Oerbos als groene mythe

Natuurmonumenten wil de 'sprookjesachtige wildernis' van Nederlands laatste 'oerbos' terug. Maar het Beekbergerwoud was volgens Eddy Weeda minder 'oer' dan wordt gesuggereerd.

De ontginner schrijft het na gedane zaken in 1874 bijna euforisch in zijn verslag: 'Het Beekbergerwoud is nu even vlak als de schoonste zeekleipolder'. Zo'n beetje het laatste stukje woest Nederland is veroverd, en de boeren kunnen aan het werk.

Maar niet iedereen is in die tijd zo lyrisch over deze verovering van het 'onland' ten zuiden van Apeldoorn. Hoewel er vóór en tijdens de kap- en graafwerkzaamheden geen verzet van betekenis is, ontstaat ná de onttakeling van het achtduizend jaar oude moerasbos de spijt, en vooral het terugverlangen naar een situatie die er niet meer is. Daar was de ontginner in zijn aantekeningen duidelijk genoeg over geweest.

Frederik Willem van Eeden bijvoorbeeld, die als de eerste Nederlandse natuurbeschermer wordt gezien, schrijft na de kap dat dit bos als een 'monument' beschermd had moeten worden, en introduceert daarmee voor het eerst het begrip dat later door de vereniging Natuurmonumenten wordt omarmd. Hoewel de romanticus Van Eeden het Beekbergerwoud nooit bezocht, zet hij wel de toon voor de mythevorming die later zal ontstaan.

undefined

Genenreservaat

Het woud zou vanwege zijn leeftijd in combinatie met de geïsoleerde ligging en de natte ondergrond amper invloeden van de mens hebben gekend, aldus Van Eeden. De ongestoorde vegetatie zou een soort authentiek 'genenreservaat' hebben gevormd dat nooit in contact is geweest met gekweekte planten. Het Beekbergerwoud wordt daarom door veel mensen als Nederlands laatste 'oerbos' gezien.

Natuurmonumenten wil de 'sprookjesachtige wildernis' van dit laatste Nederlandse oerbos nu terugbrengen door het gebied weer te vernatten. Met de aanplant van zo'n 36.000 jonge bomen en struiken die oorspronkelijk in het gebied zouden hebben thuisgehoord, moet er langzaam maar zeker weer een nieuw Beekbergerwoud ontstaan met de bosvegetatie van weleer.

Volgens Natuurmonumenten is de aanplant, door gebruik te maken van de nazaten van de vroegere bomen en struiken, 'volstrekt verantwoord' en is het 'herstel zuiver', aldus de ecologen dit voorjaar in Trouw. Misschien komt na de nieuwe inrichting dan ook de zwarte ooievaar terug.

"Terug?", vraag Eddy Weeda ietwat gespeeld. "Wie zegt dat de zwarte ooievaar daar ooit heeft gezeten?" Weeda is een van de meest gerenommeerde botanici van Nederland en hoofdauteur van de vijfdelige Nederlandse Oecologische Flora, een standaardwerk in de biologie. Sinds de tijd dat hij op het Rijksherbarium in Leiden werkte, meer dan twintig jaar geleden, verzamelt hij gegevens over het Beekbergerwoud. Hij is kritisch over de geromantiseerde reconstructie van het Nederlandse oerbos. Hij stelt dat het Beekbergerwoud in de 19de eeuw - toen het voor het eerst botanisch werd beschreven - al helemaal geen oerbos meer was, maar volop door mensen in productie was genomen. Zijn tweede kritiekpunt is dat de struiken en bomen die nu worden teruggebracht, voor een belangrijk deel pas lang na de ontginning in het gebied zijn ontdekt. Sommige soorten die nu worden 'geherïntroduceerd', hebben er zelfs nooit gestaan. Weeda hekelt het slordige gebruik van bronnen, door wetenschappers in het verleden, maar zelfs die in de tegenwoordige tijd.

"Laat ik voorop stellen dat ook ik vind dat het Beekbergerwoud zeer bijzonder was. Hier heeft maar liefst achtduizend jaar bos gestaan, in een zeer nat terrein. De lange bosgeschiedenis is bepaald uniek te noemen." Maar die zeldzaamheid heeft gewild of ongewild ook tot mythevorming geleid. "De natheid van het gebied zorgde voor een bepaalde mate van ondoordringbaarheid. Die gold ook lange tijd. Maar wie goed bronnenonderzoek doet, moet concluderen dat in de laatste eeuw van het bos, toen botanici het woud in kaart brachten, dit al behoorlijk intensief door de mens geëxploiteerd werd. Van een wildernis was geen sprake meer. De vegetatie van dat moment kon daar juist groeien door inmenging van de mens."

In het boek 'De natuur als bondgenoot' uit 2007, staat nog vermeld dat het woud moeilijk toegankelijk was en 'economisch niet erg rendabel'. Maar niets was volgens Weeda minder waar. Uit de uittreksels van de 'markenboeken' is af te leiden dat het woud in sectoren was verdeeld, en dat er hoge boetes golden voor burgers die zich niet aan de regels hielden. Er werd op grote schaal hout gekapt, houtafval verbrand tot houtskool, er liep vee rond en de boeren plantten nieuwe eiken aan.

undefined

Elzenstoven

Die activiteiten hadden grote invloed. "Door het stelselmatig kappen van elzen ontstonden enorme elzenstoven die de waterafvoer belemmerden. Bovendien konden alleen de stammen worden afgevoerd als de grond bevroren was. Viel de dooi in, dan moesten de gevelde stammen achtergelaten worden. Ze lagen als dammen kriskras door het woud en hielden nog veel meer water tegen. Je kunt zeggen dat die stammen het woud hebben laten verzuipen. Veel bosplanten en struiken vond je in die tijd alleen nog boven op de stoven van een meter hoog. Op de bodem zijn in die tijd alleen nog moerasplanten te vinden."

Die menselijk invloed had overigens nóg een effect. De boeren namen met hun vee ook allerlei zaden en sporen mee van buiten het gebied, die de oorspronkelijke vegetatie van het Beekbergerwoud veranderden. Verder zijn eiken aangeplant die uit Midden-Europa moeten zijn gehaald. Zo is ook de witte ganzerik in het woud terechtgekomen, een plant van bergbossen waarvan de dichtstbijzijnde locaties 200 kilometer verderop in Duitsland liggen.

Opmerkelijk is dat botanici uit die tijd planten die mogelijk van buiten het gebied kwamen (bijvoorbeeld aalbes die als fruit werd gebruikt) wel verzamelden, maar niet in hun officiële publicaties opnamen. Terwijl schrijvers als Ds. Ottho Heldring die als botanische leek het gebied in zijn wandelboekje opnam, wél de menselijke activiteit beschreef. Mogelijk vond de eerste groep dat het beeld van het 'oerbos' niet verstoord mocht worden. Een vroege vorm van 'tunnelvisie'.

Het slordige brongebruik en de selectieve inventarisaties, maar meer nog misschien, het verlangen naar een echt oerwoud in Nederland, beïnvloedt volgens Weeda in grote mate wat de 'restauratie van het Beekbergerwoud' wordt genoemd. Hij heeft een lijst van soorten die worden aangeplant, terwijl hij geen enkele bron kan vinden waaruit blijkt dat ze ooit op de plek hebben gestaan. Sterker nog: hij kan aantonen dat sommige bomen en planten daar beslist niet thuishoren. "Een van de boomsoorten die wordt 'teruggebracht' is de zoete kers. Ik heb nergens kunnen vinden dat deze in het Beekbergerwoud heeft gestaan en er is ook geen herbariummateriaal." Hetzelfde geldt volgens Weeda voor de sleedoorn, een struik die in open gebied voorkomt, en de haagbeuk die nu op de plek van het Beekbergerwoud als laanboom voorkomt. Beide zijn pas in het gebied aangetroffen toen het woud al zestig jaar was verdwenen. "Verder lees ik dat Natuurmonumenten bezorgd is dat in het nieuwe bos elzen gaan overheersen. Nou, als één ding vaststaat over het vroegere Beekbergerwoud, dan wel dat het volledig door elzen werd beheerst."

undefined

Luchtfietserij

Weeda vindt het idee van de reconstructie van het oerbos 'luchtfietserij'. "De hele bosbodem is verdwenen. Accepteer dat nou. En kies. Natuurmonumenten wil een 'sprookjesachtige wildernis' terugbrengen, én tegelijk oerbos. Maar bij oerbos horen zeldzame bosplanten die met de sloop van het Beekbergerwoud bijna allemaal zijn verdwenen en niet vanzelf terugkomen. Daarvoor is het landschap te veel versnipperd - de A50 klieft het vroegere woud in tweeën. Een wildernis die weer op het vroegere woud gaat lijken is onmogelijk. En een aangelegde wildernis is een innerlijke tegenspraak."

Het klinkt misschien wat sceptisch, toch is Weeda positief over de ontwikkeling van de plek waar het woud ooit stond. "De beheerder kan van dit gebied een prachtig themapark maken. Maar overspeel je hand niet door zogenaamd 'de wildernis terug te brengen'. En vooral: noem het geen oerbos."

Meer over de plannen van Natuurmonumenten: Voormalig woud plant zich voort, Trouw, 8 april, nog te lezen op www.trouw.nl/groen

Winterse verstilling in het Beekbergerwoud, waar een oude kreekloop is hersteld.

Het Beekbergerwoud

'De natuur een handje helpen' was ook in het begin van de vorige eeuw in discussie. Natuurbeschermer Eli Heimans beschreef in 1906 vol geestdrift dat zeldzame planten behouden kunnen worden als hun zaden op andere geschikte plekken worden uitgestrooid of als hele planten vanuit bedreigde plekken naar veilige havens worden overgebracht. Vanuit wetenschappelijke kring kwam er kritiek op die opmerking, waarna Heimans de werkwijze niet langer propageerde.

undefined

Floravervalsing in 1906

Volgens Michiel Purmer, die voor Natuurmonumenten onderzoek deed naar de geschiedenis van het Beekbergerwoud, heeft Eddy Weeda helemaal gelijk als hij stelt dat er in dit gebied volop menselijk activiteit was. "Maar dat geldt ook voor wouden in Duitsland en Polen, die we nu nog steeds als 'oerbos' aanduiden. Dat is een rekkelijk begrip en daardoor wordt de discussie een begrippenkwestie." Volgens boswachter Ellen ter Stege, die zich samen met ecoloog Robert Ketelaar over de 'restauratie' van het woud ontfermt, moet de vegetatie die nu wordt 'teruggeplaatst' een situatie benaderen 'die doet denken aan een oerbos'. "We kunnen niet van elk plantje het DNA bepalen om zo te onderzoeken of het ooit in deze omgeving heeft gestaan."

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden