column

Nutteloze discussies te over rond 4 en 5 mei

Sylvain Ephimenco Beeld Maartje Geels

De vermoeidheid slaat onvermijdelijk weer toe als 4 en 5 mei naderen. Polemieken en nutteloze discussies te over. 

Moet je de doden van driekwart eeuw geleden blijven herdenken in het tijdperk van de smartphone? Of langs de graven van Duitse soldaten defileren? En moeten de asielmigranten die onlangs in de zee verdronken niet aan de Nederlandse oorlogsslachtoffers van lang geleden worden gekoppeld? 

Gisteren stuurde Esther Voet, de hoofdredacteur van het Nieuw Israëlietisch Weekblad, een korte tweet de lucht in die de consistentie van een lange zucht kreeg: ‘Wat verlang ik naar eindelijk een jaar herdenken zonder rel.’ En zo voelde ik het ook met daarbij eveneens het verlangen om uit andere bronnen te putten.

Flarden uit de oorlog

Toen ik geboren werd was de oorlog al lang voorbij. Maar de flarden uit die tijd, die me als kind nog bereikten, sijpelde regelmatig uit de mond van mijn vader. Hij was in de oorlogsjaren nog een adolescent met een onbekommerde toekomst voor zich. Charles Trenet zong toen ‘Douce France’ en bestsellerschrijver Louis Ferdinand Céline pende zijn meest afgrijselijke anti-joodse pamfletten neer. Vader was vooral druk om in opdracht van zijn ouders voedsel te vinden. Hij deed dit op de fiets en pendelde tussen zijn woonplaats Asnières-sur-Seine en het centrum van Parijs dat op nog geen 10 kilometer lag. 

Over de horror van de oorlog kon hij altijd relativerend zo niet routineus vertellen. Met open mond luisterde ik dan naar de in zijn geheugen netjes opgeborgen gruwelverhalen. Zoals die van de onvoorzichtige buurman die tijdens een bombardement zijn hoofd nieuwsgierig door het raam stak en dat letterlijk verloor. Of die ene keer dat een geallieerd vliegtuig door de Duitsers werd neergehaald. De volgende dag ging hij met wat schoolvrienden naar de plek waar het toestel was neergestort. “Daar hingen nog lappen vlees aan de bomen.” 

Gisteren besloot ik hem te bellen omdat ik wist dat hij op de historische dag van 26 augustus 1944 in Parijs was. De stad was net bevrijd, generaal De Gaulle liep fier op de Champs Elysées en toen werd er vanaf de daken op de feestvierende menigte geschoten.

Aan de andere kant van de lijn bleef mijn moeder eerst stil. En dan: “Je weet toch hoe het gaat met zijn hoofd? Hij weet nog amper hoe hij een stokbrood bij de bakker moet kopen. En je wilt iets weten van tien eeuwen geleden toen hij zestien was?” Ze klonk bijna wraakzuchtig toen ze hem fatalistisch riep. Zoals een meester zijn slechtste leerling naar het schoolbord kan roepen. Hij klonk nogal verward. 

Zijn zinnen gevolgd door lange stiltes. Buurman zonder hoofd? Mensenvlees aan de bomen? Onzin, leugens of geruchten, anders zou hij dit wel weten. Vader kon zich iets vaag herinneren van die bevrijdingsdag. Mensen renden in paniek langs de muren en hij hoorde schoten. Hij viel weer stil en liet me even spartelen met mijn groeiende schuldgevoel. En plotseling: “Ja, ik was er die dag. Op de fiets. Ik ging naar de kruidenier. Die was mijn eigen oom. Hij moet nu wel dood zijn.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden