitdrukkelijk en met nadruk in de eerste persoon enkelvoud. Er zijn nauwelijks filosofen - wellicht met uitzondering van Montaigne - die zo vaak 'ik' hebben gezegd als hij. De reden daarvoor is dat Nietzsche wist dat hij Nietzsche is. Hij ervoer zichzelf als exempel en als experiment. Als exempel ervoer hij zichzelf omdat hij zocht naar een uitweg uit het heersende nihilisme, waarmee wij het immers nog steeds te stellen hebben. En wat het experimentele van zijn denken betreft, dat wil ik kort illustreren met zijn roemruchte leer van de eeuwige wederkeer.

Nietzsche heeft veel ophef gemaakt van de leer van de eeuwige wederkeer, die hij door zijn Zarathoestra laat verkondigen. De gedachte van de in zichzelf cirkelende tijd, die zijn begrensde 'inhoud' steeds weer van begin tot eind afdraait, is evenwel oeroud. In het beeld van de eeuwige wederkeer komt doorgaans een geresigneerde wereldmoeheid tot uitdrukking. De cirkelende tijdsomloop ontledigt het gebeuren tot het geheel zinloos wordt. Bij Nietzsche is dat heel anders. Voor hem betekent de bij eerste kennismaking nogal duister aandoende gedachte van de eeuwige wederkeer een experiment met zichzelf. Hij ontleent er een grondbeginsel van de levenskunst aan: je moet het ogenblik zo doorleven dat het voor jou kan weerkeren zonder dat je ervan gruwt! De gedachte van de eeuwige wederkeer heeft bij Nietzsche niet zozeer een kosmisch-metafysische betekenis, het is zelfs in eigenlijke zin geen gedachte op het gebied van de kennis, dus van de afbeelding van de wereld, maar een gedachte op het gebied van de zelfontwikkeling: zij hoort haast thuis in de categorie van de zelfsuggestie. Dat is Nietzsches stijl: de meest verstrekkende en grootschalige gedachten hebben een existentiële pointe. Voor Nietzsche geldt: een gedachte die jou niet op een of andere manier tot een ander mens maakt, deugt nergens voor. Door middel van de gedachte van de eeuwige wederkeer wil hij een ander mens worden. Met zijn voorliefde voor beeldend taalgebruik roept hij de mogelijke gelukstoestanden in het nu op. De voorstelling van de cirkelende tijdsomloop denkt hij samen met het beeld van het grote wereldspel. Ook het spel is zoals bekend op herhalingen gebaseerd, maar die beleven wij hier als aangenaam. Voor Nietzsche treedt met de dood van God het karakter van het menselijk bestaan als waagstuk en als spel aan het daglicht. Deze spirituele frivoliteit bereiken om tot het bewustzijn van het wereldspel door te dringen - dat hoort volgens Nietzsche tot de levenskunst. Dit is bij Nietzsche de betekenis van het transcenderen: het grote spel als de grond van het zijn ontdekken. Nietzsches Zarathoestra danst, als hij deze grond heeft bereikt, hij danst als Sjiva, de Indische god van de werelden. Zo is hij ook, kort voor zijn geestelijke instorting, gezien door de vrouw van de Turijnse kioskhouder, bij wie hij inwoonde. Ze heeft, zo vertelt ze, de professor in zijn kamer horen zingen en heeft, verontrust door andere geluiden, een blik door het sleutelgat geworpen: daar heeft ze hem naakt zien dansen.

Geen twijfel mogelijk: in zijn beste ogenblikken lukt het Nietzsche een speelse lichtheid van taal en gedachte te bereiken, een zwierigheid die, ook bij leed en zware gedachtenvracht, weet te dansen, een vrolijkheid 'ondanks alles', een mengeling van extase en gelatenheid. Dan worden er gezichtspunten bereikt van waaruit het leven één groot spel lijkt te zijn. Hier worden we rijkelijk schadeloos gesteld voor de soms vreeswekkende gedachten die eveneens bij Nietzsche zijn te vinden. Maar daarover de volgende week.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden