Review

OF ZIT HIJ NOG ALTIJD IN ONS HOOFD

Niet langer een slang of draak, geen lispelende zielenopkoper met klompvoet en bokkehoorns, geen zinderende Adonis meer. Na een eeuwenlange loopbaan van gedaanteverwisselingen, resulterend in een onuitputtelijke iconografie, mag de joods-christelijke vertegenwoordiger van het Kwaad dan wat diffuus zijn geworden, onze fascinatie voor hem heeft er niet onder geleden. Francis Spufford, The Chatto Book of the Devil, Uitg. Chatto & Windus, 390 blz, f 55,35.

We lachen graag een beetje om de naieve voorstellingen van onze voorvaderen, maar gaat achter dat lachje toch niet soms een kloppend hart schuil, zelfs als we, zoals samensteller Spufford, al die gebloemleesde teksten over de duivel van jolige titeltjes voorzien als 'Satan komt een probleem tegen' of 'Faust stelt de verkeerde vraag'. Zelfs het perspectief van de Inleiding, zogenaamd door de duivel zelf geschreven, wijst op een niet helemaal uitgeroeide angst. Want het is in de duivelsliteratuur door de eeuwen heen gebruikelijk om Satan zelf aan het woord te laten, zodat hij vrijwillig zijn kwade bedoelingen kan openbaren.

De beste middeltjes tegen Satan zijn niet kruistekens, doop- en wijwater, de naam van Jezus of de heilige Maagd, maar de gelegenheid om hem zelf als gastspreker aan het woord te laten. Dat begreep ook de tot bekering gekomen, voormalige atheist C. S. Lewis, die met zijn Screwtapeletters het klassieke voorbeeld van de onwillekeurige duivelse zelfbekentenis leverde, brieven waarin duivel Screwtape (in de Nederlandse vertaling heet hij Schroefstrik) een jongere duivel begeleidt tijdens zijn stage op aarde - de verleiding van een mens tot het Kwade, wat natuurlijk tenslotte mislukt want als bekeerling begreep Lewis wel dat de christelijke boodschap niet moest worden misverstaan.

Deze Schroefstrik was mijn eerste duivel, en hij huisde in de boekenkast van mijn ouders: een sarcastische openhartige slechterik van wie je openhartig de listen van het kwaad kon leren: “Maar haat in combinatie met Angst is nog effectiever. Onder alle ondeugden is alleen lafheid pijnlijk zonder meer; van tevoren al afschuwelijk, dan als je er in zit, en tenslotte de herinnering eraan; maar haat heeft een kant die prettig is. Voor iemand die bang is dient daarom de Haat vaak als compensatie voor de narigheid van de Angst. Hoe banger hij is, hoe meer hij zal haten. Ook is haat een prachtig pijnstillend middel tegen schaamte. Als je zijn naastenliefde een diepe wonde wilt toebrengen, zou je dus eerst zijn dapperheid moeten overwinnen.”

Mijn eerste zichtbare slechterik was trouwens een vrouw, Mefistofela uit de film 'Doornroosje', ziedende boosaardigheid te midden van de Disney-romantiek. Later werd het de groene sissende zwavelwolk die in Rosemary's Baby van Roman Polanski Mia Farrow met een duivelsjong opzadelt. Iedereen heeft zijn prive-iconografie van de duivel en zelden of nooit bestaat die uit dat ene, onveranderlijke beeld.

Dat is ook de iconografische verdienste van de Duivel boven God de Vader, wiens patriarchale verschijning door de eeuwen heen min of meer dezelfde saaiheid vertoont; de duivel is gevarieerder en interessanter. Hij is qualitate qua een meeloper, heeft een grote neiging tot mimicry en vertoont de neiging zich aan de heersende culturele omstandigheden aan te passen in plaats van onaantastbaar boven ons te vertoeven. Ongetwijfeld is het koesteren van de duivelsgedachte in belangrijke mate een produkt van onze tendens om in tegenstellingen te denken en onze behoefte aan overzichtelijkheid. Door het kwade duidelijk van het goede te isoleren krijg je er beter greep op.

De dichter Shelley beschreef, niet zonder diepere wijsheid, de christelijke ontwerpers van de duivelsgedachte als paniekerige slaven van een achterdochtige despoot die ze goedgunstig willen stemmen met vleiende loftuitingen; om ervan af te zijn schrijven ze al het slechte in de wereld toe aan een kwade macht. Juist in monotheistische godsdiensten treedt die noodzaak van dualiteit op den duur op.

Etymologisch zijn goed en kwaad dan ook van dezelfde oorsprong. Diabolos, duivel, en theos, God, komen allebei van dezelfde stam DV, die ook het woord 'twee' heeft opgeleverd. Ook in 'duivel' en 'dubbel' zit die verwantschap nog.

Sigmund Freud gaf de volgende verklaring voor de 'geboorte' van de duivelsgedachte in de mens: de vaderfiguur is het individuele prototype van God en duivel, de ambivalentie van de oorspronkelijke godheid die zich ontwikkelt in twee tegenpolen.

Zonder twijfel beleefde de Duivel zijn bloeitijd in de middeleeuwen. In de Bijbel komt men eigenlijk maar weinig over hem aan de weet. Als aanklager in het proces-Job is zijn rol niet eens uitgesproken onsympathiek, meer die van een soort noodzakelijke klikspaan; als verzoeker van Christus in de woestijn komt hij ook niet echt uit de verf, omdat de nadruk zo op het weerstandsvermogen van Christus valt.

Pas wanneer de kleurrijke Germaanse mythen het christendom binnendringen krijgt de duivel een eigen gezicht. Eerst duikt hij vooral op als slang of draak maar gaandeweg wordt hij antropomorfer. De slang krijgt een mensenkop en op den duur zelfs een vrouwelijk bovenlichaam. Voor de gekwelde kluizenaars uit die eerste eeuwen van het christendom, de heilige Antonius voorop, verscheen de duivel zelfs enige tijd in de gestalte van een ondubbelzinnig verleidelijke vrouw. Maar complete menselijkheid blijft toch uitzondering. Hij blijft bij voorkeur iets dierlijks houden, bokkepoten, horens, overdadige beharing, klauwen.

In Mariken van Nimwegen valt hij ook niet moeilijk te herkennen: Moenen met der enen ooge. Steeds geldt hetzelfde: je moet 'm toch ergens aan herkennen. (Wie de klassieke, als secundair werk hier niet gebloemleesde, studie over de heksenvervolgingen van Kurt Baschwitz 'De strijd met de duivel' leest, verbaast zich er trouwens over dat al die vrouwen die met 'm gepaard zouden hebben of hem op z'n bil hebben gekust, nooit vertelden hoe hij er uitzag.)

De achttiende-eeuwse Verlichting betekende uiteraard een slechte periode voor de duivel. Het rationalisme denk hem te doorzien. Karakteristiek is de skepsis van Diderot, die een voorschot neemt op latere psychologische verklaringen als hij schrijft dat God in Ethiopie zwart is en de Duivel wit. Maar de achttiende eeuw slaagde er niet in de Duivel uit te roeien. Integendeel, hij keert in de negentiendeeeuwse Romantiek terug in een nieuwe vermomming, die van aantrekkelijke Adonis.

Het zijn in Engeland Lord Byron en in Frankrijk Baudelaire die de nieuwe Duivel literair vormgeven. In Byrons toneelstuk Cain treedt de duivel op als een soort liberale aristocraat. De minder geexalteerde, ironische Duitse dichter Heinrich Heine beschrijft hem in een van zijn gedichten als 'een volmaakt charmante, aangename man in de kracht van zijn jaren, wiens bleekheid slechts veroorzaakt wordt omdat hij te veel Sanskriet en Hegel heeft gelezen.' En hadden ze elkaar niet al eerder ontmoet, in het huis van de Spaanse ambassadeur? Van de middeleeuwse boeman en Zwarte Piet is dan niet veel meer over. Eigenlijk is de Duivel de romantische held bij uitstek, revolutionair, knap, onweerstaanbaar.

In zekere zin heeft de Romantiek de Duivel en de Zonde beter begrepen dan de Middeleeuwen. In het beeld van de verleidelijke schoonheid van het kwaad (Les Fleurs du Mal heet Baudelaire's beroemde dichtbundel) schuilt meer psychologische kracht dan in de boertige, makkelijk herkenbare slechterik van de middeleeuwers.

Vooral in Frankrijk heeft het nieuwe type veel succes. Baudelaire wijdt zijn verlangende verzen aan hem. Zijn collega Theophile Gautier beschrijft hem als een dandy. Anatole France betoogt in La Revolte des Anges waarom een engel voor Satan en tegen God zou kiezen: “Ik haatte hem (God) omdat hij zich zo opstelde tegen alles wat ik begerenswaardig en goed vond: vrijheid, nieuwsgierigheid, twijfel.”

Het is karakteristiek voor de negentiende eeuw dat ze God en Satan niet langer in de morele termen van Goed en Kwaad definieert, maar in esthetische termen van aantrekkelijkheid en overtuigingskracht. Satan is de antipode van God, die als een saaie, repressieve patriarch wordt gezien.

Het indrukwekkendste verslag van de zinderende, broeiende aantrekkingskracht van het duivelse wordt geleverd door de laat-negentiende-eeuwse auteur Joris-Karel Huysmans, die zijn eigen contacten met het satanisme (via een al even mysterieuze en onontkoombare maitresse) boekstaafde in La-bas: “een oude vrouw trok zich de haren uit, stond te tollen en draaide om haar as, boog voorover, probeerde zich op een been staande te houden en liet zich vallen naast een jong meisje dat, ineengedoken langs de muur, in spastische schokken schuimend haar speeksel opkwijlde en in tranen de meest vreselijke blasfemieen uitbraakte. En met schrik geslagen zag Durtal als door een mistbank in de rook de rode hoorns van Docre die thans gezeten was en door het dolle van razernij op het ongedesemd brood kauwde.”

Aan het eind van de negentiende eeuw, als de hysterische hoogromantiek is uitgewoed vervelt de duivel opnieuw om zich aan te passen aan de nieuwe realistischer tijdgeest. George Bernard Shaw voert in het satirische toneelstuk Man and Superman de duivel ten tonele als een nuchtere realist. Hij keert regelmatig terug naar de hemel, maar het bevalt hem daar eenvoudig niet. Net een concertzaal waarin bezoekers zich verplicht zitten te vervelen. De hel is de enige plek waar je veilig bent voor de vervelingen van de hemel, want je bent er een geest, een illusie. Er zijn geen sociale, politieke, religieuze en medische problemen: “vanaf het begin van mijn carriere wist ik dat ik op den lange duur zou winnen, eenvoudig door het belang van de publieke opinie, ondanks de lange campagne van verkeerde voorstellingen van zaken en kwaadsprekerij tegen mij. Maar in diepste zin is het universum constitutioneel en met zo'n meerderheid als ik achter me heb kun je niet voortdurend buiten de regering worden gehouden.”

Al deze teksten en meer vindt men in Spuffords rijke bloemlezing, maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ik de betrouwbaarheid van al zijn citaten niet zou durven te waarborgen. Zo heeft hij in het geval van Huysmans' boven geciteerde roman kennelijk een Engelse, gekuiste vertaling gebruikt (of zelf gekuist), waarin de ergste en dus treffendste obsceniteiten ontbreken. Ook in andere teksten heeft hij, zonder toelichting, ingegrepen. En dat hoort nu eenmaal niet.

Voorts is de typologische indeling in verschillende hoofdstukken, naar des duivels karakter en rollen, niet helemaal geslaagd. 'De vijand', 'Koper van zielen' of 'Discipelen van de duivel' heten zulke paragrafen. Ze geven wel een aardig beeld van de diverse duivelse vermommingen, maar niet van de historische ontwikkeling van het duivelsbeeld. Spuffords anthologie is vanzelfsprekend tamelijk angelsaksisch georienteerd. Uit Nederland kwamen slechts Vondels Lucifer (in de execrabele vertaling van Van Noppen, voegt de bloemlezer eraan toe) en Hugo de Groots Adamus Exul in aanmerking.

Helaas mis ik zo mijn favoriete duivel, die uit Vestdijks De kelner en de levenden, waarin hij de rol van opperkelner Leenderts speelt, marteldeskundige bij de gratie der mensen: “Maar wij kunnen niemand vernietigen, dat kan alleen de mens zichzelf, de nog levende mens wel te verstaan. En de enige weg daartoe is de vervloeking van het bestaan en God: hartgrondig, volstrekt, uit volle overtuiging. Jullie zien dus, welk een grootse taak voor jullie is weggelegd. Was het mogelijk jullie na de vernietiging te belonen, ik zou het doen, werkelijk, dat meen ik, op mijn woord van Opperduivel.”

Een kelner, iemand die de mens op zijn wenken bedient. Een treffender beeld voor de duivel heb ik niet aangetroffen, ook niet in Spuffords bloemlezing.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden