Nuchter, opgewekt en onverzettelijk

Piet de Jong 1915-2016

De voormalige commandant van een onderzeeër kwam als buitenstaander de politiek binnen. Hij ontwikkelde zich snel tot een krachtdadig bestuurder in woelige tijden.

Oud-premier Piet de Jong (Apeldoorn, 3 april 1915) was een politicus in wie men zich licht vergiste. De kleine, altijd goed geluimde, grappige man met zijn halve leesbrilletje (hij was zo'n beetje de eerste die er een droeg), zijn bolhoed en aanminnige glimlach kon bij een eerste contact bijna vertedering inboezemen waar - naar later placht te blijken - respectueuze behoedzaamheid op haar plaats was. Hij verliet nooit een houding van aangename onthechtheid en pretentieloosheid, afkeer van drama's en grote woorden en ontwapenende nuchterheid. Maar als het nodig was, kon het beminnelijke manneke dat men bijna in bescherming had willen nemen, hard als een spijker worden en in staat blijken tot het uitvoeren van snelle, trefzekere executies.

Als bij toeval was De Jong in de politiek verzeild geraakt. Het kabinet De Quay in aanbouw (1959) had een KVP'er nodig die staatssecretaris van defensie kon worden om zich met de marine bezig te houden en men herinnerde zich hem als voorbeeldig commandant van een onderzeeboot, waarnemend stafchef voor de marine en, vooral, adjudant van de koningin (in welke hoedanigheid hij het koetshuis van het Huis ten Bosch bewoonde). Tijdens een vlootoefening voor de Engelse kust werd hij bij hoge zee per helikopter uit zijn beroepsmilieu opgepikt en bij de geduchte KVP-leider Carl Romme voorgeleid. Daar bekende De Jong aanstonds dat hij geen lid van diens partij was. Als je het op een duikboot prettig wilde houden, dan liet je de politiek onbesproken, zou hij later uitleggen; hij had zich daarom nooit in deze tak van bedrijvigheid verdiept. "Maar je bent toch wel katholiek?" had Romme gevraagd en toen de kandidaat bevestigend antwoordde, besliste de grote leider: "Dan ben je een der onzen".

Krachtdadig bestuurder

En zo werd Piet de Jong staatssecretaris voor marine, een hem vertrouwd terrein waarop hij voor de buitenwacht betrekkelijk onopgemerkt zijn werk deed. Intern oogstte hij evenwel zoveel waardering dat hij in 1963, in het kabinet Marijnen, promoveerde tot minister van defensie en nu drong ook in bredere kring door dat in hem een krachtdadig bestuurder was ontdekt. De nieuwe minister voerde de beroemde horizontale structuur van het departement in (waarbij elk van de drie krijgsmachtonderdelen een eigen staatssecretaris kreeg) en deed de directeur-generaal van defensie en de chef-staf het veld ruimen. En staccato liet hij nieuwe besluiten volgen: oogstverlof voor boerenzoons, verhoging van de soldij voor de dienstplichtigen met een kwartje, vrijstelling van dienst voor bouwvakkers, ontwapening van de schildwachten aan de kazernepoorten (ter voorkoming van herhaling van schietincidenten die zich hadden voorgedaan). 'Als torpedo's uit een onderzeeboot, zo schoten de maatregelen uit het ministerie van defensie tevoorschijn', schreef iemand in die tijd.

De Jong zou als minister van defensie in de kabinetten Cals en Zijlstra terugkeren. Als premier trad hij aan nadat een poging van ARP-leider Barend Biesheuvel in 1967 om een kabinet van de drie confessionele partijen met de VVD te vormen, was mislukt. Hij zou de volle regeringsperiode van vier jaar dienen - een grote prestatie in die tijd, na jaren van politieke instabiliteit.

Als minister-president diende De Jong in een turbulente tijd. De vakbeweging radicaliseerde. In die kring werd gezegd dat de bestaande maatschappelijke orde 'de onze' niet was en dat impliceerde zo ongeveer dat men zich gerechtigd achtte er ten eigen bate een zootje van te maken. Een ontketende buitenparlementaire oppositie liep te hoop tegen alles wat rook naar gezag en scheen de fundamenten van staat en maatschappij te willen uitgraven en vergruizelen.

De oppositionele PvdA-fractie in de Tweede Kamer liet zich door dit alles opjagen. Den Uyl verklaarde telkenjare, een beetje plichtmatig, dat het bestaan van het kabinet De Jong een ramp voor het land was. Maar voor zijn partijcongres was dit lang niet genoeg; het vermaande de fractie dan ook haar oppositie te verscherpen. Den Uyl gehoorzaamde zoals altijd, maar moest wel een beetje oppassen de populaire premier niet te veel te na te komen. "Jammer dat het zo'n aardige man is", werd er in de PvdA-fractie gezegd.

Er waren er in het kabinet die zenuwachtig werden door de woelingen en serieus wilden nadenken over het uitroepen van de noodtoestand tegen Rotterdamse havenstakingen. Maar de premier, menend dat de jongens en meisjes stoom moesten afblazen en dat de commotie ooit vanzelf zou overwaaien, bleef stoïcijns en 'paste op de winkel'. Deze taakopvatting sloot zeer kordate maatregelen niet uit, zoals bleek toen De Jong burgemeester Van Hall pardoes ontsloeg. De regent, aan de dijk gezet door een duikbootkapitein, was er beduusd van.

Maar Piet de Jong bleef in alles low profile. Het was zijn taak het kabinetsbeleid te coördineren en dat betekende dat als de dingen goed gingen, hij niets te doen had en op tijd naar huis kon. Hij stelde de persconferentie na de wekelijkse ministerraad in om verlost te zijn van het getelefoneer van journalisten die hem van zijn avondmaaltijd hielden. Op een goede dag kwam de beroemde interviewster Bibeb van Vrij Nederland hem interviewen. Ze had zich, haar methode van werken getrouw, erop voorbereid uren- en dagenlang niet van De Jongs zijde te wijken om zijn diepste zielenroerselen te sonderen. Maar die had daar geen zin in: na een uurtje pakte hij zijn jas om naar huis te gaan. Hij liet zich niet vermurwen door de hevige protesten van de gefrustreerde journaliste: zijn dochter zat midden in haar examen en dat vond hij belangrijker. De Jong ried Bibeb aan haar stuk maar te beëindigen met een rijmpje: "Hoe het pijpje drop verder gaat, vindt u bij de volgende automaat".

Het was de tijd dat de PvdA, nog verontwaardigd over de val van het kabinet Cals, de KVP in de ban deed: links was goed en rechts, de KVP incluis, was slecht en nooit, nooit zouden ze weer een coalitie vormen. Deze nieuwe antithese had in zoverre succes dat de KVP-leiding, die terrein verloor, zenuwachtig werd en minister van onderwijs Veringa als nieuwe leider naar voren schoof.

De man had een progressief imago en men zei dat hij de Nederlandse Kennedy was want hij had net zo'n kuif en grote tanden, een begeesterde blik bovendien. Maar hij bleek de magie van zijn grote voorbeeld te ontberen en de verkiezingen waarvoor hij de lijst trok werden een catastrofe. Piet de Jong, wiens populariteit waarschijnlijk een redelijk resultaat had gewaarborgd, was de tweede plaats op de noordoostelijke kieslijst toebedacht. De KVP-voorzitter die hem dat was komen voorstellen, had al na twee minuten moeten afdruipen. De Jong was een beminnelijk man maar als hij niet netjes werd behandeld, kon hij erg kort zijn.

Zinkend schip

De oud-premier was al een eind in de negentig toen het CDA op het idee kwam, hem in te zetten om het zinkend schip van Balkenende te redden. De Jong liet zich gebruiken voor een optreden op een verkiezingscongres. Later zou hij de partijleiding minder ter wille zijn toen hij zich zonder enige reserve aansloot bij degenen die het gedoogverbond met de knuppelaars van Wilders afwezen. De Jong bleef een zeeman met een wijde blik; wie niet verder kon kijken dan tot de grenzen van het eigen landje nam hij niet serieus. Bezuinigingen op ontwikkelingssamenwerking had hij nog met zijn laatste krachten willen bestrijden.

Vandaag kan De Jong worden herinnerd als voorbeeld van staatsrechtelijke properheid. Sinds zijn aftreden, vier decennia geleden, is het de gewoonte geworden de kabinetten te laten voorzitten door de leider van de grootste aan de coalitie deelnemende partij. Het adagium 'hoe dichter bij de Kroon, des te minder partijman' werd verlaten. Voortaan moest je partijman zijn en blijven om in de buurt van de Kroon te komen. De verhouding tussen kabinet en parlement is daardoor scheefgegroeid. De regeringsgezinde fracties in de Tweede Kamer werden vazallen van hun partijgenoten die ministeriële verantwoordelijkheid droegen. Hoe kan een Kamerfractie zonder last of ruggespraak het beleid van een minister beoordelen in wie zij haar politieke leider erkent?

Deze praktijk staat ver af van die van het kabinet De Jong. Toen nam de minister-president onbevreesd zijn eigen verantwoordelijkheid zonder die van het parlement in het minst aan te (willen) tasten. Geen wonder dat velen naar een premier van zijn statuur en ambtsopvatting zijn gaan verlangen.

Pierre van Enk was in de jaren zeventig politiek commentator van Trouw.

Herwaardering

Lange tijd werd het kabinet dat Piet de Jong zonder kleerscheuren door de woelige jaren zestig loodste als niet bijster bijzonder beoordeeld, maar dat beeld is de afgelopen jaren flink gekanteld. Historici Jan Willem Brouwer en Johan Merriënboer leverden daar in 2001 een bijdrage aan met hun biografie van de KVP-voorman. Daarin schetsen zij hoeveel (ook opvallend progressieve) wetgeving De Jong met zijn kabinet tot stand bracht en dat het dus veel meer deed dan enkel 'op de winkel passen', zoals De Jong zelf placht te zeggen. Ook het tijdsgewricht wordt als factor gezien. Denkend aan hoe De Jong het land bestuurde in onrustige tijden, ontstond in de woelige jaren na de moord op Fortuyn kennelijk ook het verlangen naar een kalme, maar vastberaden leider. NRC Handelsblad vroeg politici in 2011 wie volgens hen de beste premier was. Hij eindigde op de vierde plek, achter Drees, Lubbers en Cort van der Linden. Ook premier Rutte wees gisteren op de 'grote betekenis' van De Jong voor het land. "Hij ontwikkelde zich van een onderschatte premier tot een van de meest gewaardeerde premiers van Nederland."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden