Nuttig denken / Pieter Pekelharing

Wijsbegeerte gaat over de grote vragen van het bestaan, maar wat heb je eraan in het gewone leven? Over de bruikbaarheid van de filosofie.

'Het nut van de filosofie was altijd dat je leert hoe je goed kunt leven. Filosofen in de oudheid waren wijsheidsleraren. Ze stonden zeer dicht bij het leven van alledag. Zoals je vandaag bij de kapper naar een damesblad grijpt om te lezen wat je moet eten, hoe je eruit moet zien, hoe je moet vrijen, en met wie, zo ging je vroeger naar een filosoof.

De filosofie is nu cognitiever ingesteld. Ze heeft zich afgeschermd voor het dagelijkse leven. Een filosoof kan tegenwoordig rustig beweren dat er niet zoiets als tijd bestaat, en ondertussen op zijn horloge kijken.

Naast de zoektocht naar het goede leven, gaat de filosofie om het dienen van de waarheid. Zelfs zij die de waarheid ontkennen, doen dat nog met een beroep op die waarheid. Om de waarheid te kunnen spreken, heb je bepaalde kwaliteiten nodig, zoals moed, geduld, precisie. Je moet een persoonlijkheid ontwikkelen die voor argumenten durft te zwichten.

Nuttig aan de filosofie is dat zij leert hoe je op een redelijke manier met elkaar van mening kunt verschillen. Dat is natuurlijk belangrijk in een democratie, waarin mensen met verschillende opvattingen met elkaar moeten samenleven. Filosofie is redelijke oneensgezindheid.

De filosofie in de oudheid was gericht op onafhankelijkheid, op de zorg voor jezelf. Je zag dat de filosofie soms ook kon doorslaan. Diogenes, de filosoof die in een ton woonde, zei dat de meeste mensen conformisten waren, en masturbeerde in het openbaar. De kritiek op de omgeving kan je voorbij de schaamte brengen.

Misschien zijn er dus ook nadelen aan de filosofie. Nietzsche vergeleek haar bijvoorbeeld met de pornografie. Alles wil ze bloot leggen. Overal wil ze onder kijken. Kritisch nadenken over het nut van kritisch nadenken, doet de filosofie dus ook. Dat is paradoxaal, maar de filosofie is nu eenmaal verzot op paradoxen. Denk maar aan Socrates die zeker weet dat hij niets zeker weet. De filosofie gaat voor een belangrijk deel om dat soort paradoxen, en om het ontwikkelen van instrumenten om die te lijf te kunnen gaan.

Het was ook Socrates die duidelijk maakte dat de filosofie niets met religie van doen had. Dat deed hij door de vraag te stellen of iets goed is omdat de goden het goed noemen, of dat het goed genoemd wordt omdat het in zichzelf goed is. Socrates beweerde het laatste. Wij kunnen het goede kennen met behulp van ons verstand. De religie moet zich dan rechtvaardigen ten opzichte van de rede.

Filosofie is de overtuiging dat als je redelijk naar de werkelijkheid kijkt, die werkelijkheid ook redelijk terugkijkt. De filosofie is wat dat betreft ook een soort hoop: de hoop op redelijkheid. En het nut daarvan is om rust te brengen, daar waar eerst paniek was.'

Pieter Pekelharing is docent sociale en politieke filosofie aan de Universiteit van Amsterdam.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden