OFFICIEEL ORGAAN VAN HET NEDERLANDS GENOOTSCHAP ...

OFFICIEEL ORGAAN VAN HET NEDERLANDS GENOOTSCHAP TER BEVORDERING EN VERBREIDING VAN NUTTELOZE KENNIS. OPGERICHT 14 JULI 1989 TE AMSTERDAM. VOORZITTER:JAN KUIJK, SECRETARIS/PENNINGMEESTER: RUUD VERDONCK, LID: ROB SCHOUTEN. 4e JAARGANG NUMMER 11

We schrijven derhalve het jaar 1917, midden in de eerste wereldoorlog en het is op dat moment niet ondenkbeeldig dat Duitsland die wint. In Engeland regeert het huis Saksen-Coburg-Gotha, in de persoon van koning George V. Saksen-Coburg-Gotha is de meest geslaagde tak uit het oude vorstenhuis van Saksen, Wettin. Het leverde in de negentiende eeuw monarchen aan Groot-Brittanie, Belgie, Portugal en Bulgarije.

Maar in 1917 was Engeland in oorlog met Duitsland en een Duitse achternaam deed niemand in het Verenigd Koninkrijk veel goed. Menig germanosone familie in Engeland vroeg derhalve naamsverandering aan. Voor de Britse koninklijke familie zelf was het geval van Louis, prins van Battenberg, een veeg teken. Deze was gehuwd met een lid van de koninklijke familie, woonde in Engeland als ware het zijn geboortegrond en schopte het zelfs, min of meer op eigen kracht, tot 'First Sea Lord' Maar zijn Duitse achternaam deed hem de das om, hij werd in 1917 gedwongen om af te treden. De Engelse tak van zijn familie nam veiligheidshalve de verengelste versie van de oorspronkelijke familienaam aan: Mountbatten.

Uitheems

De anti-Duitse hysterie liet ook de koninklijke familie zelf niet onberoerd. Er was alle reden om de onmiskenbaar Duitse afkomst discreet te bedekken. Zo schreef de auteur H. G. Wells in een ingezonden brief in de Times, dat het tijd werd om 'zich te ontdoen van de praal van troon en scepter'; het koningshuis zelf noemde hij 'uitheems en niet inspirerend'. Koning George V reageerde nijdig op deze aantijging: 'I may be uninspiring but I'm damned if I'm an alien.' Hij beschouwde zichzelf integendeel als 'wholly and impregnably British'.

De stambomen beweerden evenwel anders. De familienaam van George's grootmoeder, koningin Victoria, was 'Welf', die van haar echtgenoot, prins Albert, 'Wettin'. Duitser kon het nauwelijks.

Op zoek naar alternatieven kwam men met namen aandragen als 'Lancaster' en 'Plantagenet', naar allang uitgebluste vroegere koningsfamilies. Zelfs het Italiaanse 'd'Este' werd gesuggereerd, want als je nog dieper de geschiedenis indook, leerde je dat het huis der Welfen van dat der d'Este's afstamde.

Tenslotte kwam de koninklijke secretaris Arthur Bigge, later Lord Stamfordham, met de oplossing. Hij stelde als nieuwe merknaam voor de Britse koninklijke familie voor: Windsor. Een trouvaille want zo werd niet alleen duidelijk dat de koning de banden met Duitsland had verbroken maar ook dat zijn familie van een vreemde, continentale dynastie nu een stoere Engelse was geworden, even betrouwbaar als dat symbool van Britse macht en degelijkheid: Windsor Castle.

Mountbatten

George V besloot om alle nazaten van koningin Victoria in de mannelijke lijn met de nieuwe naam uit te rusten. Tegelijkertijd voorzag hij dat de koninklijke spoeling wat al te dun zou worden als al zijn afstammelingen in mannelijke lijn zich gratis en voor niks ook nog prins(es) en His (of Her) Royal Highness mochten noemen. Die titels reserveerde hij derhalve voor afstammelingen van Britse vorsten in de eerste en tweede generatie.

Koningin Elizabeth, zijn kleindochter, moest in 1952 het besluit opnieuw aanpassen. Haar kinderen zouden, als er niets gebeurde, namelijk 'Mountbatten' gaan heten, naar de aangenomen naam van haar echtgenoot, prins Philip. Die had namelijk, als zoon van een Griekse prins, bij zijn intrede in de Britse koninklijke familie al zijn allochtone titels opgegeven en de naam van zijn moeder aangenomen: Mountbatten. Elizabeth bepaalde echter dat het Windsor was en bleef.

In 1960 voegde ze daaraan toe dat de derde generatie-nazaatjes, waarover haar grootvader zich reeds had gebogen, voorzover ze geen prinsen en koninklijke hoogheden waren voortaan de naam 'Mountbatten-Windsor' zouden dragen. Ook nog van keurige familie, intussen.

Dat Windsor overigens geen exclusieve naam is, moge blijken uit de vele stadjes die, buiten het plaatsje New-Windsor waarin het koninklijk paleis ligt, Windsor heten. Zowel Australie als de Verenigde Staten hebben hun eigen Windsors. En Canada kent zelfs drie plaatsen van enig aanzien met die naam. Wie bij de titel van Shakespeare's blijspel 'The merry widows of Windsor' (of Otto Nicolai's daarop geente opera 'Die lustige Weiber von Windsor') aan koningin Elizabeth en de haren mocht denken, zit er flink naast. Die kunstwerken delen alleen hun locatie, Windsor in Berkshire, met de koninklijke familie.

Het is duidelijk dat de geschiedenis van de naam Windsor ook voor onze eigen koninklijke familie mogelijkheden herbergt. Mocht men tenslotte toch genoeg krijgen van de Frans-Duitse familie 'Oranje-Nassau' dan ligt hier de kans op een glanzende nieuwe merknaam: Van Soestdijk, stel ik voor. Een keurige Hollandse naam, en iedereen kent het adres.

Rob Schouten

UIt de lengte of de breedte

Dat was onlangs even schrikken met die twee kaartjes uit de Grote Bosatlas in deze krant: een uit 1877 en een uit 1992, naast elkaar. Op het eerste loopt de meridiaan van 30 graden oosterlengte ongeveer over Kopenhagen, op het tweede (moderne) kaartje ligt diezelfde lijn op de hoogte van Sint Petersburg en Kiew en is Kopenhagen gesitueerd op twaalf graden oosterlengte. Amsterdam ligt volgens de modernste versie van de atlas op 5 graden oosterlengte, maar in het eerste kaartenboek uit 1877 op de 0-meridiaan. Foutje van Meester Bos? Of iets met de wereld aan de hand?

De verklaring is even ontnuchterend als verrassend. Amsterdam lag in 1877 wel degelijk op de 0-graden lijn, net als Parijs en Londen en Rome. Vanuit nationalistische overwegingen liet elk land de 0-meridiaan over zijn hoofdstad lopen. Ieder trok in die tijd zijn lijnen nog zoals het hem het beste uitkwam; standaardisatie was er nog niet. Op zichzelf was dat niet bijzonder. Normering was een verschijnsel dat pas in de 19e eeuw aandacht kreeg.

Praktisch nut

In 1631 had weliswaar Lodewijk de Dertiende van Frankrijk een punt aangewezen waarover voor Europese kaarten de 0-meridiaan getrokken moest worden: het piepkleine Canarische eilandje Ferro (Hierro op z'n Spaans) en daarvan het meest westelijke punt van de oude wereld, de Punta de la Dehasa. Maar de wil van de Franse vorst was geen wet, zelfs in zijn eigen land niet. In oude atlassen (ook Franse) zijn verschillende 0-meridianen te zien. Een kaartenmaker deed wat hem 't beste uitkwam. Wat had het ook voor praktisch nut?

Dat werd anders toen Engeland over de golven ging heersen en als machtigste land ter wereld een lijn in de kartografie voorschreef - de Engelse lijn, wel te verstaan. In 1880 werd afgesproken dat de sterrewacht van Greenwich, vlakbij Londen, de plaats was waarover de 0-meridiaan diende te lopen. In 'De Wereld volgens de Bosatlas, 1877 - heden', dat onlangs verscheen, wordt dat zichtbaar in de Europakaart van 1902. Die l5e druk hanteert de internationale afspraken en legt bijvoorbeeld Amsterdam waar het nog steeds te vinden is: op 4 54' oosterlengte. En Ferro/Hierro moet tevreden zijn met een historische vermelding in de encyclopedie.

Dat er in 1880 een uniforme regeling kwam, had vooral te maken met de opkomst van de trein en communicatie met enige snelheid werd waargenomen. Tijd was tot die tijd een begrip waar evenmin afspraken over bestonden. Ieder deed wat ie wilde. Zelfs binnen Nederland had elke stad heel lang haar eigen tijd. Tot 1909 wezen de klokken op verschillende plaatsen (en zelfs binnen een plaats) verschillende tijden: de 'plaatselijke ware tijd'. En waarom ook niet? Het leven voltrok zich nog zo traag. Wie van Amsterdam naar Haarlem reisde, keek niet op een minuut. Torenklokken en kettinghorloges werden gelijk gezet op de zonnewijzer: was de zon in een bepaalde plaats op haar hoogste punt, dan was het daar twaalf uur. In Nederland kon dat moment tussen Enschede en Den Haag ongeveer een kwartier schelen. De klokken in het oosten liepen dus altijd iets voor op die in het westen.

Ware tijd

De eenvoud van het dagelijkse leven werd gehinderd door de onregelmatige snelheid waarmee de aardbol om zijn as draait. De zonnewijzer liep wel gelijk, maar de zon niet. Eigenlijk moest men de klok bijna dagelijks een pietsie bijstellen, over het hele jaar gemeten ongeveer een half uur, om de zon precies om 12 uur op haar hoogste stand vast te pinnen. Dat deed men in Nederland heel lang. In de negentiende eeuw gaf het echter zoveel verwarring dat een aantal plaatsen niet meer een 'plaatselijke ware tijd' bijhielden maar een 'plaatselijke middelbare tijd' - een gemiddelde, die het bijstellen tot een paar keer per jaar beperkte. Amsterdam deed dat in 1832, maar Haarlem hield het nog heel lang bij zijn 'plaatselijke ware tijd'. Het gevolg was dat de stadsklokken in 's lands hoofdstad in februari ongeveer een kwartier voorliepen op die in de provinciehoofdstad en dat ze in november een kwartier achter kwamen.

De verwarring werd er niet minder op, in het bijzonder in de sector van het 'openbaar vervoer'. De bestuurder van de diligence kreeg er last mee, zijn dienstregeling klopte niet meer. Vanwege die problemen vroeg de minister van binnenlandse zaken enige keren (1835 en 1836) aan de belangrijkste steden van het land om de 'klokken gelijk te zetten' en een middelbare tijd in te voeren. In Holland, Utrecht en Friesland gebeurde dat ook, maar plaatsen in Drenthe snapten het systeem niet, Noord-Brabant had er geen belangstelling voor en in Zeeland zagen ze het nut er niet van in.

Pas toen de spoorwegen werden aangelegd en de telegraaf in gebruik kwam, volgde de roep om een nationale tijd. Geen wonder, want het missen van een treinaansluiting als gevolg van verschillende 'klokken' werd zelfs in de vorige eeuw als ongerief ervaren. In 1858 verzocht de minister van binnenlandse zaken dan ook om een spoortijd (de Amsterdamse tijd) - en weer hielden steden buiten de randstad vast aan hun eigen tijd (Groningen, Leeuwarden, Assen, Zwolle en Venlo). Ook in 1892 bleef dat onderscheid bestaan, toen de spoorwegen de Amsterdamse tijd lieten schieten en de Westeuropese of Greenwich-tijd gingen hanteren. Het internationale treinverkeer had hen daartoe min of meer gedwongen. En zo kende Nederland een chaotische overgang naar de twintigste eeuw met drie soorten tijd: de Westeuropese, de Amsterdamse en de lokale tijden. Onderzoek in Zeeland wijst uit dat in 1892 in die provincie 8 gemeenten de Greenwichtijd hadden overgenomen, 51 dat overwogen, 20 vasthielden aan de Amsterdamse tijd, 2 de Middeneuropese tijd hadden ingevoerd en 4 gemeenten zich niet over het vraagstuk hadden gebogen omdat daar geen openbare klok aanwezig was.

Woudrichem

Terwijl internationaal redelijk sluitende afspraken gemaakt werden, bleef Nederland (als enige land in West-Europa) buiten de pas lopen. In 1908 werd bij wet afgesproken dat Nederland de middelbare Amsterdamse tijd zou hanteren, niet de Westeuropese of de Middeneuropese. In 1937 koos ons land de vijfde meridiaan als leidraad voor de tijd, de lijn die precies over Woudrichem loopt. Het verschil met de Westeuropese en Middeneuropese tijd beliep twintig respectievelijk veertig minuten. Uiteindelijk is de inval van de Duitsers beslissend geweest en heeft Nederland zich in het 'gareel' van de tijd laten dwingen: op 16 mei 1940 legde de bezetter ons land de Middeneuropese tijd op. Sindsdien lopen de treinen op tijd, op de Middeneuropese tijd althans.

Bronnen: 'De wereld volgens de Bosatlas, 1877 - heden', WoltersNoordhoff, 1992; 'De eenwording van Nederland' door Hans Knippenberg en Ben de Pater, Sun, 1988.

Haro Hielkema

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden