Olie vloeit al te rijkelijk in het oerbos van Ecuador

Bodemvervuiling door gemorste olie. (FOTO'S BEN SPECK EN KARIN ANANIASSEN) Beeld
Bodemvervuiling door gemorste olie. (FOTO'S BEN SPECK EN KARIN ANANIASSEN)

Veertig procent van Ecuadors export bestaat uit aardolie. Het grootste deel daarvan wordt gewonnen in het qua biodiversiteit rijkste gebied ter wereld: Yasuní. De oorspronkelijke bewoners, indianen en kleine boeren, strijden vergeefs tegen vervuiling en verdere ontginning van het gebied.

Stijntje Blankendaal

Tepa Quimontari weet na veertig jaar olie-exploitatie dat ze er genoeg van heeft. De oude vrouw (naar eigen zeggen 79 jaar) is een Tagaeiri-indiaanse die als jonge vrouw de overstap naar de ’beschaafde samenleving’ heeft gemaakt. Ze trouwde met een lid van de Waorani, een indianenstam die al contact had met de blanken.

In het Wao, de taal van de Waorani, waarbij Tepa’s jongste zoon Nenquimo Nenquimo (19) de Spaanse vertaling levert, vertelt Tepa haar verhaal, terwijl de lichten en gasvlammen van de olieplatforms links en rechts de hemel oplichten: „Ik ben hier in de buurt geboren. Mijn vader vertelde dat de helikopters duivels waren, die onze speren niet konden bereiken. Nu weet ik dat het geen duivels zijn, maar door mensen bestuurde dingen. Maar voor mijn broeders en zusters, Tagaeiri, zijn het nog altijd duivels.”

Na al die jaren mist de vrouw nog steeds haar bloedverwanten. „Ik kan geen contact met ze hebben en weet ook niet of zij nog weten dat ik hier ben. Ik mis ze. De olie heeft onze grond vervuild, de dieren verjaagd. Daarom willen wij geen olie meer.”

De Waorani gemeenschap Yawepare (Stroom van de Toekan), waar Tepa als jonge vrouw terecht kwam, ontvangt voor het eerst vreemden voor de nacht. Ze hebben een typisch Waorani huis voor de buitenlandse gasten klaargemaakt. Verse palmbladeren sluiten beide zijden van de overkoepelend bladerenstructuur af. In de gemeenschap wonen tien families, die allemaal komen kijken. Dit bezoek moet uitwijzen of het dorp klaar is voor meer ecotoeristen.

De volgende ochtend vraagt Moipa Niwa, voorzitter van Yawepare, om een gesprek. Hij is net met een snelle motorboot via de Napo-rivier teruggekeerd van een vergadering met vertegenwoordigers van alle Waorani-gemeenschappen uit de omgeving. Niwa (26) vertelt: „We hebben gemeenschappelijk besloten ’nee’ te zeggen tegen verdere olie-exploitatie. We willen dat het hele gebied tot Waorani-gebied wordt verklaard, wat het altijd geweest is, en we gaan ons richten op ecotoerisme. Als de bedrijven tóch nog olie willen exploiteren, zullen ze daarover eerst héél goed met ons moeten onderhandelen.”

Het gebied Yasuní waar de indianen over vergaderd hebben – inzet van hun strijd met de oliemaatschappijen – bestaat uit het Nationale Park Yasuní (met 982.000 hectare bijna een kwart van Nederland) en het land van de Waorani-indianen (612.560 hectare). Het ligt in het Amazone-gebied van Ecuador, op de grens met Peru. Het is zeer rijk aan planten- en dierensoorten: qua biodiversiteit is het mogelijk zelfs het rijkste gebied(en) ter wereld. Unesco verklaarde het in 1989 tot wereldreservaat ’biosfeer Yasuní’.

Maar Yasuní is ook rijk aan ruwe olie onder de grond. Op de kaart geven rechthoekig getrokken lijnen de gebieden aan waar Petro-Ecuador en buitenlandse oliemaatschappijen als het Chinese Petro Oriental en Repsol momenteel olie winnen. De exploitatie is sinds de jaren zeventig op gang gekomen en is van groot belang voor de economie van Ecuador. Veertig procent van Ecuadors’ export bestaat uit olie.

De olie-exploitatie staat niet alleen voor grote economische belangen, maar ook voor ernstige sociale spanningen en milieuproblemen, stellen milieubewegingen als Acción Ecológica (Ecologische Actie, verbonden aan Friends of the Earth) en Frente de Defesa de la Amazonia (verdedigingsfront van de Amazone).

Berucht is de zaak die bekend staat als de ’Tsjernobyl-ramp van de tropen’. Texaco (Chevron) liet tussen 1972 en 1992 bij de exploitatie naar schatting 70 miljard liter giftig water, dat met de boringen vanuit de diepte vrijkomt, het milieu instromen. Dertigduizend getroffenen uit tachtig gemeenschappen voeren sinds 1993 een rechtszaak tegen Texaco, dat de schuld schoof op het falen van de waterzuivering. Maar de problemen worden evengoed veroorzaakt door het nationale bedrijf Petro-Ecuador en de vele kleine maatschappijen.

De Waorani-indianen hebben geen zeggenschap over hun eigen gebied, als het over olie-exploitatie en mijnbouw gaat. Al horen daar, volgens de Ecuadoriaanse grondwet, referenda over te worden gehouden. De spelregels voor het gebied, opgesteld door het Ierac, het nationaal instituut voor landhervorming en kolonisatie, luiden: ’De begunstigden (van het reservaat, red.) mogen niet het onderzoek en/of de exploitatie door de nationale regering en/of geautoriseerde personen of bedrijven tegenhouden of bemoeilijken.’

Dat heeft ervoor gezorgd dat van het leefgebied en de oude leefwijze van de Waorani niet veel over is. Wegen en pijpleidingen doorsnijden van alle kanten het gebied. De plaatselijke bevolking – boeren en indianen – is volop ingezet als bij de aanleg van de olievelden.

Zelfs van het officieel beschermde Nationale Park Yasuní is nog slechts driekwart daadwerkelijk tegen exploitatie beschermd. Dat deel van het park werd in 1999 toegekend als leefgebied aan de in zelf verkozen isolement levende Taromenani en Tagaeiri-indianen – de familie van de oude Tepa. Zij hebben, in tegenstelling tot de verwante Waorani, nog altijd geen contact met de westerse samenleving.

Wel zijn er steeds vaker conflicten tussen de geïsoleerde en de ’geïntegreerde’ indianen. De Taromenani en Tagaeiri zijn nomaden, die af en toe buiten hun gebied komen. Soms gaan ze tot de aanval over, uit kwaadheid over het lawaai, de vervuiling en de boskap. Bij confrontaties zijn de afgelopen jaren meerdere mensen door hun lange speren gedood. In 2003 werden 26 Tagaeiri, onder wie vrouwen en kinderen, vermoord door Waorani die illegaal hout aan het kappen waren.

„Niemand van de lokale bevolking is er beter op geworden met de komst van de oliemaatschappijen’, stelt Washington Huilca, lid van het Red de Líderes, een netwerk van gemeenschapsleiders, en werkzaam voor de niet gouvernementele organisatie Pueblos Ancestrales (vooroudervolken) die probeert de bevolking bewust te maken van de sociale gevolgen van de olie-exploitatie.

Huilca, een kleine boer, verloor zijn schoonfamilie vorig jaar augustus bij een aanval door Tagaeiri-indianen. Maar hij weigert de vinger uit te steken naar de indianen als oorzaak van zijn problemen. Hij kent alle Waorani-gemeenschappen in de omgeving en weet hoe ze, net als hij, zijn getroffen door de gevolgen van de oliewinning.

Een paar uur lopen vanaf het dorp ’Stroom van de Toekan’ ligt de indianengemeenschap Tobeta, bekend van ’wachtpost Davo’. Een over de weg gespannen touw verspert de doorgang. Als zijn pet goed staat – en hem twee flessen cola beloofd worden – laat indianenleider Davo Enomenga het touw zakken om je het indianengebied binnen te laten gaan. Zijn machete en geweer staan terzijde bij het wachthuisje. In zijn gebied is het Chinese Petro Oriental actief.

Veel indianen zijn in de loop der tijd zwaar teleurgesteld geraakt in de oliemaatschappijen. „Ze beloofden aanvankelijk van alles”, vertelt Caree Enomenga (39), de zoon van Davo. Hij werkt in een kantoor van het ministerie van milieu in een groter dorp verderop. „Mijn dorp Tobeta vroeg om een ziekenhuis, een school en een educatief centrum, maar daar kwam uiteindelijk niets van terecht. Dat heeft mijn vader verbitterd in zijn strijd.”

Volgens Enomenga liggen er nog tonnen achtergelaten petroleum, van jaren her. „De rivier Tiputini heeft zwart gezien van de olie. Kilometers weg werden met opzet onder de olie gespoten. We willen de grote concerns nu dwingen om alles schoon te maken. We willen weer in de natuur leven.”

De volkstelling in het jaar 2000 wees uit dat 90 procent van de bewoners van Yasuní nog steeds in armoede leeft, ondanks de grootschalige oliewinning. In 2008 leidde de onvrede in het plaatsje Dayuma en de omringende gemeenschappen tot een opstand. Gemeenschapsleider Huilca was erbij. „Die dag hebben we de wegen afgezet en de petroleumkranen dichtgedraaid. Vrouwen en kinderen werden door militairen onder de voet gelopen. Er vielen 32 gewonden. Onze eis was elektriciteit, schoon drinkwater en medische voorzieningen. Het ging om onze eenvoudige basisrechten, die aangetast zijn door de vervuiling.”

De Ecuadoriaanse overheid heeft altijd ontkend dat er sprake is van ernstige milieu- en gezondheidsproblemen in Yasuní. Maar artsen van het Medisch-Tropisch instituut in Londen (Environmental Epidemiology Unit, London School of Hygiene and Tropical Medicine) toonden al in 1991 aan dat het water op veel plekken tot ver boven de internationale normen vervuild was. Naast een verhoogde kans op allerlei vormen van kanker, zoals maag- en huidkanker, veroorzaakt olievervuiling diarree, gastritus (ontsteking van het maagslijmvlies) en huid- en ademhalingsproblemen.

Een mensenrechtenorganisatie in het plaatsje Francisco de Orellano liet onafhankelijk onderzoek verrichten naar de waterkwaliteit in Yasuní. Volgens dat onderzoek is 60 procent van de rivieren in Yasuní vervuild door zware metalen en olieresten. Terwijl de plaatselijke bevolking volledig afhankelijk is van het rivierwater: om te baden, te koken en te drinken.

Huilca kent de gevolgen daarvan zelf aan den lijve. In 2003 kwam een oliebedrijf seismische metingen verrichten in de gemeenschap waar hij toen nog woonde. Huilca: „Bijna alle bewoners verkochten hun 50 hectaren land, voor 20 dollar per hectare. Behalve mijn broer, twee ooms en ik. Wij wilden ons land niet kwijt in ruil voor duizend dollar. Maar bij de seismische metingen hebben ze de explosieven veel te dicht bij onze drinkwaterbronnen tot ontploffing gebracht. Mijn kinderen kregen huidwonden. De dokter vertelde dat het door de vervuiling kwam, waar we niets tegen konden doen. Mijn schapen kregen tumoren, de twee koeien die we hadden, stierven.”

Sinds drie jaar woont hij nu op een figuurlijk eiland, gevlucht voor de vervuiling. De route naar zijn huis loopt aanvankelijk nog over een asfaltweg, de Via Auca, aangelegd door de oliebedrijven. Een onverharde weg leidt dan naar een pad dat nog slechts te voet of per paard begaanbaar is. Een uur lopen verderop staat daar zijn huis, gebouwd op palen en met palmbladeren dak. Het oerwoud komt bijna tot aan de deur. Huilca heeft negentien hectare, waarvan achttien oerbos. Zijn vrouw Fatima en hij hebben negen kinderen.

De gemeenschap, waar zeven families leven, weigert per definitie olieboringen in het gebied. „Wij willen hier op een andere manier leven en voeren de strijd nu samen met andere gemeenschappen”, zegt Huilca. Eind 2008 kwamen er helikopters om ook hier seismische studies te verrichten, maar dat hebben we niet toegestaan. We hebben de politie erbij geroepen. Het ging ten slotte om schending van onze eigendomsrechten.”

De oude indiaanse vrouw Tepa Quimontari is dit voorjaar naar president Rafael Correa in de hoofdstad Quito geweest: „Hij heeft me ontvangen en gezegd dat de grond van ons is. Als hij zich niet aan zijn woorden houd, ga ik weer naar Quito. Wij willen hier geen olie meer.”

Een depot voor afvalolie bij de grens van het Yasuní Nationaal Park (Trouw) Beeld
Een depot voor afvalolie bij de grens van het Yasuní Nationaal Park (Trouw)
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden