Nu moeten ze zwaar gesluierd de straat over

De rk kerk in Indonesië groeit tegen de verdrukking in. Met de meeste moslims hebben christenen geen problemen, verzekert aartsbisschop Pius Datubara, maar de wet is streng islamitisch en extremisten hebben honderden kerken afgebrand.

Pius Datubara, de aartsbisschop van Medan, eet zijn rode kool met aardappelpuree en gehaktbal, in de refter van het kapucijnerklooster in Tilburg.

In de hal liep hij zojuist langs een portret van zichzelf, als jonge veertiger. In 1976 volgde hij aartsbisschop Van den Hurk op en kreeg hij de geestelijke leiding over het aartsbisdom Medan, op Noord-Sumatra. Op het uiterste puntje daarvan ligt Atjeh.

Katholieken zijn met hun vier procent van de bevolking ver in de minderheid in Indonesië, het grootste moslimland ter wereld. Op Sumatra zijn ze ook nog een minderheid, omdat daar door de zending de protestantse invloed groter is.

Ook de ouders van aartsbisschop Datubara (74) waren ooit protestant. Zeventig jaar geleden stapten ze over. De vader van Pius werd catechist, leken-voorganger in de rooms-katholieke kerk.

De verhouding met de moslims is altijd wat ingewikkeld geweest, vertelt de aartsbisschop. Er waren prettige verrassingen, zoals die keer dat hij als jonge priester met zijn te oude Zündapp een lekke band kreeg en door een moslim, die hem vanaf zijn veranda zag zwoegen met dat zware ding, op de thee werd uitgenodigd. De aartsbisschop: „Ik had toen altijd een habijt aan, dus misschien deed dat die moslim denken aan wat bedevaartgangers naar Mekka dragen.”

Tegenwoordig zijn er ook onprettige verrassingen. Zo zijn er in Indonesië streken waar de wet zo is veranderd dat iedereen, dus ook katholieken, volgens strenge regels van de islam gekleed moet gaan. Dat betekent dat katholieke vrouwen in Padang, midden Sumatra, zwaar gesluierd over straat moeten.

Onprettige verrassingen zijn ook dat de bouw van nieuwe kerken stelselmatig tegengewerkt wordt. Die bouw is niet alleen een teken van groei – op Sumatra groeit het aantal katholieken harder dan de bevolking, de afgelopen veertig jaar is hun aantal verdubbeld.

De aartsbisschop noemt het niet, maar er zijn in heel Indonesië de afgelopen jaren honderden kerken in brand gestoken.

De meeste moslims zijn gematigd, verzekert hij, en de samenwerking met hen is probleemloos. Zo werd hij pas uitgenodigd door een prominente moslim, die zei dat de God van de katholieken en de God van de moslims dezelfde is.

Maar de sociale druk op moslims neemt toe en dat is te merken bij de bouw van een kerk. Daar is ook toestemming voor nodig van 60 niet-katholieken. Als er maar een invloedrijke moslim is die de anderen daarbij wat te lang en nadrukkelijk aankijkt, beginnen die anderen te aarzelen. En dan moet er daarna ook een warme aanbeveling komen van de interreligieuze vergadering, waarvan ook weer moslimvertegenwoordigers lid zijn.

Negen jaar lang is aartsbisschop Datubara bezig geweest, een vergunning te krijgen om een kapel te verbouwen. Alleen maar verbouwen. Dat is uiteindelijk niet gelukt. De bouw van kerken is belangrijk, vertelt de aartsbisschop, voor de katholieke identiteit. Protestanten bouwen kerken zoals in het Westen, katholieken gaan ervan uit dat iedere cultuur een eigen invulling geeft, de inculturatie. Hij laat voorbeelden zien van kerken die eruit zien als een traditioneel Batak-huis, of een huis zoals bij de Karo. Deze etnische minderheid was gedwongen, over te gaan tot een van de vijf officiële godsdiensten die Indonesië kent. Als varkensfokkers voelden ze weinig voor de islam. Ze kozen voor het katholicisme. Aartsbisschop Datubara: „God gebruikt cultuur als een van de wegen van het heil.”

En dat heil kan ook via leken tot de gelovigen komen.

Pius Datubara is aartsbisschop van een katholieke kerk waarin de leek een sleutelrol vervult, en dat uit overtuiging. „Leken hebben een eigen roeping.’’ Er zijn 85 priesters voor ruim 1300 geloofsgemeenschappen. Bij lange na niet voldoende om de alle gelovigen wekelijks sacramenteel te bedienen, maar het begrip priestertekort heeft in de Indonesische kerk niet die paniekerige sfeer van doem als in Nederland.

Leken gaan voor, ze preken, houden vieringen. Die lekenleiders krijgen een gedegen training. En ja, onder hen zijn ook vrouwen, glimlacht aartsbisschop Datubara. „Vrouwen hebben van zichzelf meer mysterie. Mannen zijn toch eerder met auto's bezig, met geld en huizen. Zonder vrouwen kun je de kerk wel sluiten. Ze zijn pastoraal hard nodig.”

Al zijn er soms praktische bezwaren tegen een vrouwelijke voorganger, vindt hij, bijvoorbeeld als een groot gezin veel van haar aandacht en tijd vraagt. Het celibaat blijkt een belangrijke hindernis voor de mannelijke catechisanten om priester te worden.

Hun opleiding krijgen de lekenvoorgangers op het gezamenlijke grootseminarie, waar zes bisdommen hun priesterstudenten, catecheten en anderen heen sturen. Het grootseminarie is een theologische faculteit, ook open voor theologiestudenten die niet een carrière in de kerk ambiëren.

In de praktijk betekent dit dat er buitenposten zijn waar een of hoogstens twee keer per jaar een eucharistieviering is, vertelt aartsbisschop Datubara, terwijl hij zijn peer in partjes snijdt. Zijn tafelgenoten hier in de refter, paters kapucijnen, knikken. Waar hebben we het in Nederland over, met geklaag over een priestertekort. Nederlandse katholieken zijn verontwaardigd als er niet iedere week een echte eucharistieviering is.

Maar misschien zijn Indonesische katholieken ook wel verontwaardigd over dat geringe aantal eucharistievieringen. Vinden zij dit belangrijk?

„Woorddiensten hebben hun eigen waarde”, zegt de aartsbisschop. Maar wat is het verschil met protestantse kerkdiensten? „Protestanten hebben een droge spiritualiteit.”

Over de groei van het aantal gelovigen in zijn bisdom kan aartsbisschop Datubara tevreden zijn, over de leeftijdsopbouw van zijn kudde ook. Toch voorziet hij een ontwikkeling in de richting van ontkerkelijking. „Hoe het over tien jaar is, moeten we nog maar zien. Vroeger, toen de gezinnen groter waren, kreeg je met acht kinderen twee bananen te eten. Die moest je delen met elkaar. Nu zijn er twee kinderen in een gezin en genoeg bananen. Kinderen worden daar egocentrisch van. Ik ben wel bezorgd wat dat betekent voor de kerk.”

Lange tijd waren het buitenlandse missionarissen die in zijn kerk posities innamen. Nu is bijna het omgekeerde aan de orde. Kerkleiders in Nederland kunnen jaloers zijn op de vitaliteit van de geloofsgemeenschappen in Indonesië. Maar stel dat er Indonesische priesters naar Nederland zouden komen, werkt dat? „Dat is vragen om dubbele moeilijkheden. Het gaat om het leren van de taal, om het wennen aan de cultuur. Dat laatste is belangrijk, anders schrik je mensen af.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden