'Om Anne Frank hing een soort heiligheid, die moest er van af' 'Dagboek' in nieuwe bewerking van Mies Bouhuys op toneel

'Het dagboek van Anne Frank' gaat 21 januari in première in de Koninklijke Schouwburg in Den Haag.

Mies Bouhuys (68), vertaalster en bewerkster van de Amerikaanse toneelversie van 'Het Dagboek van Anne Frank', dat komende zaterdag in Den Haag in première gaat ter gelegenheid van de vijftigste herdenking van de bevrijding, las het dagboek twee jaar na de oorlog en ze is er nog steeds diep van onder de indruk. “Alle groten van de wereldliteratuur waren er door gefascineerd, door de puberteit. Maar iedereen, zoals bijvoorbeeld Mulisch bij ons, heeft er pas achteraf, als volwassene, over geschreven. Ik heb er naar gezocht, maar vergelijkbare geschriften heb ik niet ontdekt. Dat je het kunt ontleden als je er middenin zit, is ongelooflijk. Bovendien had Anne toen, in die onderduiksituatie, op geen enkele manier een referentiekader. Geen school. Geen leeftijdgenootjes. Dat blijf ik knap vinden.”

Omdat Mies Bouhuys ongeveer even oud was als Anne Frank toen de oorlog begon, kon zij haar eigen ervaringen goed vergelijken. “Ik kan me herinneren dat er een huiszoeking was. Ze keken overal, onder bedden, in kasten. Je wist als kind waartoe dat zou kunnen leiden. Je wist van het illegale krantje en andere dingen. Toen ze weg waren, rende ik naar beneden: 'Hebben ze iets gevonden?' Maar zij zeiden: 'Ga jij maar slapen. Daar hoef jij je niet druk over te maken.' Ik was d op een na de jongste in een groot gezin, een nakomertje, en mijn weten werd ontkend. Dat volwassenen niet begrijpen dat je gehoord wil worden, voel je als kind als een enorm onrecht. Die onrechtvaardigheid herkende ik onmiddellijk heel sterk in het dagboek. Dat was voor mij een echte verrassing.”

“Ik was erg betrokken bij de gebeurtenissen, was er heel erg trots op ook dat ik een vader had - hij was onderwijzer - die zulke dingen deed als de Davidster meenemen naar school om duidelijk te maken dat we ons moesten schamen dat zoiets kon gebeuren. En die dus onmiddellijk werd gearresteerd. Zelf had ik ook een schriftje waarin ik een dagboek bijhield, maar dat stelde niks voor. Daar stonden alleen van die avontuurlijke dingen in, van een vliegtuig dat was neergehaald en dergelijke. Ik was nog helemaal niet toe aan wat Anne Frank onder woorden wist te brengen over wat mensen elkaar aandeden.”

“Het dagboek heeft in wezen twee thema's: de waanzin van oorlog en vervolging, en het onbegrip van volwassenen. Je kunt ook zeggen dat de boodschap is, dat het altijd zin heeft om tegen onrecht op te komen. Wat ik belangrijk blijf vinden is: laten zien hoe snel iets kan gaan, hoe gemakkelijk het ontwikkelen van een stigma - een jood is anders - kan leiden tot het niet meer met elkaar omgaan, omdat dat te gevaarlijk is. Nu leven we wat dat betreft ook in een verontrustende tijd, economisch en politiek. Als het slecht gaat, gaat men meteen kijken aan wie dat ligt. Ik hoorde pas van een jongen, dat een van zijn beste vriendjes niet op zijn verjaardag mocht komen van z'n moeder. Omdat hij een Turkse jongen was.”

“Ik ga zelf veel naar scholen in verband met dit en andere projecten naar aanleiding van de oorlog. Het onbegrepen zijn spreekt aan. Positief vind ik, dat ik soms bij grote scholengemeenschappen kom, met duizenden leerlingen, waar het thema racisme tegelijkertijd bij verschillende leeftijdsgroepen behandeld wordt. Er is meer begrip voor deze problematiek. Dat ligt ook aan de leerkrachten, die soms al van de tweede generatie zijn.”

“Hoe snel vooroordelen kunnen verworden en tenslotte tot genocide kunnen leiden, dat is de waarschuwing die in het stuk zit. In 1956, toen het stuk hier voor het eerst werd opgevoerd door toneelgroep Theater, was men nog niet in staat om er op die manier tegenaan te kijken. Er was vooral eerbied. Het droop van sentiment, daar zouden je tenen nu krom van gaan staan. De speelstijl was eigenlijk van voor de oorlog. Rob de Vries, die vader Otto Frank speelde, was bijna een oudtestamentische profeet. Toen was dat heel aangrijpend. Het snikken in de zaal, dat heb ik nooit meer zo gehoord. Het praten over de oorlog kwam toen pas echt op gang.”

“Als mijn man, Ed Hoornik, en ik ergens op bezoek gingen, zeiden we vaak: 'Denk erom, niet over het kamp praten.' Daar konden de mensen niet tegen. De brieven van Etty Hillesum bijvoorbeeld, die toen al waren uitgegeven, kwamen onmiddellijk in de ramsj terecht. De Bezige Bij en andere uitgeverijen hadden het dagboek van Anne Frank afgewezen, omdat ze inschatten dat het publiek dit absoluut nog niet aandurfde. Dat niet-praten heeft trauma's veroorzaakt bij mensen die wél wilden praten en verwerken. Mijn man, die ik kort na de oorlog had leren kennen, kon er goddank over praten. De mensen die dat ook wilden, zochten elkaar op, kwamen hier: Boebi Brugsma, Nico Rost. Hier ging de oorlog gewoon door.”

Met die eerste opvoering van het dagboek had Mies Bouhuys geen enkele bemoeienis. Wel had ze zich, sinds ze zo door het dagboek was geraakt, in het onderwerp verdiept. Reden waarom Jeroen Krabbé, die het initiatief nam voor een tweede opvoering, in 1984, bij haar aanklopte voor een nieuwe vertaling en bewerking. Een bewerking die ze nu, op verzoek van producent Jacques Senf en regisseuse Arda Brokman, wederom heeft aangepast.

“Ik zat toen”, zegt Mies Bouhuys, “al jaren in het bestuur van de Anne Frank Stichting. Twee jaar daarvoor had ik al een boekje over Anne Frank geschreven, 'Anne Frank is niet van gisteren', omdat je in het begin van de jaren zeventig zag dat de bezoekers van het Achterhuis haar gingen zien als een soort heilige. Zoals een Duitse zei: 'Aber díe hütten sie doch sparen können'. Zo'n houding is zo mogelijk nog erger, een soort omgekeerd antisemitisme. Ik wilde laten zien, dat ze net zo'n gewoon kind was als alle andere kinderen; dus laten zien, dat zoiets zomaar weer kan gebeuren. Een zelfde soort heiligheid hing ook om het stuk. Dat moest er van af.”

Nu was en is een bewerking nog steeds niet eenvoudig te realiseren. In de jaren vijftig verleende Otto Frank het exclusieve recht op dramatisering van het dagboek aan het Amerikaanse schrijversechtpaar Francis Goodrich en Albert Hackett, en dat recht wordt buitengewoon stevig bewaakt. Mies Bouhuys: “Je merkt, inmiddels al weer tien jaar verder, dat het wel een heel erg realistisch jaren vijftig-stuk is. Je zou het, om het een universeler betekenis te geven, veel meer moeten abstraheren. Maar met de rechten van die Amerikanen gaat dat zo moeilijk. Regisseuse Agaath Witteman wilde een stuk over Anne Frank doen en de toneelversie van de Hacketts - hij leeft nog - helemaal loslaten, maar dat mocht niet. Die rechten worden pas zeventig jaar na de dood van de auteur vrijgegeven. Dat is dus pas in 2015.”

“Typisch Amerikaanse misvattingen, zoals een Otto Frank die het gordijn opzij schoof om naar marcherende SS'ers te kijken, heb ik er de eerste keer al uitgehaald. Dat kon natuurlijk nooit. Verder heb ik geprobeerd het stuk zoveel mogelijk aan te passen aan wat we nu weten. Volgens het oorspronkelijke begin zou Miep Gies het dagboek meteen bij Otto Franks terugkeer uit het concentratiekamp in zijn handen hebben gedouwd. Maar Frank - Auschwitz was veel eerder bevrijd dan Bergen-Belsen - is eerst per schip naar Marseille gebracht en vervolgens naar Basel gegaan, naar zijn moeder. De afspraak was, dat hij en zijn dochters elkaar daar weer terug zouden zien. Toen hij uit dat Zwitserse milieu, waar geen oorlog was geweest, geheel opgeknapt hier kwam, was hij ervan overtuigd dat ze nog leefden. Daarom gaf Miep Gies het nog niet, omdat ze wist hoe belangrijk, en privé, het dagboek voor Anne was.”

“Bij het Centraal Station hingen lijsten met namen van overlevenden - natuurlijk veel meer briefjes met vragen - en Otto Frank ging daar elke avond kijken. Eind augustus kwam het bericht van de zusjes Brilleslijper, die als vriendin en verpleegster heel precies wisten hoe het gegaan was met Anne en Margot. Toen pas heeft Miep Gies het dagboek gegeven.”

“Juist omdat Miep daar zo zorgvuldig mee omging, had ik dat vertekende begin in '84 helemaal weggestreept. Nu heb ik, in samenspraak met de regisseuse, het stuk nog meer als een terugblik van Otto Frank herschreven en de bestaande proloog aangepast aan die meer met de werkelijkheid overeenstemmende situatie. Als hij na het doodsbericht het dagboek van Miep Gies heeft gekregen, hoort hij de stem van Anne en wordt in zijn herinnering het Achterhuis weer bevolkt met zijn familie en de andere onderduikers. Ook de citaten tussen de scènes zijn nu veel meer zijn projectie geworden.”

“Met Miep Gies heb ik heel veel contact gehad over het stuk. Otto Frank heeft er tot zijn dood veel afstand van gehouden. Hij kon er niet goed tegen, al wist hij best dat er dingen niet klopten, zoals zo'n tandarts Dussel, die veel aardiger was dan Anne hem zag: natuurlijk haat je zo'n man, wanneer je als kind je kamertje daarmee moet delen. Het stuk is heel erg vanuit de zwart-wit-gedachte geschreven. Anne signaleerde zelf, zoals zij daar met elkaar omgingen met alle ruzietjes, irritaties en eigenaardigheden: 'Zo is de wereld.' Als die analyse er meer was uitgehaald, was het stuk interessanter geweest. Dat bijna-karikaturale blijf ik jammer vinden, al kan de regie daar een hoop in sturen.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden