Odyssee van een illegaal

De 23-jarige Andenet probeert net als veel andere Afrikanen oorlog en armoede te ontvluchten. Libië is de laatste halte voor de grote oversteek. 'Illegalen zijn hier vogelvrij.'

Terwijl hij een voorbijrijdende taxi wenkt, zegt Andenet: "Schiet op, we moeten wegwezen, het wordt te gevaarlijk hier." Op het eerste oog is er niets dat het plotselinge vertrek uit Abu Salim lijkt te rechtvaardigen. De klandizie in het restaurantje waar zojuist nog een broodje met gefrituurde aubergine werd genuttigd, oogt nog steeds gemoedelijk. Op de onverharde straat spelen kinderen tussen het zwerfvuil. Een groepje hangjongeren leunt verveeld tegen een muurtje.

Maar Andenet, een 23-jarige illegaal afkomstig uit de Hoorn van Afrika, heeft een feilloze intuïtie voor gevaar. Dat moet ook wel. Anders had hij zich nooit lang staande weten te houden in deze wijk, een van de armste en gevaarlijkste buurten van Tripoli. Hij leidt rond langs enkele van de talrijke kraakpanden waar illegale Eritreeërs, Ethiopiërs en Somaliërs zich schuilhouden tot het moment dat ze de oversteek naar Europa kunnen wagen.

Hier woont Bereket Beletse, een Ethiopische man van 21 jaar die zwaar met zijn been trekt sinds buurtkinderen hem met een revolver in de heup schoten. Voor de grap. Een andere jongen toont zijn mismaakte vingers. Het gevolg van een steekpartij toen hij op straat werd beroofd van zijn eerder die dag verdiende loon.

"Er was iets onheilspellends in de blikken van die jongens bij dat muurtje", zegt Andenet wanneer we in de taxi wegstuiven. Een vriend sms'te hem dat er een bende in aantocht was. Hij zucht. "Too many guns here, man."

Voor Andenet is het de werkelijkheid van alledag. Ook in Europa voelen illegalen zich vaak opgejaagd en onveilig. Maar in Libië zijn ze vogelvrij. Ze staan helemaal onderaan de sociale pikorde en er is niemand die ze beschermt. De politie? Andenet lacht bitter. "We mogen blij zijn als die ons niet ook berooft."

'Jesus Save Me' tatoeëerde hij op zijn linkeronderarm voordat hij vanuit de Soedanese hoofdstad Khartoem de overtocht door de woestijn maakte. Die smeekbede zou slechts ten dele worden verhoord. Halverwege de reis werd zijn jongere broertje door de mensensmokkelaars dusdanig toegetakeld dat hij enkele dagen later overleed. Eenmaal in Tripoli werd zijn gezicht aan flarden gesneden door gedrogeerde Libische jongeren die hem beroofden van het geld waarmee hij zijn oversteek naar Europa wilde bekostigen. Maar zijn hoop om in Europa te geraken heeft Andenet nog steeds niet laten varen. Sterker nog : het is het enige wat hem overeind houdt. "Libië is als de hel," zegt hij. "Zelfs al zou de kans vijftig procent zijn dat ik verdrink, dan nog wil ik de oversteek wagen."

Laatste halte
Het kantoor van de UNHCR, de vluchtelingenorganisatie van de Verenigde Naties, staat in een buitenwijk van Tripoli. In gezelschap van een paar vrienden meldt Andenet zich in de ontvangstruimte. Hun vale kleren en schichtige blikken contrasteren met de SUV's die in de buurt geparkeerd staan.

Na het zien van de tragische beelden van honderden in zee ronddobberende lijken nabij het Italiaanse eiland Lampedusa, afgelopen najaar, dringt de vraag zich op hoe het immigranten aan de overzijde van de Middellandse Zee vergaat.

Dat veel Afrikanen oorlog, ziekte en armoede proberen te ontvluchten en in Europa een beter bestaan hopen op te bouwen, is bekend. Afgelopen jaar bereikten 30.000 illegalen Italië via het water. Veel minder weten we over het traject van vaak duizenden kilometers dat ze hiertoe afleggen. En vrijwel niets over hun leefomstandigheden in Libië, voor velen de laatste halte voor de Grote Oversteek.

Andenet hoopt bij de UNHRC een vluchtelingenstatus los te peuteren. Of onderdak, of desnoods alleen medische zorg. De organisatie wil wel, maar blijkt in werkelijkheid weinig tot niets voor buitenlandse vluchtelingen in Libië te kunnen doen.

Problemen met de autoriteiten, zegt medewerker Emanuela Paoletti. "We wachten nu al maanden op officiële erkenning door de regering, maar die blijft uit. De regering vreest dat wanneer wij hier hulp gaan bieden, dat als een magneet zal werken op gelukszoekers uit de rest van Afrika.

Paoletti schat in dat zestig procent van de vluchtelingen die momenteel in Libië verblijven politieke motieven heeft. Ze vluchten voor oorlog of repressie. De rest ontvlucht honger en armoede. "Vluchtelingen uit Syrië hebben het hier ook niet gemakkelijk, maar ze hebben nog het geluk dat ze Arabier zijn; Afrikanen, die hebben het in Libië pas echt zwaar te verduren." Het probleem, zo zegt Paoletti, is diepgeworteld racisme. "Dat zit in Libië zo diep dat het wel geïnstitutionaliseerd lijkt."

Opgehokt in hokken
Voordat ik met Andenet op pad ging, proefde ik daar al iets van in de gevangenis die ik bezocht, dertig kilometer ten oosten van de hoofdstad. Een ommuurd complex in een stoffige vlakte. Het is een van de tientallen faciliteiten waar illegalen in Libië in detentie worden gehouden. Ruim 400 illegalen wachten er op uitzetting. Een 'modelgevangenis', zegt de directeur, een ex-rebel van in de vijftig, tijdens een rondleiding. Trots wijst hij op de brandschone openluchtkeukens.

Uit een van de barakken gebiedt hij zestien jongemannen, allen afkomstig uit Gambia. Schuchter stellen ze zich op langs de onverharde weg die over het gevangenisterrein slingert. "Hoe worden jullie hier behandeld?", bast de directeur. De jongens, sommigen op slippers, de meesten blootsvoets, mompelen iets onverstaanbaars. "Uitstekend toch?" De jongens knikken gedwee, terwijl ze met een schuin oog naar de gewapende bewakers kijken. Een zure zweetlucht slaat van hun bestofte lichamen af.

"Ze behandelen ons als beesten", fluistert een jongeman die Idrissa zegt te heten, op een onbewaakt moment in perfect Engels. "Ze slaan ons met stokken en dwingen ons van de vloer te eten. De bewakers zeggen het ons ook: 'Jullie zijn dieren'. We zitten met zijn zestienen in een cel. Er liggen zes matrassen. Alle Afrikanen huilen in Libië, doe iets voor ons, ik smeek je."

Na de rondleiding serveert de directeur muntthee en dadels in zijn kantoor. "Je hebt met eigen ogen kunnen zien hoe goed de gevangenen het hier hebben", zegt hij, zichtbaar ingenomen. "Het is hier een modelgevangenis", herhaalt hij. Wellicht, maar model voor wat?

Andenet wist tot dusver uit de gevangenis te blijven. Maar het scheelde een haar. "Op een dag werd ik samen met een vriend van straat geplukt door de politie. Ik wist me te ontworstelen, maar die vriend zit nog steeds vast." Nooit om je heen kijken is zijn devies. Altijd recht op je doel af, alsof je hier al jaren woont.

De lege dierentuin van Tripoli doet sinds afgelopen zomer eveneens dienst als gevangenis voor illegalen. Deze bezoeken blijkt op korte termijn niet mogelijk, maar een verslaggever van de Engelstalige onlinekrant Libya Herald wist erin door te dringen en zag tientallen zwarte Afrikanen, opgehokt in kooien waar voorheen apen, leeuwen en roofvogels zaten.

"De dierentuin, hoe verzinnen ze het!", roept de bedrijfsleider van de cafetaria van een sjiek hotel in Tripoli uit wanneer hij bijbehorende foto's ziet. En vervolgens, met een malicieus lachje : "Maar zeg nou zelf, horen ze daar niet gewoon thuis?"

Bekneld in het conflict
Vanaf 2003, toen de sancties tegen het regime van Kadafi werden opgeheven, begon ook de Libische olie weer rijkelijk te stromen. Gelijktijdig verwelkomde 'De Gids van de Revolutie', vele honderdduizenden, veelal Afrikaanse gastarbeiders. Ze werden aan het werk gezet in de bouw of knapten klusjes op waar de Libiërs zelf hun neus voor ophaalden. Gemakkelijk hadden ze het er zeker niet. In rapporten van de Verenigde Naties werd Libië de afgelopen tien jaar consequent aangesproken op het racisme waarmee de gastarbeiders voortdurend te maken kregen.

In 2011, tijdens de opstand tegen Kadafi, raakten veel van hen bekneld in het conflict. Ze konden niet naar huis, werden er door de rebellen van beschuldigd huurlingen te zijn en verdwenen in illegale gevangenissen. Als het echt tegenzat werden ze zonder enige vorm van proces gelyncht.

Peter Bouckaert, onderzoeker bij mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch maakte gewag van een diep in de Libische samenleving geworteld racisme en anti-Afrikaans sentiment.

Na de ineenstorting van het regime werden de 30.000 inwoners van het kuststadje Tawergha uit hun huizen gejaagd. Dit waren overwegend zwarte Libiërs, nakomelingen van slaven die op de kust werden achtergelaten, omdat ze te zwak waren om verder te reizen. De stad stond bekend als pro-Kadafi en bendes uit Tawergha zouden in het naburige en opstandige Misrata hebben geplunderd en verkracht. Maar er zijn sterke aanwijzingen dat ook racisme een rol speelde bij de ontruiming van de stad. 'Wee de slavendeportatiebrigade', viel er destijds op de muren van de in brand gestoken huizen te lezen.

Nog altijd zijn de bewoners niet weergekeerd. Net als Andenet en zijn lotgenoten uit de Hoorn kwijnen ze weg in achterbuurten van Tripoli of illegale kampementen.

Waar komt het anti-Afrika-sentiment vandaan?

Sommigen wijzen op het slavernijverleden om de wijdverbreide minachting voor zwarte Afrikanen onder Arabieren te verklaren. Anderen verklaren de xenofobie uit het gesloten karakter van de Libische samenleving - gebukt als zij ging onder Kadafi's dictatuur. Weer anderen zien het als wraakneming voor de miljarden waarmee Kadafi, begeesterd door zijn ideaal van Afrikaanse eenheid, de Afrikaanse landen besprenkelde, terwijl hij zijn eigen land ondertussen liet verkommeren.

Achtergelaten in de woestijn
"Natuurlijk kende ik de verhalen over Libië", zegt Andenet in het koffiebarretje in de buurt van het busstation waar hij een baantje als schoonmaker heeft weten te bemachtigen. "Waar ikzelf vandaan kom, is het leven ook geen pretje, maar dit had ik niet verwacht." Hij recht zijn schouders en lacht, een vreemde onnatuurlijke lach. "De eerste maanden dat ik hier was voelde ik me opgejaagd en wilde ik alleen maar huilen. Maar dat doe ik niet meer, nu lach ik erom. Ik ben niet langer bang voor de dood." Opnieuw die vertrokken grijns.

Andenet ontvluchtte op 18-jarige leeftijd de dienstplicht in het despotisch geregeerde Eritrea. Althans, dat zegt hij. Veel illegalen in Libië die zeggen dat ze afkomstig zijn uit Eritrea, komen in werkelijkheid uit Ethiopië. Ook dat is geen al te prettig land, maar nog lang niet zo akelig als Eritrea. Wie, eenmaal in Europa, kans wil maken op asiel, gooit zijn paspoort weg en houdt bij hoog en laag vol dat hij uit Eritrea komt. De meeste van Andenets vrienden op Facebook blijken afkomstig uit Addis Abeba, de hoofdstad van Ethiopië - ik besluit hem er niet verder over door te zagen.

Voor hij naar Libië kwam, verbleef hij enkele jaren in Khartoem, waar hij allerhande baantjes had, voornamelijk in de bouw. Maar Soedan was niet zijn einddoel, net zomin als Libië dat is. Dat is Europa, Engeland in het bijzonder. Een heel duidelijke voorstelling heeft hij er niet van. Hij hoopt er een opleiding te kunnen vinden, eigenlijk vooral een leven dat de moeite waard is om te leven. "God lijkt de Hoorn van Afrika wel vergeten", debiteert hij een veelgehoord gezegde. "We leven er niet, we vegeteren."

Nadat hij afdoende geld bijeen had gespaard, en Nikeyas, zijn broertje, zich bij hem had gevoegd, staken ze vorig jaar juni de Sahara over. Met zo'n dertig anderen in een truck, bestuurd door mensensmokkelaars. In Tsjaad ging het mis. "Nikeyas was kritisch op de manier waarop de smokkelaars ons behandelden, als vee", zegt Andenet. "Toen we 's avonds bij een nederzetting halt hielden, sleurden ze hem uit de truck en namen hem mee naar een gebouwtje. Ze sloegen hem, ik hoorde hem schreeuwen, maar ik kon niets doen. De volgende dag reed de truck verder. Nikeyas bleek er slecht aan toe. Na vijf dagen in de laadbak van de schommelende truck overleed hij. Hij werd achtergelaten in de woestijn."

Andenet staart met lege ogen voor zich uit wanneer hij over deze episode van zijn odyssee verhaalt.

De Libische grens oversteken bleek geen enkel probleem. Deze is in handen van Toboe, een aan de Toeareg verwant nomadenvolk dat zich op de Tsjadisch-Libische grens beweegt. Ze leven goeddeels van de trans-Saharische smokkel en strijken een bedrag op voor iedere truck illegalen die passeert.

De eerste grote Libische stad waar ze halt hielden was Sebha, een voormalige garnizoensstad van Kadafi, in het diepe zuiden van het land. Van daaruit ging het naar Tripoli. Hier moesten Andenet en zijn medereizigers het zelf uitzoeken. Huisvesting en een overtocht naar Europa regel je ter plaatse, heel anders dan voor de revolutie, toen de reis nog all inclusive was. De smokkelnetwerken zijn sindsdien verlegd.

Zo blijkt wel in Zuwara, een stadje bij de Tunesische grens. Voorheen was dit dé plaats waar Afrikaanse immigranten koers zetten richting Italië. Maar in de haven liggen de houten sloepen die voorheen voor de mensensmokkel werden ingezet, er werkeloos bij.

"Voor de opstand tegen Kadafi uitbrak, was mensensmokkel hier big business", bevestigt Abdulsalam, de kapitein van een van de blauwe vissersboten langs de kade. Achter hem knopen een vijftal mannen zwijgend hun netten, Egyptische gastarbeiders. "Afrikanen brengen enge ziektes met zich mee", vervolgt hij. "Cholera en aids. Zelf zou ik ze liever ook niet in Libië zien, maar hou ze maar eens tegen, de grenzen zijn simpelweg te uitgestrekt!" Volgens Abdulsalam is het allemaal de schuld van Kadafi. "Toen die de Afrikaanse eenheid uitriep, was héél Afrika hier plotseling welkom."

Voor Kadafi bleken de Afrikaanse immigranten ook een handig instrument om druk op Europa te zetten. Op gezette tijden liet hij immigranten door. "Ik zag hier 's nachts de boten vertrekken", zegt de havenmeester in zijn armetierige kantoortje op de kop van de pier. Een tiental meter verderop staan drie patrouilleboten van de Libische kustwacht weg te rotten op de kade. "Het was officieus beleid, niet alleen wisten de getrouwen rondom Kadafi ervan, ze verdienden er zelfs aan."

In 2010 sloot Kadafi een lucratieve deal met toenmalig premier Silvio Berlusconi, waarin hij beloofde de immigranten tegen te houden. In ruil daarvoor betaalde Italië vijf miljard euro, officieel ter reparatie van de geleden schade tijdens de kolonisatie. Eerder had Kadafi gedreigd dat hij Europa 'zwart' zou doen kleuren.

Bij een checkpoint aan de rand van Zuwara tref ik Nuri, een vijftiger met een grijze stoppelbaard en een zachte oogopslag. Tegenwoordig is hij brigadecommandant, maar ooit was hij mensensmokkelaar.

"Ik was erbij toen zich hier ruim tien jaar geleden de eerste Afrikaanse immigranten meldden", zegt hij, gezeten op een vale matras in de geïmproviseerde wachtpost langs de woestijnweg.

"We zetten ze over in snelle Zodiacs, 600 dollar per passagier. Al snel groeide het uit tot een ware industrie, waar veel mensen aan verdienden." De boten werden voller, de prijzen stegen. Immigranten werden nu steeds vaker op eigen houtje de zee op gestuurd. "Dat beviel me niet, want de zee is erg verraderlijk. Steeds meer boten verongelukten, ik was er toen al mee gestopt."

Volgens Nuri zette Kadafi na de Navo-aanval van 2011 de sluizen wijd open. "Hij wilde Europa met immigranten overspoelen.".Sinds Kadafi's val gebeurt er weinig meer in Zuwara. De illegalenboten die er gaan, vertrekken nu meer westwaarts, in de omgeving van Tripoli.

IJzersterk en roekeloos
Volgens Andenet is er geen peil op te trekken waar en wanneer de boten precies vertrekken. "Veel meer dan afwachten kun je niet", zegt hij. "De locatie wordt pas op het allerlaatste moment bekendgemaakt." Dan moet er ook betaald worden: 800 dollar voor een kleine sloep; 1.600 voor een grotere (en dus relatief veilige) boot. Het probleem van Andenet is dat hij dat geld niet langer heeft, sinds die dag - hij was nog maar net in Tripoli - dat hij werd beroofd.

"Drie Libische jongeren, zwaar aan de drugs. Ik liep op straat en ze reden me klem." Voor hij er erg in had, lag hij op de grond, zijn gezicht hevig bloedend, zijn geld en mobiele telefoon gestolen.

In het ziekenhuis lapten ze hem op, maar toen hij langsging bij het politiebureau om aangifte te doen, besefte hij pas hoe zwak hij in werkelijkheid stond. "Toen ze ontdekten dat ik geen verblijfsvergunning had, legden ze een pistool op tafel", zegt hij laconiek. "Het was een manier om te zeggen dat ik me maar beter snel uit de voeten kon maken." Hij trok er een les uit: om in Libië te overleven moet je ijzersterk en roekeloos zijn. Steeds op je hoede zijn en niet vrezen voor de dood.

Jonge rekruten
Op een zondagochtend tref ik Andenet voor de kerk, de enige die Tripoli telt. Hij komt hier elke week, vertelt hij. "Hier bid ik tot mijn Heer", zegt hij plechtig. "Ik heb de hoop nog niet verloren."

De kerk blijkt tot de nok toe gevuld. Het merendeel van de bezoekers, enkele honderden, is Aziatisch en vrouw: verpleegsters, afkomstig uit de Filippijnen. Ook zijn er veel Vietnamezen, een handjevol Indiërs en hier en daar een goedgeklede Afrikaanse diplomaat. Andenet speurt de kerk af naar de Italiaanse vrouw met wie hij soms een praatje maakt. Ze blijkt voor een lang weekend naar Rome.

De vredigheid van de kerk contrasteert scherp met de omgeving die we dadelijk zullen bezoeken : Abu Salim. Toen ik er tijdens de val van Tripoli rondliep - eind augustus 2011 - zag ik ze al in groepjes bijeen staan: jonge mannen met bloeddoorlopen ogen en lange rijen littekens op hun armen, moedwillige inkervingen waarmee ze aangeven tot welke bende ze behoren.

Bij gebrek aan trainingsfaciliteiten trainde de Libische Islamitische Gevechtsgroep aspirant-leden in de wijk. De als terroristisch aangemerkte groepering werd in 1995 opgericht. Ze beoogde Kadafi ten val te brengen en een islamitische staat in Libië te stichten. Jonge rekruten werden Abu Salim ingestuurd slechts bewapend met een mes. De opdracht? Er levend uit tevoorschijn zien te komen.

Pas na enkele keren kloppen zwaait de metalen deur open. Drie jonge mannen, van Aziatische afkomst, blikken wantrouwend de straat in. Wanneer ze Andenet herkennen is de spanning als bij toverslag verdwenen. In Abu Salim bevinden zich tal van huizen waar immigranten verblijven, al dan niet illegaal. Anders dan elders in Tripoli zijn de woningen er betaalbaar. Zo'n honderd man leven hier in een huis dat is gebouwd voor één Libische familie.

Op de modderige binnenplaats toont een jongen in een sarong het verband dat een steekwond in zijn hartstreek bedekt. Hij heet Mohoen en is afkomstig uit Bangladesh. Twee weken eerder, toen hij onderweg naar huis was, liep hij tegen een paar Libische jongens aan. "Ze hadden messen, stroomstootwapens en eisten geld, voor ik er erg in had lag ik bloedend op de grond." Twintig dinar (zo'n 12 euro) leverde dat de overvallers op.

"Wanneer we nu maar in groepjes bij elkaar blijven, gaat het nog wel", zegt Mohoen, "maar eigenlijk zijn we nergens veilig, zelfs niet hier in huis". Hij wijst op de twee meter hoge schutting die de binnenplaats van de weg scheidt. "Soms klimmen ze eroverheen en pakken ze wat ze pakken kunnen. Wat kunnen we ertegen doen? Wapens hebben we niet en de politie doet niets voor ons."

Onderweg naar het volgende huis passeren we groepjes jongemannen die zwijgend langs de weg staan. Sommigen houden verfrollers, wc-ontstoppers of ander gereedschap in hun hand.

"Ze hopen opgepikt te worden voor een klus", zegt Andenet. Voordat hij een baantje in het koffiehuis vond, stond hij zelf ook zo op straat. "Meestal krijg je 15 à 20 dinar per dag. Soms ook helemaal niets, dan zegt de opdrachtgever: 'en nu ophoepelen'. Dan heb je een dag voor niets gewerkt."

Het tweede huis dat we bezoeken oogt opgeruimder. Aan over de binnenplaats gespannen waslijnen wapperen brandschone lakens. Hier verblijven zo'n zestig mensen, allemaal afkomstig uit de Hoorn van Afrika en allemaal illegaal. Onder hen de jongen met de kapotgeschoten heup, maar ook een achttal vrouwen en zelfs een moeder met kinderen.

"We zorgen ervoor dat we steeds bij elkaar blijven", zegt Tsegezegab Amare, een nerveus kijkende jonge vrouw. Ook zij had zich Libië anders voorgesteld. "Ze zien ons niet als mensen, ze hebben geen enkele ontwikkeling, kennen geen medemenselijkheid." Een andere vrouw is zwanger, maar kan niet naar het ziekenhuis voor tests omdat ze geen paspoort heeft.

Hoogstaande moraal
Tijdens onze laatste dag samen neem ik Andenet mee naar een van de fonkelnieuwe koffiebars in het hart van de medina. Hij is nog zwijgzamer dan anders. Het gesprek komt op zijn overleden broer. "Hij was alles voor me, hij was mijn betere ik. Hij had een hoogstaande moraal en durfde zich uit te spreken." Tranen stromen over zijn wangen. Niemand op het terras neemt er notitie van. "Ik had hem nooit in de steek mogen laten, ik had bij hem moeten blijven in de woestijn, had daar ook moeten sterven. Wat is mijn leven hier nog waard?"

Later lopen we door de nauwe straatjes van de medina richting het voormalige Groene Plein. Bij de uitgang liggen op een geïmproviseerde tafel tientallen handwapens uitgestald, merendeels revolvers. "Ze worden ter plaatse getest", zegt Andenet, die zijn gebruikelijke laconieke toon inmiddels heeft hervonden. En inderdaad: even later klinken enkele droge knallen.

Een straat verderop staat een politieauto geparkeerd. Er zitten vier agenten in, uit het geopende raam stijgt een indringende hasjlucht op. "Niet kijken!", sist Andenet, die zijn pas versneld. "Gewoon doorlopen, doe alsof je niets gezien hebt."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden