Review

O, die ongenaakbare meisjes toch met hun hart van steen

Piet Paaltjens wist het al: het leven valt voor een 'bleeke jongeling' niet mee. Vooral niet als de meisjes op wie je je zinnen hebt gezet een hart van steen blijken te hebben. De afgewezen jongeman rest weinig anders dan het stoepje van de melkboer nat te schreien, om van erger maar niet te spreken. Maar hij kan zijn snikken en grimlachjes natuurlijk ook in weemoedige verzen gieten en er met de nodige zelfspot en overdrijving maar het beste van zien te maken.

Dat is wat Paaltjens deed en Ingmar Heytze doet hem dat in de taal van onze tijd nog eens na. Al in het openingsgedicht 'Hart voor steen' van zijn nieuwe bundel 'Sta op en wankel' stuiten we op 'onverwachte meisjesogen' en houdt de dichter zichzelf voor: 'lachen door je tranen heen / en drinken tot je niets meer voelt'.

De klassieke oppositie tussen de stuntelige, verliefde jongeman en het ongenaakbare meisje keert, omkranst door veel rook en bier, in veel van deze gedichten terug. In het sonnet 'Nocturne' zwiert het meisje er op een dansfeest lustig op los terwijl de jongen 'wankelt door de stad'. Het sextet legt het blauwtje aldus vast:

Hij is zijn mooiste woorden kwijt en niemand die zijn pijn begrijpt; zij danst met sterren in het haar en hij - een slechte goochelaar die stram naar vallend herfstblad grijpt en briefjes post aan de oneindigheid.

Dit gedicht zou in de vroege jaren zeventig, toen neoromantici het mede voor het zeggen hadden, niet hebben misstaan. Maar toen werden de ironie en overdrijving zelf óók weer geironiseerd en dat lijkt bij Heytze minder het geval. Zijn ironie wil gewoon weer een ouderwetse spottende omkering zijn van wat eigenlijk wordt bedoeld. Onder het motto 'leuk en niet te moeilijk' kiest hij nadrukkelijk voor het lichte genre, dat momenteel ook bij andere jonge dichters (Lernert Engelberts, Ruben van Gogh, Menno Wigman, de onlangs gedebuteerde Hagar Peeters) trouwens opmerkelijk populair is.

Veelzeggend in dit verband is het gedicht 'Uitzicht van de allesvrezer'. Hierin zet Heytze zich zowel af tegen het moeilijke hermetisme ('een Jurassic Park / van diep mystieke symboliek / en doorgeroeste hermetiek / met cryptofiele onderlagen') als tegen de al te gemakkelijke 'rap & poetry', de 'ruige shit op wrede beats' van 'de firma Scheet en Donderslag'.

Hiertussen situeert hij zijn eigen toegankelijke poëzie als een wankel 'kaartenhuis: / meer een kelder dan een toren / met vergeeld ivoren baldakijnen / als baleinen naar de nieuwe tijd, / een dak van oude bedelbrieven / aan uitgeverij Tot Onze Spijt'. Bij alle ironie is dit toch een vrij serieus te nemen credo waarin Heytze voor zijn cabareteske poëzie een eigen literair plekje opeist.

Heytze schrijft zowel vrije als (meer) gebonden verzen van wisselende lengte. In de langere gedichten blijkt de spanwijdte van zijn humor, waarvan zijn poëzie het in hoofdzaak hebben moet, beperkt. Walst hij zijn 'tranen van het lachen' over te veel regels uit, dan krijgt zijn stijl iets geforceerds. Maar als je je een beetje in zijn romantische pose vol liefdesverdriet en Weltschmerz verplaatst, dan vallen er ook in deze bundel wel weer een paar aardige bloemen te plukken. 'Kosmisch intermezzo' en 'TMR-1C' trekken ons fundamenteel besef van eenzaamheid 'op de vluchtstrook / van de melkweg' nogal geestig een kosmisch jasje aan: 'nergens een praatpaal van hoger leven / of een hemels teken van geluk'.

In 'Sacha's brieven' leggen de aan Sacha gerichte liefdesbrieven het hees fluisterend af tegen de quasi onschuld van een meisjesslaapkamer: 'zij slaapt alleen en giechelt zacht: / de teddyberen staan op wacht'. 'Jongenswraak' is een platkomisch hoogstandje waarin het ongenaakbare lief bij uitzondering eens flink op haar nummer wordt gezet, terwijl 'Shy effects' juist heel fragiel en grotesk handelt over verlegenheid.

Het graaft allemaal niet diep en het blijft erg dicht bij de humoristisch-romantische traditie, maar anderzijds getuigt deze poëzie op onderdelen wel degelijk van talent. Een vrij onzeker talent vooralsnog, dat zich van de weeromstuit vaak met veel branie presenteert: 'Je maakt gelukkig weinig mee, / je steelt het leven bij elkaar uit boeken'. Diezelfde branie geeft ook de toon aan in de redelijk flauwe, maar niet zonder poëtische handigheid in elkaar geknutselde persiflages op bekende gedichten van Gorter, Van Ostaijen, Slauerhoff en Kopland. Daarentegen is een gedicht als 'Mammoet' juist weer tamelijk ingetogen en ook nauwelijks humoristisch:

Het is heel koud in dit gedicht.

Zo koud - voorzichtig met je netvlies - dat je blij mag zijn om het alleen te hoeven lezen.

Het is gemaakt van zwarte vingers en bevroren inkt. Het staat in gletsjers om me heen verrezen.

Ik heb er lang in rondgedwaald.

Ten slotte ben ik opgegeven, door de wind in slaap gefluisterd, weggedoken in de tijd -

Sindsdien kijk ik omhoog door ijs en luister naar de eeuwigheid.'

Een diepvriesgedicht: de dichter ligt er als een in gletsjerijs vereeuwigde mammoet in te kijk en komt er nooit van z'n leven meer uit, en de lezer ziet het glashelder voor zich maar komt er met geen mogelijkheid echt in. Het doet denken aan het gedicht 'Vos onder ijs' uit Heytze's vorige bundel, waarin de poëzie vanuit een soortgelijk glaciaal isolement wordt bezien.

Ik houd het erop dat deze zo soepeltjes geserveerde ijskou het bij Heytze op den duur gaat winnen van de studentikoze ironie. Zijn poëzie zal daar iets bij verliezen, maar zij zal er vooral ook veel bij winnen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden