Of: hoe vals is onecht eigenlijk?

'Rembrandt / Not Rembrandt', Metropolitan Museum of Art te New York, t/m 6 januari, ma gesloten.

Je zult het Rijksmuseum in moeten, de kassa voorbij en de trappen naar de voorhal op om daar, na overlegging van een paspoort, een toegangsbewijs voor het voormalige grachtenpand van Jan Six - precies tussen Muziektheater en Magere Brug - in ontvangst te nemen. Rembrandt heeft de Magere Brug overigens nooit gezien laat staan geschilderd. Die werd een jaar na zijn dood gebouwd, om eeuwen later als 'nep' maar nog wel steeds als functionele brug te worden herbouwd.

Six hangt daar in z'n eigen Amsterdamse huis even onwrikbaar als De Nachtwacht in het Rijksmuseum. Het lukte de samenstellers van de omvangrijke tentoonstelling 'Rembrandt - De meester & zijn werkplaats' in het najaar '91/voorjaar '92 niet om 'Six' van de Amstel naar het Singel pal voor het Rijksmuseum te krijgen. Met politie-escort en slim gekozen tijdstip van vervoer - neem de eerste de beste StudioSportzondagavond - was het doek binnen een kwartier in het Rijks en in 'De meester & zijn werkplaats' geweest, maar Six bleef hangen waar hij nog steeds hangt. Aan de buitenlands reizende Rembrandt-tentoonstelling, vóór Amsterdam in het Altes Museum van Berlijn en na Amsterdam in The National Gallery van Londen, deed 'Six' dus al helemaal niet mee.

Bij wijze van uitzondering slaagde het Mauritshuis er een paar jaar geleden in om een jachtveelluik van Paulus Potter bij de Hermitage los te lenen (tevens een knappe wisseltruc: om en passant een ander doek te restaureren en daarbij te ontdekken dat er na Potters dood fastoensrakkers in zijn doek hadden helpen meerestaureren) maar vandaag de dag lukt het koningin, dictator noch kunstpaus meer om 'De Nachtwacht' van 'Stadhouderskade 42, 1071 ZD' weg te krijgen. Voor een dichtbije of verre reis niet, ook met de vernuftigste klimaatkasten niet, voor eventjes niet, voor nooit niet. Six en De Nachtwacht blijven elkaar wat onwankelbaarheid betreft trouw.

En dat is misschien ook maar goed. Als de mens dan kennelijk nooit stil kan zitten, moeten schilderijen dat maar doen. Soms leiden al die bewegingen, dat gevlieg in klimaatkasten over de hele wereld, dat heen en weer rennen van vernissage naar première, dat gesjok met loodzware catalogi alleen maar tot hoofdpijn, loopneus en doorgezakte enkels.

Een paar zomers voordat Nederland 'Rembrandt - De meester & zijn werkplaats' aan landgenoten, Europeanen en overige wereldburgers presenteerde, stond pal tegenover de rijen Rembrandtwachtenden, en plein air, iets naar achteren geheld en op ware grootte: De Nachtwacht. Toeristen dienden achter het doek op een trapje te klimmen om hun hoofd door de uitgezaagde ovalen te steken waar zich doorgaans Rembrandts schuttershoofden bevinden. Dat van Frans Banning Cocq en zijn rivaal Nicolaes Tulp, die met hun regenteske twist de weg al naar het IRT-tableau van Nordholt/Wiarda wezen. Vóór deze Nachtwacht stond een blonde Bataafse, die de uitpuilende toeristen fotografeerde en hen even later de particuliere Nachtwacht in een kartonnen passepartoutje overhandigde.

Onder de buitenlandse bezoekers van 'Rembrandt - De meester & zijn werkplaats' bevond zich ook de Amerikaan Walter Liedtke. Net als die stoet Rembrandtgangers zag hij dat 'De Nachtwacht' noch 'de Joodse Bruid' deel van de tentoonstelling uitmaakten. Weliswaar hingen ze in hetzelfde museum maar buiten de mondiale Rembrandttenstoonstelling. Het Rembrandt Research Project was onder leiding van Ernst van de Wetering al tot vreeswekkende wasdom gekomen, en presenteerde zichzelf met röntgenfoto's en videofilms over techniek, falsificatie, volgers & navolgers en betrekkelijkheid daarvan, helemaal aan het eind van de expositie. Verbazing sloeg bij Liedtke om in wrevel over het feit dat het werk van Rembrandts leerlingen er op de valreep zo bij bungelde. Alsof Ferdinand Bol, Jan Lievens, Govert Flinck, Carel Fabritius, Samuel van Hoogstraten, Nicolaes Maes en Arent de Gelder in die laatste zaal van het Rijksmuseum even in een garage bij elkaar waren geveegd.

Liedtke kan er nu, vier jaar na Amsterdamse Rembrandttentoonstelling en aan de overzijde van de Atlantische Oceaan, nog geprikkeld om worden. “Hoe kregen jullie het toch voor elkaar om Rembrandts leerlingen zo te isoleren?” zegt hij in zijn eigen museum, het Newyorkse Metropolitan Museum of Art. Liedtke studeerde onder andere in Amsterdam, voordat hij Rembrandtkenner en curator bij de afdeling Europese Schilderijen van het Metropolitan werd. Hij is een meneer, zo niet een heremeneer. Zowel in spraak, stemvolume, motoriek als maatkostuum; hij beschikt kortom over eenzelfde elegantie als Jan Six.

Voor zijn museum stelde hij de tentoonstelling 'Rembrandt / Not Rembrandt' samen, en behalve knap is dat ronduit dapper te noemen. De zeis van het Rembrandt Research Project trof ook het Metropolitan Museum; van de 42 doeken die het museum door schenkingen en legaten verwierf, blijken er amper 20 eigenhandig door Rembrandt te zijn geschilderd. Van de 30 tekeningen in bezit van het Metropolitan zijn er 11 zeer waarschijnlijk niet van Rembrandt, bij de etsen daalde het Rembrandtgehalte van 32 tot 18. Na zo'n oordeel kan de moed je duchtig in de conservatorschoenen zinken - je hele Rembrandtcollectie vrijwel gehalveerd. En er circuleerden al verhalen over Amerikaanse particulieren die een Rembrandt op mahoniehout bezaten, vervolgens te horen kregen dat Rembrandt daar nooit op gewerkt kon hebben, en hun 'Rembrandt' uit pure geldnijd of wanhoop verbrandden. Weer latere onderzoeken brachten aan het licht dat mahoniehout wel degelijk in Rembrandts werkplaats werd gebruikt. Maar dan nog: wat is echt, wat is niet echt, wat is waardevol en wat is nep? En vooral: hoe vals is onecht eigenlijk? Al die vragen moeten misschien wel gesteld worden maar behoeven niet allemaal antwoord. Dat lukt zelfs niet eens, want hoe onverbiddelijk het vonnis van het Rembrandt Research Project ook zijn mag, het Metropolitan Museum trotseert dat hier en daar toch. Bijschriften vermelden de RRP-afwijzing, met daaronder de fiere toevoeging dat het museum die in twijfel trekt. Ook binnenshuis bestaat er geen laatste oordeel: Liedtke verschilt van mening over het Rembrandtgehalte met zijn mede-conservatoren en directeur Philippe de Montebello, en dus ook andersom.

Met al dan niet beschaamde konen had het Metropolitan de echte Rembrandts voor permanente expositie er uit kunnen halen om al die leerlingen, navolgers en naüpers voorgoed naar de kelder te bannen, maar dat is met 'Rembrandt / Not Rembrandt' precies niet gebeurd. Met gerechte rug toont het museum zijn hele Rembrandtcollectie, wat daar ook onder valt. Wat een (volledig) authentieke Rembrandt is of niet, dat mag de bezoeker zelf beoordelen. Liedtke en zijn staf bieden wel enige hulp: de doeken van Rembrandts leerlingen hangen niet meer in een achterafzaaltje, maar chronologisch naast en tussen de meester in. Als je door de ruime en helder ingerichte zalen loopt is er opeens volop gelegenheid voor een balletje-balletje-variant.

Bij ongeveer een derde van de doeken is er nauwelijks sprake van twijfel: dit is Rembrandt van R(h)ijn. Ook bij een ander deel hoef je niet lang te aarzelen: dit is Rembrandt apert niet. Maar dan, dat resterende tussengebied. De conservatoren deelden de doeken, tekeningen en etsen als volgt in: Rembrandt, Rembrandt (?), School van Rembrandt, Nederlandse School, Navolger van Rembrandt, Vervalsing van Rembrandt, Stijl van Rembrandt, Imitator van Rembrandt en Kring van Rembrandt (Dordrechtse School). En dan nog vallen er classificaties tussen wal en schip, zoals '(Gedeeltelijke) Kopie naar' of 'Toegeschreven aan een Amsterdamse kunstenaar'.

Van zo veel indelingen ga je vanzelf suizebollen, terwijl je je toch al een oorwurm voelde in het immense museum met z'n toegangstrappen waarop je de kabinetten van minstens zestig landen tegelijk kunt installeren, en dat zich tot diep in Central Park uitstrekt.

Liedtke reageert als door een wesp gestoken als je informeert naar een zeker stempelgedrag in Rembrandts werkplaats: zette Rembrandt links en rechts z'n handtekening onder het werk van z'n leerlingen? Mensen die hem dat durven te vragen, pakt hij het liefst letterlijk bij de revers - hij doet voor hoe dat gaat - om ze eens even goed door elkaar te schudden. “Noem mij het schilderij waarmee dat gebeurd is!”, maant hij al schuddend. Andersom, geeft hij vervolgens toe, zijn er wel veel valse signaturen bij goede imitaties. Hij verhaalt van goede en middelmatige leerlingen, van de vraag hoe vaak en hoe ernstig Rembrandt aan 'maandagmorgens' leed, hoe veel Titus schilderde, van 'The Auctioneer' door een navolger uit 1655, dat hij als één van de beste niet-Rembrandts beschouwt en die als tegenhanger geldt van de enige Rembrandt die zijn museum ooit kocht: 'Aristoteles met buste van Homerus', 1653.

'Rembrandt / Not Rembrandt' mondt uit in een toko vol Rembrandtprullaria, waar je voor 110 dollar 'een kopie van de bandketting' kunt kopen, die Rembrandt zo gloedvol over de schouder van Aristoteles drapeerde. Liedtke durft het winkelzaaltje amper te betreden: “Tja, dit is nou eenmaal Amerika”, zegt hij bij de vitrine met de nepketting. “Die koopt men kennelijk om Aristotelesje te kunnen spelen.”

In 1969, bij Rembrandts 300ste sterfdag, verdichtte docent Jan van Keulen aan de Rijksakademie de zeven brieven die Rembrandt naliet. In zijn eigen dagen al wemelde het van kritiek op Rembrandt: 'zijn schilderijen zien er uit alsof ze met een ruwe teerkwast zijn aangezet, zonder acht op het tekenen te geven; van nabij lijken ze met een metselaarstruffel te zijn aangesmeerd', 'het sap loopt er langs lijk drek', 'afgod van alle smeerders'. “Rembrandt had geen behoefte”, aldus Van Keulen, “aan woordelijke toelichting tot zijn werk. Van hem geen geschriften, noch opgetekende gesprekken; een zevental brieven is de gehele woordelijke oogst. Hun inhoud is zakelijk of ter zake, zoals in een brief aan Huyghens: 'Mijnheer, hangt dit stuk op een starck licht / en dat men daer wijt ken afstaen soo salt / best vouchen.' Schilderijen waren voor Rembrandt voltooid als zijn voornemen daarin bereikt was; hij had dan alles gezegd. Hoogstens konden kijkers, die te dicht op het werk toetraden te horen krijgen, terwijl hij ze terugtrok: 'de reuk van verf zou u maar vervelen'.”

Met andere woorden: Ga er nou niet steeds met je snufferd bovenop staan. Betovering laat zich nou eenmaal slecht classificeren, laat staan beteugelen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden