Olympisch chef Jan Loorbach vindt in zijn werk dezelfde uitdaging en spanning als in de sport

ROTTERDAM - Negentien medailles in Atlanta, dertig in Sydney. Erfenis en verwachting die de teruggetreden chef de mission André Bolhuis naliet. Niet zonder ironie reageert zijn opvolger Jan Loorbach: “Dat is handig van hem.”

Voorlopig mag iedereen alles roepen van de oud-basketballer. “Maar laten we eerst maar eens proberen de prestaties te herhalen die we hebben behaald. Daarna kunnen we gaan denken aan overtreffen. In Atlanta hadden we weinig dat net niet is gelukt, we hebben er geen pech gehad. Het is nu niet zo van we doen hier en daar een druppeltje olie bij, een extra training en voilà, daar vallen de medailles van de boom.”

In zekere zin bepaalt Loorbach ongewild nu al de erfenis voor de man/vrouw die in zìjn voetsporen zal treden. Want in principe heeft het bestuurslid van NOC-NSF voor de duur van één olympiade en Olympische Spelen plaats genomen aan het hoofd van het team de mission dat richting moet geven aan de Nederlandse topsport. In die functie zoekt Loorbach de spanning die hij ooit als actief basketballer heeft ervaren. De beperkte tijdspanne heeft alles te maken met het beslag dat de functie op de advocaat zal leggen.

“Ik probeer gezond te leven. De veertien kilometer naar en van kantoor leg ik op de fiets af. En ik speel basketbal in het tweede, dat door het teruglopende ledental tevens het laagste team is. Ik ben nu zeven jaar bestuurslid van NOC-NSF en heb in die tijd ook hard gewerkt. Dat springt misschien niet zo in het oog, pas nu wordt er de aandacht op gevestigd. Tot en met '98 verwacht ik dezelfde werklast. In '99 en 2000 zal het zwaar ingrijpen in mijn normale werktijd en privé-leven. En de laatste paar maanden voor de Spelen zal ik nauwelijks voor iets anders kunnen leven. In het contract met mijn maatschap is voorzien in een sabbatical periode. Men kan er drie, vier maanden tussenuit om een zeiltocht in de Pacific te maken, een boek te schrijven, een periode van bezinning in een Zen-klooster door te brengen of zo gek te zijn je tijdens Olympische Spelen uit te leven als chef de mission.”

“Je kan je afvragen of het terecht is dat deze functie nog door een onbezoldigd persoon wordt ingevuld. Zij is zo belastend dat je een deel van je beroepstijd moet opgeven. Maar dat is een discussie die in de toekomst moet worden gevoerd. Eén keer is voor mij goed te plooien. Ik heb niet het idee van Sydney zien en dan sterven. Maar bij de sluitingsceremonie ligt de finishlijn.”

Vanuit het oogpunt van marketingstrategie is niet zo nagedacht over het belang van zijn publieke functie voor het Rotterdamse kantoor Nauta Dutilh, waarvan Loorbach partner is. “De directe reactie van mijn compagnons was er een van enthousiasme. Natuurlijk alleen al vanwege de lol die ze hebben aan het uithoren tijdens de lunch van hoe het allemaal zit. Intern is de filosofie binnen het bedrijf er een van: wij van de post vinden het prachtig Piet Kleine als postbode te hebben, die op zijn 68ste weer een marathon wint. Extern kan het misschien helpen, een publiek figuur binnen je gelederen. Al kan negatieve publiciteit zijn weerslag hebben. Maar daar ga ik niet vanuit.”

Loorbach kan zich vinden in de vergelijking met de sporter die van zijn baas werktijd mag besteden aan training en wedstrijden. Zelf heeft de vijftigjarige bestuurder als oud-international nooit van een dergelijke regeling kunnen of willen profiteren. “In mijn tijd was een keuze voor basketbal niet aan de orde. We waren vijf keer in de week met sport bezig, nu twee keer per dag. Je had wat Nederlandse Amerikanen die er een baantje bij hadden, als bij wijze van spreken inpakker. De overgang zat er dus al wel in. Maar standaard was dat je inkomen uit iets anders had. Of je was zoals ik student, als je er eens vijfduizend gulden per jaar met basketballen bijpakte, was dat leuk.”

“De manier waarop ik heb gesport, daar heb ik vrede mee. Het enige dat ik wel vaak heb overdacht is, dat als ik op mijn twaalfde met basketbal was begonnen in plaats van op mijn achttiende, het anders had kunnen lopen. Op zo'n late leeftijd krijg je een sport nooit echt meer onder de knie. Was ik op mijn twaalfde als jongetje van twee meter door een goede club gescout en ze hadden ze me de sintelbaan opgeschopt om me eerst goed te leren lopen en voorzichtig begeleid met krachttraining, dan was ik ongetwijfeld beter geworden. Dan had ik op mijn achttiende een keuze moeten maken. Gewoon studeren in Groningen en advocaat worden of naar Amerika gaan voor het basketbal. Die keuze is er niet geweest. Ik heb mijn jeugd doorgebracht in Emmen. Daar en in de wijde omgeving werd destijds niet gebasketbald. Dus heb ik er ook nooit bij stilgestaan. Ik had hooguit ooit een studievertraging van een jaar willen accepteren.”

Bij zijn presentatie als chef de mission gaf Loorbach vorige maand niet voor het eerst aan dat de sport hem van de frustratie van het extreem lang zijn (2.16 meter) heeft afgeholpen. Zijn zelfrespect groeide, waarna hij in de functie van bestuurder iets terug kon geven. Van een inhaalslag op het verleden, wil de Rotterdammer niet weten.

“Dit is geen compensatie voor gemiste kansen. Ik ben in het bestuur van de Nederlandse basketbalbond gekomen omdat ik vond dat ik zoveel plezier aan basketbal heb beleefd en er zoveel voor mijn geestelijke ontwikkeling aan heb gehad, dat ik me bij de sport in het krijt voelde staan. Die schuld heb ik wel ingelost. Dit project doe ik omdat ik het een uitdaging vind. En misschien wel op de manier waarop ik in de sport heb geleerd de spanning op te zoeken en het gevecht aan te gaan. Dat blijft je toch altijd bij. Je zit voor een Europa Cup-wedstrijd in de kleedkamer, Ahoy' is uitverkocht, en je denkt: waar ben ik aan begonnen. Je wordt bevangen door faalangst en gaat je afvragen hoe de meest simpele dingen ook alweer gingen. Die spanning van zo dadelijk moet ik iets waarmaken, kan ik het wel? En dan de uitdaging dat je het niet meer kan ontvluchten en de afloop als het toch weer redelijk is gelukt. Dat hele mentale proces van de spanning, de uitdaging, het erin duiken, alle energie geven en na afloop de bevrediging dat je weer hebt gedurfd en gekund, dat blijf je zoeken als je dat als sporter een keer hebt gehad.”

“Dat vind ik ook in de rechtszaal, wat dat betreft heb ik een leuk en spannend vak. Maar in de sport blijft dit soort uitdagingen trekken. Het houdt mij fris om in die verschillende werelden te zitten. Ik herken in mijn beroep situaties uit de sport, zowel actief als bestuurlijk. En vice versa. Het vult elkaar aan en wisselt af. Een kruisbestuiving van ideeën en ervaringen die je in de ene helft van je bestaan opdoet en die je kunt gebruiken in de andere helft van je bestaan. Je bent je zorgen in de ene wereld geheel kwijt als je in de andere wereld stapt. Misschien van de regen in de drup of van de ellende in het leed, maar zo beleef ik het niet. Het enige storende in die overgang is dat je vaak tussen half zes en zeven moet proberen van Rotterdam naar Papendal te komen. Dat vind ik eigenlijk de enige stress van mijn dubbele portefeuille.”

Je ziet bestuurders in de sport soms hele andere dingen doen en rare uitglijders maken, die ze in het beroepsleven nooit zullen overkomen.

“Dat heeft te maken met het feit dat mensen veranderen wanneer wat ze doen publicitaire aandacht trekt. Ik heb het idee dat als mensen uitglijders maken, dat is omdat ze hun normale gedrag kwijtraken wanneer er televisiecamera's snorren. Dan voelen ze zich misschien groter dan ze zijn, ik weet het niet. Ik vind het wel gek. Het zijn allemaal beheerste en bekwame mensen die dan opeens . . . ze worden dan, en ik heb het vooral over de betaald voetbalsfeer, opeens afgerekend op dingen die ze zich in de beslotenheid van hun gewone werk makkelijk kunnen permitteren. Aan de ene kant gaan sportbestuurders dan geagiteerd optreden, dat geeft de pers alle reden erin te stappen en zo ontstaat een soort escalatie. Hoe is het eigenlijk met Beenhakker, heeft hij al getekend?” Vraagt de man zich af die anderhalf jaar geleden in de rechtszaal de belangen verdedigde van PAOK Saloniki in het conflict met Feyenoord, over de overgang naar Rotterdam van de inmiddels al weer geloosde Arie Haan.

“Het mannetjes maken kan storend zijn, maar is soms ook heel vermakelijk. We moeten niet vergeten dat het niet de mooiste karaktereigenschappen zijn die je in deze wereld verder brengen. Ambitie, ijdelheid, dat soort zaken. Ik ben daarin zelf ook niet zonder, wat ik doe heeft natuurlijk ook te maken met ijdelheid. Dat zijn dingen die een beetje worden gezien als negatieve eigenschappen maar vaak brengt het wel wat tot stand. Het is de brandstof voor de vooruitgang. Soms ziet het er komisch uit, daar moeten we maar niet te zwaar aan tillen.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden