Nutteloze idioten in de politiek

Anders dan in Duitsland of Frankrijk nemen Nederlandse schrijvers weinig deel aan het politieke debat. En zijn ze bijna altijd links. Hoe komt dat?

Als Nederlandse schrijvers zich bij hoge uitzondering met politiek inlaten, kiezen ze meestal voor de linkerkant. Zo bekeerden Herman Gorter en Henriette Roland Holst zich in 1897 tot het marxisme, om vervolgens jarenlang een vooraanstaande rol te spelen in de internationale socialistische en communistische beweging, waar ze zich de reputatie van dogmatische scherpslijpers en scheurmakers verwierven. Jef Last en Albert Helman namen het tijdens de Spaanse Burgeroorlog op tegen Franco. Theun de Vries maakte tijdens de Koude Oorlog deel uit van de gestaalde kaders van de CPN, schreef een loflied op Stalin en rechtvaardigde de Russische onderdrukking van de Hongaarse Opstand in 1956. Harry Mulisch bemoeide zich in de jaren zestig nadrukkelijk met de revoluties op Cuba (Fidel Castro en Che Guevara) en het Amsterdamse Spui (de provo's). Het zijn maar een paar voorbeelden uit vele tientallen.

Vergeleken met de literaire bezetting van de linkervleugel ziet het er bij ons op rechts nogal armetierig uit. Terwijl in Frankrijk, Duitsland, Engeland en Italië grote stilisten en klinkende namen als Céline, Jünger, T.S. Eliot en Marinetti onbekommerd conservatief, reactionair of zelfs fascistisch waren en daar ook zeer welsprekend voor uitkwamen, werden in Nederland alleen de derde- en vierderangsauteurs lid van de NSB of Zwart Front. De dichter Marsman pochte er eind jaren twintig op dat hij vroeg of laat in een fascistisch front zou sneuvelen, maar toen Hitler aan de macht was gekomen vond hij hem eigenlijk veel te populistisch naar zijn aristocratische smaak. Collega-dichter J.C. Bloem, overigens een rabiaat antisemiet, was het in dat opzicht geheel met hem eens. In onze dagen is Haye van der Heyden (over derde en vierde rang gesproken!) de enige schrijver die openlijk uitkomt voor zijn steun aan Geert Wilders.

Ook vandaag de dag, nu het bon ton is om links te beschimpen en PVV-ideoloog Martin Bosma socialisme en nationaal-socialisme op één hoop veegt, zijn er maar weinig schrijvers van naam die graag voor rechts willen doorgaan. Leon de Winter is een van de schaarse conservatieven in letterenland en als zodanig een graag geziene gast in de kolommen van Elsevier en De Telegraaf. Te vrezen valt dat hij vanwege zijn keus voor deze podia bij de intelligentsia amper serieus genomen wordt. In de ons omringende landen zou een collega met dezelfde politieke voorkeuren nooit zo ver in de marge worden gedrukt; denk aan gezaghebbende deelnemers aan het Franse en Duitse publieke debat als Alain Finkielkraut en Botho Strauss.

Vanwaar toch het automatisme waarmee politiek geëngageerde schrijvers meestal voor links kiezen? Een mogelijke verklaring brengt ons twee eeuwen terug in de tijd, bij de Romantiek, nog altijd de bakermat van onze eigentijds sociocultureel bestel. Het was tijdens de jaren rond 1800 dat de ongebreidelde dweepzucht met Nieuw, Jong en Anders een aanvang nam. In die euforie moest het brandhout van de oude vormen en gedachten er zo gauw mogelijk aan geloven. Ten spijte van het handjevol romantici dat de Middeleeuwen begon te verheerlijken en dat uit afkeer van democratie en sociale versplintering droomde van een verenigd, christelijk Europa onder leiding van de katholieke kerk (in onze eigen tijd koketteerde Frans Kellendonk nog met die gedachte), bleef de obsessieve hang naar vernieuwing en verandering de dynamo van een mentaliteit die zich tot diep in de twintigste eeuw is blijven manifesteren, ook in de politiek. In die zin zou je zelfs het fascisme in zijn aanvankelijk dynamisch-revolutionaire kwaliteit als een loot aan de romantische stam kunnen zien.

Het puberale denken dat de Romantiek per definitie eigen is, liet zich sterk gelden in de politieke voorkeuren van het befaamde duo Ter Braak (1902-1940) en Du Perron (1899-1940) , dat het maatschappelijk debat tot ver na de oorlog bleef beïnvloeden. Ter Braak profileerde zich als 'politicus zonder partij', dat wil zeggen als een naar Reinaert de Vos gemodelleerde opportunist die desnoods in de dorpsnotaris een bondgenoot zag. Du Perron bekende dat de revolutionair hem alleen maar sympathiek was als oppositiefiguur. "En als ik denk aan oppositie, denk ik meteen aan de gehele mensheid; oppositie tegen dàt alles, tegen alles wat niet bevriend is." De half-anarchistische, half-criminele bende van Bonnot, die in 1911 en 1912 aanslagen en overvallen pleegde in Frankrijk en België, was Du Perron om die reden heel wat liever dan Lenin en Trotski. Een halve eeuw later liet Louis Paul Boon, de grote Vlaamse afbreker, zich in vergelijkbare zin uit.

Geen wonder dat beroepspolitici de in de politiek liefhebberende schrijver wegzetten als een warhoofdige en zelfs gevaarlijke charlatan of - zoals Frits Bolkestein ooit deed - als een 'nutteloze idioot'. De romantische dichter Shelley mag dan ooit in schrijvers de ideale wetgevers hebben gezien, in de staatkundige praktijk waren ze meestal een geweldige flop. Ze kwamen zelden verder dan afgeserveerde kandidaat bij parlementsverkiezingen (Multatuli, Gorter) of als lijstduwer ten gunste van een onbeduidende splinterpartij (Maarten 't Hart, Rudy Kousbroek, Mensje van Keulen).

Ter Braak en Du Perron hadden tegen hun veertigste hun bekomst van de revolutie en sloten zich kort voor hun dood aan bij het sociaal-democratische kopstuk Jacques de Kadt, voordien nog te vinden aan de extreem-linkse kant. Als ze de Tweede Wereldoorlog hadden overleefd, zouden ze zeker lid zijn geworden van de in 1945 opgerichte Partij van de Arbeid waar De Kadt jarenlang furore maakte als buitenlandwoordvoerder en communistenvreter.

Typerend voor politiek bevlogen schrijvers is dat hun geestdrift dikwijls een snel opbrandend strovuur is. Wat blijft is de teleurstelling, die weer de opstap vormt om zich te verschansen in de ivoren toren van de esthetiek. Gustave Flaubert en Charles Baudelaire zijn van die ommezwaai de kenmerkendste voorbeelden. Ze liepen even mee in de Franse revolutie van 1848 die een definitief einde aan de monarchie maakte, maar werden al na een paar maanden bekropen door weerzin en walging voor het republikeinse plebs. Dat doet denken aan Marsman die verzuchtte dat wie in Nederland op de grond stampt vanzelf in de modder wegzakt.

Er zou een Nederlandse literatuurgeschiedenis geschreven kunnen worden volgens de op- en neergaande lijn van maatschappelijke en politieke betrokkenheid onder schrijvers. Aan het einde van de negentiende eeuw spatte de Beweging van Tachtig uit elkaar omdat de sociaal geëngageerden (Gorter, Van Eeden, Verwey) de schoonheidsaanbidders (Kloos en Van Deyssel) een wereldvreemde en onverantwoordelijke houding verweten. Een volgende generatie (A. Roland Holst, J.C. Bloem, P.N. van Eyck) kwam opnieuw met de rug naar de samenleving te staan en focuste op het eigen ik. Hetzelfde deed zich voor in de opeenvolging van de 'dichters van het klein geluk' (Hoornik, Han G. Hoekstra, Aafjes), sociaal bewogen Vijftigers (Lucebert, Kouwenaar, Schierbeek, Elburg), nieuwe romantici (Komrij, Kopland, Jan Kuijper). In de jaren zestig kozen Mulisch en Jacq Firmin Vogelaar partij voor de onderdrukten en tegen het Amerikaanse imperialisme, maar de Revisor-generatie (Dirk Ayelt Kooiman, Nicolaas Matsier) liet zich van haar meest individualistische en apolitieke kant zien.

Inmiddels lijkt de tegenstelling tussen engagement en esthetiek volkomen achterhaald. Alles is amusement, ook het publieke debat. Over de medialisering en de ondraaglijke lichtheid van de politiek (met binnenkort als voorlopig hoogte- dan wel dieptepunt Tweede-Kamerkandidaten die meedoen aan Lingo) handelt P.F. Thomése's roman 'Vladiwostok!'. Hoofdpersonen zijn de aanstormende volksvertegenwoordiger Hans Portielje en zijn adviseur Fons Nieuwenhuijs, in het verleden collega's bij een links weekblad. Van de idealen die ze ongetwijfeld moeten hebben gehad, horen we niets, en dat is betekenisvol, want dit tweetal hoort tot het slag mensen dat idealen ervaart als obstakels op weg naar genot. We weten niet eens tot welke partij Portielje hoort. Wel dat hij noch bereid noch in staat is dossiers te lezen of anderszins moeite te doen voor zijn taak. Hij wil scoren, in bed met een leuke meid of op de bank bij gladde tv-presentatoren.

Via de bespiegelingen van spindoctor Fons schetst Thomése een inktzwart beeld van de huidige politieke ethiek. De kwaliteit van de politicus, zo meent Nieuwenhuijs, schuilt in gezicht en stem, in het vermogen emotie te genereren en voor elke oplossing een probleem te zoeken. De media weten immers dat de massa hongert naar haar dagelijkse portie onbehagen en haasten zich dus van incident naar incident. Voor politici is het de kunst op die golven voort te surfen.

Met zijn satire laat Thomése zien dat schrijvers zich het beste kunnen houden bij een afstandelijk observeren en fileren van de politiek. Iets dergelijks doet Arnon Grunberg dagelijks in zijn 'Voetnoot' op de voorpagina van de Volkskrant. Zij doen wat Frans Kellendonk ooit aanbeval: "Vragen stellen, en wel zo zuiver en scherp mogelijk. Dat is, bij alle onrust en oorlog, een politieke daad van de eerste orde. Naarmate de schrijver dat beter doet, dient het schaamrood de politici des te vlammender naar de kaken te stijgen." Of zouden ze op het Binnenhof de schaamte voorbij zijn?

Jammer voor Leon de Winter, maar wie schrijft in Elsevier en De Telegraaf wordt door de intelligentsia niet serieus genomen

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden